Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb 's-Gravenhage 141211

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2012/rb-s-gravenhage-141211

uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
zaaknurnmer: A WB 11/536 MA W
uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen
•••••••• te Utrecht, eiseres
(gemachtigde: mr. V. Dolderman),
en
de minister van Defensie, verweerder.


Procesverloop
Bij brief van 12 november 2008 heeft eiseres verweerder verzocht op grond van zijn zorgplicht alsmede op grond van een door een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een onder verantwoordelijkheid van verweerder werkzame persoon aansprakelijkheid te erkennen voor het door haar overkomen ongeval op 13 juni 2006 en voor de voortvloeiende immateriële- en materiële schade die zij lijdt of nog zal lijden.
Bij besluit van 7 december 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 oktober 2009, waarbij het verzoek van eiseres is afgewezen, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft bij briefvan 14 januari 2011 beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft de stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 21 september 2011 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen.

Overwegingen
I            Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit
van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1        Eiseres was voor bepaalde tijd bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Luchtmacht aangesteld en was ten tijde van belang in de rang van korporaal der eerste klasse full-time werkzaam als chauffeur bij de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (OVVO) op Vliegbasis Eindhoven. Op 13 juni 2006 is eiseres betrokken geweest bij een
voorval tijdens het laden van een vrachtwagen bij de Expeditie Lettele. Door blijvende gevolgen van een doorgemaakt nek- en schoudertrauma als gevolg van dit voorval is eiseres blijvend dienstongeschikt verklaard.
1.2        Bij besluit van 2 maart 2007 heeft de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP (Algemeen burgerlijk pensioenfonds, hierna: het Abp), namens de Staatssecretaris van Defensie, eiseres medegedeeld dat zij op 13 juni 2006 tijdens de uitoefening van de militaire dienst rug- en nekklachten heeft gekregen/gehad en dat is vastgesteld dat het hier een medische aangelegenheid betreft. Wel wordt hetgeen eiseres is overkomen het gevolg geacht van de aard van de haar opgedragen werkzaamheden. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiseres het letsel spontaan en niet als gevolg van een ongeval heeft opgelopen. Haar letsel is namelijk niet veroorzaakt door een onvoorziene omstandigheid bepaald door een misgreep, een van buiten komende gebeurtenis of onverwacht geweld. De klachten zijn ontstaan tijdens het laden van palen. Eiseres voerde derhalve de aan haar opgedragen werkzaamheden uit.
Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
1:3 Bij brief van 21 mei 2007 heeft bedrijfsarts H.W. N een verklaring gegeven ter zake van de medische situatie van eiseres.
1.4         Bij besluit van 28 mei 2008 is eiseres met ingang van 20 mei 2008 'secundair' geplaatst, door middel van een tijdelijke tewerkstelling, op een arbeidsplaats bij het DienstenCentrum Re-integratie (DCR).
1.5 Bij brief van 12 november 2008 heeft eiseres verweerder verzocht op grond van zijn zorgplicht alsmede door een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een onder verantwoordelijkheid van verweerder werkzame persoon aansprakelijkheid te erkennen voor het door haar overkomen ongeval op 13 juni 2006 en voor de voortvloeiende immateriële- en materiële schade die zij lijdt en nog zal lijden.
1.6        Op 28 januari 2009 heeft de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen Bedrijf Bijzondere Medische Beoordelingen (hierna: de Commissie) een rapport uitgebracht over het omtrent eiseres ingestelde Militair Geneeskundig Onderzoek (MGO) als bedoeld in artikel 105 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Eiseres is blijvend
dienstongeschikt geacht. De Commissie acht het aannemelijk dat de door eiseres uitgevoerde militaire activiteiten op 13 juni 2006 de oorzaak zijn geweest van de bij dat ongeval ontstane schade. Een dienstverband ex artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (hierna: Besluit AOIIV) wordt aannemelijk geacht.
1.7         Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 12 november 2008 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
1.8           . Bij besluit van 7 december 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 oktober 2009 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft bij brief van 14 januari 2011 beroep ingesteld tegen dit besluit.

2            Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van causaal verband tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade. Verweerder stelt dat uit het in rechte vaststaande besluit van het Abp van 2 maart 2007 blijkt dat de werkzaamheden enlofwerkomstandigheden de klachten van eiseres niet daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Verweerder stelt dat bovendien geen sprake is van schending van de zorgplicht.
3            De rechtbank overweegt allereerst dat het bestreden besluit namens verweerder is genomen door het Hoofd Afdeling Pensioenen, Sociale Zekerheid en Zorg (hierna: het Hoofd). Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het Hoofd niet bevoegd is om namens verweerder een besluit te nemen ter zake van de aansprakelijkheid op grond van schending van de zorgplicht en een fout van een ondergeschikte. Verweerder heeft in zijn verweerschrift verwezen naar artikel 2, derde lid, en artikel 7, derde lid, van het Mandaatbesluit uitvoerende bevoegdheden AMAR (hierna: het Mandaatbesluit) en het Ondermandaat van 23 januari 2009 van de Hoofddirecteur Personeel, waarbij het Hoofd mandaat is verleend om namens verweerder uitvoering te geven aan artikel 7, derde lid, van het Mandaatbesluit.
De rechtbank is van oordeel dat hiermee de bevoegdheid van het Hoofd ter zake van het nemen van het bestreden besluit genoegzaam is aangetoond.
4.1        De Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) heeft in vaste jurisprudentie als norm geformuleerd dat de (gewezen) ambtenaar - voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit de van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht heeft op vergoeding van de schade die bij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar (onder meer CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072).
4.2       De rechtbank verwijst voorts naar de uitspraak van de Raad van 8 juni 2006 (LJN AX8829), waarin is overwogen dat in de bewoordingen "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" tot uitdrukking is gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. De Raad acht een dergelijk verband eerst aanwezig indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of de werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Het is aan de
ambtenaar om dit aannemelijk te maken door feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat van zo'n voldoende mate van waarschijnlijkheid sprake is.
De rechtbank overweegt dat het voorgaande evenzeer geldt in een situatie waarin sprake is van letsel.
5.1.         In het proces-verbaal betreffende het ongeval dat eiseres op 13 juni 2006 is overkomen, is een verklaring van eiseres opgenomen. Zij heeft verklaard dat zij palen, die bovenop een boxpallet waren bevestigd, aan het laden was. Het laden gebeurde samen met een medewerker van de expeditie te Lettele. Tijdens het laden begonnen deze palen zodanig over te hellen dat ze dreigden te vallen. Om te voorkomen dat de palen zouden vallen, wilde eiseres de lading tegenhouden. De medewerker van de expeditie wilde ook voorkomen dat de palen zouden vallen en heeft de pallet laten zakken. Op dat moment kreeg eiseres veel meer gewicht te verwerken en daardoor raakten kapsel en pezen in haar rug en nek overbelast.
In voornoemd proces-verbaal is door de functionaris die belast was met het opmaken van het proces-verbaal, eerste luitenant J. Feskens, vermeld dat het ongeval niet is te wijten aan schuld of onvoorzichtigheid van eiseres. Bij het onderdeel 'geneeskundige verklaring' heeft kapitein M.J.A. B., arts, op 28 september 2006 vermeld dat eiseres zich op
13 juni 2006 onder behandeling heeft gesteld. De arts heeft verklaard dat eiseres op die dag spier-/pees-Ikapletsel van nek en whiplash-achtige klachten heeft opgelopen, waardoor sprake is van langdurig verzuim en langzame re-integratie.

Bij brief van 19 juni 2009 heeft eiseres een nadere toelichting gegeven op voornoemd ongeval. Zij stelt dat zij met een handmatige pompwagen een boxpallet met daarop een lading ronde palen, overstekend aan beide zijden van de boxpallet, zonder problemen in de oplegger heeft gepositioneerd. De palen hadden een lengte van 6 meter en een diameter van 15 centimeter. De lading was hoger was dan 1.10 meter. Een tweede soortgelijke lading zou er niet bij passen en dus besloot eiseres om de eerste lading, in de oplegger, te verplaatsen. Zij heeft de heer N., medewerker van de expeditie te Lettele, gevraagd om te helpen. Het betrof een zijdelingse verplaatsing, met groot risico op slingeren enJof overhellen lading. De
heer Norde vroeg eiseres om aan het einde van de uitstekende palen te gaan staan en waar nodig bij te sturen. De lading begon te hellen tot boven de schouder van eiseres en zij probeerde lading tegen te houden. De heer N. liet de lading zonder waarschuwing zakken, waardoor overstekend palen met kracht op haar schouderslnekovergang terecht kwamen.
Eiseres heeft ten slotte nog medegedeeld dat zij kortdurend buiten bewustzijn is geweest, althans dat het haar even zwart voor de ogen was geworden, en dat haar werkzaamheden door anderen zijn overgenomen.
5.2          Partijen zijn verdeeld over de uitleg die gegeven dient te worden aan het besluit van het Abp van 2 maart 2007. Aan dit besluit is het proces-verbaal van het ongeval dat eiseres op 13 juni 2006 is overkomen ten grondslag gelegd. Verweerder stelt zich ter zake van het causaal verband op het standpunt dat uit het besluit van 2 maart 2007 volgt dat geen
verband bestaat tussen het letsel van eiseres en het ongeval en beroept zich op de formele rechtskracht van dit besluit. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het besluit juist volgt dat hetgeen haar is overkomen het gevolg wordt geacht van de aard van de aan haar opgedragen werkzaamheden. In beroep heeft zij verwezen naar de brief van het Abp van 22 juli 2011, waarin haar is medegedeeld dat de rechten die zij kan ontlenen aan het besluit van 2 maart 2007 gelijk staan aan (de rechten als gevolg van) een "bedrijfsongeval".
Voorts is in voornoemde brief medegedeeld dat uit het proces-verbaal niet is gebleken dat eiseres een pallet met palen in haar nek en op haar schouders heeft gekregen, waardoor zij kortdurend buiten bewustzijn is geweest. De term "spontaan" wordt gebruikt om aan te geven dat er geen sprake is van een ongeval, maar had in dit geval niet gebruikt mogen worden. Het proces-verbaal geeft in deze wellicht niet een volledig duidelijk beeld van het gebeurde. Als eiseres inderdaad palen op zich heeft gekregen, is wel degelijk sprake van een ongeval, aldus het Abp.
De rechtbank overweegt dat het besluit van 2 maart 2007 door de formulering daarvan voor tweeërlei uitleg vatbaar is, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat beide partijen zich in dit besluit kunnen vinden ter zake van de vraag of sprake is van causaal verband. Bij brief van het Abp van 22 juli 2011 is een aanvulling gegeven op het besluit van 2 maart 2007. Deze
brief van 22 juli 2011 is eveneens onduidelijk geformuleerd. Nu bovendien ter zitting is gebleken (zoals hierna wordt overwogen onder 7.3) dat de omstandigheden ten tijde van het ongeval bovendien anders zijn geweest dan waar het Abp en verweerder van zijn uitgegaan, rechtvaardigt een en ander het oordeel dat sprake is van een bijzondere situatie, waardoor er
plaats is voor een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht. De rechtbank zal derhalve voorbijgaan aan het besluit van 2 màart 2007.
Nu verweerder in het bestreden besluit zijn standpunt ter zake van het causaal verband hoofdzakelijk heeft gebaseerd op (de formele rechtskracht van) het besluit van 2 maart 2007, ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering. Reeds hierom is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.
6               De rechtbank ziet in hetgeen verweerder en eiseres in beroep hebben aangevoerd aanleiding te bezien of reden bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van bet te vernietigen besluit in stand blijven.
7.1            Ter zake van de vraag of sprake is van causaal verband tussen het letsel van eiseres en het ongeval op 13 juni 2006 overweegt de rechtbank als volgt.
Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar een verklaring van de heer N. van 11 april 2009. Deze medewerker beeft: verklaard dat eiseres, toen de palen op de plaats stonden, heeft aangegeven dat ze klachten had aan haar nek en rug. Hij beeft zelf niet kunnen waarnemen dat eiseres probeerde de palen tegen te houden. Wel kan hij zich herinneren dat werd opgemerkt dat eiseres eerder die ochtend een aanrijding had gehad en daardoor al niet lekker in haar vel zat. De heer N. heeft een uiteenzetting gegeven van de wijze waarop ladingen in de regel gereed worden gemaakt voor verzending en ter zake van de mogelijke dreiging tot overhellen van de palen. Voorts heeft verweerder in het bestreden
besluit verwezen naar verklaringen van W.A. S. en A. van der W., die hebben gesteld dat eiseres op de bewuste dag geen melding heeft gemaakt van het ongeval. Zij hebben verklaard dat zij zich kunnen herinneren dat eiseres heeft laten weten dat zij eerder die dag een aanrijding heeft gehad. De heer F. heeft voorts verklaard dat eiseres hem heeft medegedeeld dat zij eerder een auto-ongeluk heeft gehàd waardoor zij whiplash-achtige klachten heeft: ontwikkeld, dat zij weer pijn had aan haar nek en dat zij haar nek niet kon draaien. De heer F. heeft niet van eiseres vernomen dat zich tijdens het laden van palen een voorval had voorgedaan, waardoor zij klachten had opgelopen.
7.2            De rechtbank overweegt dat verweerder de verklaringen van de heren S, Van der W en F eerst in het bestreden besluit heeft genoemd. Deze verklaringen zijn niet schriftelijk vastgelegd en eiseres is, voorafgaand aan het bestreden besluit, niet in de gelegenheid gesteld om op deze verklaringen te reageren. Voornoemde verklaringen dienen derhalve buiten beschouwing te worden gelaten. De rechtbank overweegt ter zake van de verklaring van de heer N. dat de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor de veronderstelling dat eiseres op 13 juni 2006, voorafgaand aan haar werkzaamheden, een auto-ongeluk heeft gehad, waardoor zij klachten zou hebben ontwikkeld. Eiseres heeft in dit kader nog verklaard dat haar wel in 2001 een ongeval is overkomen, dat zij hiervan restloos is genezen en dat zij verschillende (militaire) opleidingen probleemloos heeft volbracht. Aan de verklaring van de heer N. kan ook overigens niet de waarde worden gehecht die verweerder hieraan wenst toe te kennen. De heer N. heeft het ongeval immers niet waargenomen. Wel heeft hij verklaard dat eiseres (direct) na het laden van de palen klachten had.
7.3 Ter zitting heeft verweerder een aantal filmpjes getoond van een reconstructie met betrekking tot het laden van palen in een oplegger. Deze reconstructie heeft plaatsgevonden zonder dat eiseres hierbij is betrokken. Eiseres heeft te kennen gegeven dat de getoonde situaties niet vergelijkbaar zijn met de omstandigheden ten tijde van het ongeval. Zij beeft op 13 juni 2006 de lading alleen gepositioneerd, terwijl bij de reconstructie meerdere personen betrokken waren bij het positioneren en verzetten van de lading. Haar handpompwagen was volledig opgepompt, bij de reconstructie was de pompwagen minimaal opgepompt. Bij boxpallets is geen sprake van één maat, deze zijn per rand op te bouwen. Voorts kan al snel 15 cm. verschil in hoogte bestaan door het gebruik van pootjes.
De lepels van de pompwagen waren bij het verplaatsen niet, zoals bij de reconstructie, in de lengterichting onder de boxpallet gestoken, maar haaks (vanaf de zijkant). Met de hand diende de lading de andere richting in te worden geduwd. Desgevraagd heeft eiseres medegedeeld dat de lading kan gaan kantelen als de lepels niet precies in het midden, maar bijvoorbeeld iets te ver naar rechts of naar links onder de boxpallet worden gestoken. Ter zitting is duidelijk geworden dat verweerder niet bekend was met het feit dat het ongeval in de oplegger had plaatsgevonden en met het feit dat de lepels van de pompwagen vanaf de zijkant onder de lading waren geplaatst. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld nader onderzoek te doen naar de omstandigheden van het ongeval. De rechtbank ziet geen aanleiding dit verzoek in te willigen, nu de omstandigheden ten tijde van het ongeval voldoende inzichtelijk zijn geworden.
7.4        De rechtbank overweegt dat door de aan het type lading, zoals hier aan de orde, inherente instabiliteit bij een verplaatsing een grotere kans bestaat op kantelen. Voldoende duidelijk is dat, door beperkte ruimte in de oplegger, de lepels van de pompwagen veelal niet precies in het midden van de boxpallet worden gestoken. Hierdoor bestaat een grotere kans op het uit balans raken van de lading. Dat zich een dergelijke situatie heeft voorgedaan acht de rechtbank voldoende aannemelijk.
De rechtbank overweegt voorts dat uit de verklaring van de heer N van 11 april 2009 blijkt dat eiseres (direct) na het laden klachten had. Uit het proces-verbaal van het ongeval op 13 juni 2006, zoals weergegeven onder overweging 5.1, blijkt dat eiseres zich na dit ongeval bij de arts heeft gemeld met letsel. Bij brief van 21 mei 2007 heeft bedrijfsarts H. W. Ng verklaard dat de medische situatie, waardoor eiseres in het verzuim is terechtgekomen, veroorzaakt is door een bedrijfsongeval. Niet zonder belang is voorts de overweging van de Commissie in het rapport van 28 januari 2009 dat, in tegenstelling tot het in de uitspraak van het Abp ten aanzien van het proces-verbaal van ongeval gestelde "dat eiseres het letsel spontaan en niet als gevolg van een ongeval heeft opgelopen", de Commissie van mening is dat er wel degelijk sprake is geweest van een ongeval, namelijk dat eiseres is "geraakt door" C.q. het plotselinge enorme gewicht moest "dragen van" een uit balans geraakte pallet stormbaanpalen. In het proces-verbaal van ongeval wordt gesproken van een eiseres overkomen ongeval dat wel verband houdt met het gestelde in artikel 5 van de Regeling proces-verbaal van ongeval en rapportage medische aangelegenheden. Ten aanzien van de causaliteit/het dienstverband heeft de Commissie overwogen dat eiseres
voorafgaand aan het betrokken ongeval op 13 juni 2006 zonder problemen heeft gefunctioneerd en bijvoorbeeld ook een uitzending naar Afghanistan goed heeft doorstaan.
Na het ongeval heeft eiseres toenemende klachten ontwikkeld, toe te schrijven aan dit ongeval. De omstandigheden waaronder dit ongeval hebben plaatsgevonden maken dat sprake is van een dienstverband ex artikel 2, eerste lid, Besluit AO/IV (arbeidsongeschikt- heid met dienstverband), aldus de Commissie.
7.5         Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of de werkomstandigheden van eiseres het letsel daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Daarmee is het causaal verband tussen het ongeval op 13 juni 2006 en de schade komen vast te staan.
8.1         Resteert de stelling van verweerder dat geen sprake is van schending van de zorgplicht.
Niet in geschil is dat het ongeval niet het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid Overigens is evenmin sprake van eigen schuld. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of verweerder zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
8.2          In overweging 7.4 is overwogen dat door de aan het type lading, zoals hier aan de orde, inherente instabiliteit bij een verplaatsing een grotere kans bestaat op kantelen. Dat zich een dergelijke situatie heeft voorgedaan is aannemelijk geacht. Bij het werken met een dergelijke lading dienen, gelet op de daaraan verbonden risico's, voorzorgsmaatregelen te worden getroffen. Deze voorzorgsmaatregelen kunnen bestaan uit bijvoorbeeld het inaken van afspraken vooraf en het zicht houden op elkaar, het zorgen voor een elektrische pompwagen of het op andere wijze laden van de lading. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van verweerder om instructies te geven of maatregelen te treffen op dit punt. Niet gebleken .is dat dergelijke aanwijzingen bestaan.
De conclusie dient dan ook te zijn dat verweerder zijn zorgplicht niet is nagekomen.
9            UÎt het vorenstaande volgt reeds dat verweerder aansprakelijk is voor de door eiseres geleden schade en dat hij deze schade aan eiseres dient te vergoeden. Hetgeen overigens is aangevoerd kan derhalve buiten beschouwing blijven.
10          Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven. Verweerder dient derhalve een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
11          De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met het door haar ingediende bezwaarschrift gemaakte proceskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding de wegingsfactor, zoals door eiseres is verzocht, te bepalen op 2 (zaak van zeer zwaar gewicht). Met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) stelt de rechtbank het voor vergoeding in aarunerking komende bedrag van kosten vast op € 437,-' (1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1).
Voorts wordt verweerder in de door eiseres in verband met het door haar ingediende beroep gemaakte proceskosten veroordeeld. Met toepassing van bet Bpb is het gewicht van de zaak bepaald op I (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) worden 2 punten
toegekend, met een waarde per punt van € 437,--. Het totaal bedraagt derhalve € 1.311,·· Voorts dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage

             1         verklaart het beroep gegrond;

             2         vernietigt het bestreden besluit van 7 december 2010;

             3         bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

             4         veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.311,-- die aan
eiseres dienen te worden vergoed;

             5         gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 150,-- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, mr. S.A. Steinhauser en M.P. Celie
(militair lid), in aanwezigheid van A.J. Faasse - van Rossurn, griffier. De beslissing is in het
openbaar uitgesproken op 14 december 2011.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep
worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.