LetselschadeMagazine.nl

Laumen Expertise

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Banner

Letselschade Magazine Week 35 2010 | Afdrukken |

Recent verschenen
Het arbeidsrecht in 50 vragen
Sociaal memo 1 2010
Handboek Sociaal Recht

AANSPRAKELIJKHEID DIVERS, MASSASCHADE

Hof Den Haag 240810 Vuurwerkramp Enschede; schadeclaims van 181 omwonenden jegens de staat en de gemeente Enschede afgewezen
LJN BN4316

MEDISCH

Sceptici reageren op verband ME/CVS en virus
De oorzaak van ME/CVS ligt in het XMRV-virus, herhalen nu ook Belgische onderzoekers. In EenVandaag reageert zowel de leider van dit onderzoek als de tot dusverre sceptische wetenschappers van het Radboud UMC.
Artsennet

EXPERTISE DESKUNDIGENBERICHT, expertise bij whiplash

Rb Zwolle 230610 uit rapportage's Gerssen en Wokke blijkt geen causaal verband
2.4.  Partijen hebben zich over het deskundigenbericht bij conclusie uitgelaten. [eiseres] heeft daarbij betoogd dat door de rapporten van prof. Wokke en drs. Gerssen is komen vast te staan dat zij lijdt aan een pijnsyndroom aangeduid als postwhiplashsyndroom. Zij stelt dat voor de bepaling van de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid nader onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige aangewezen is met eventueel hulponderzoek van een neuropsycholoog. Univé heeft zich daartegen verzet en concludeert dat met de beide rapportages van genoemde deskundigen niet is bewezen dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de door [eiseres] ervaren klachten en beperkingen, zodat het gevorderde afgewezen dient te worden. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

2.5.  In het tussenvonnis van 17 mei 2006 is geoordeeld dat [eiseres] vooralsnog niet had bewezen dat er causaal verband is tussen haar klachten en/of beperkingen en het haar op 17 januari 1998 overkomen ongeval, zodat nieuw onderzoek door een deskundige noodzakelijk was. Er was immers ook sprake van ingrijpende bijzondere omstandigheden, zoals door [eiseres] ervaren “life events”, die eveneens als oorzaak van haar klachten konden worden geduid. De neuroloog prof. dr. Wokke heeft dat onderzoek vervolgens ingesteld. In het daaropvolgende tussenvonnis van 11 maart 2009 heeft de rechtbank overwogen dat uit zijn rapportage volgt dat [eiseres] door het ongeval een accelaratie-deceleratie letsel van de nek heeft opgelopen en dat zij daarbij een wiphlash associated disorder (WAD) graad 1 heeft doorgemaakt. Op zijn vakgebied heeft de deskundige echter geen functieverlies (impairment) of objectiveerbaar letsel kunnen vaststellen, terwijl uit zijn rapport evenmin volgt dat er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de door [eiseres] genoemde klachten en/of beperkingen. Omdat Wokke de door [eiseres] gestelde beperkingen op zijn vakgebied niet kon verklaren als een gevolg van het haar overkomen ongeval, heeft de rechtbank op zijn advies aanvullend medisch onderzoek door de psychiater drs. Gerssen gelast, in het bijzonder om de situatie na het ongeval als de hypothetische situatie zonder ongeval te beoordelen.

2.6.  Thans blijkt uit het psychiatrisch onderzoek, zoals hiervoor is gerelateerd, dat geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld of significante beperkingen. In ieder geval heeft drs. Gerssen vastgesteld dat de klachten van [eiseres] op zijn vakgebied er ook zouden zijn geweest of op enig moment hadden kunnen ontstaan als haar het ongeval niet was overkomen. Uit zijn rapportage volgt dan ook onomwonden dat de klachten niet aan het ongeval kunnen worden toegeschreven en dat met name de cognitieve klachten kunnen samenhangen met sterke verdringing als gevolg van vroegere traumatische gebeurtenissen.

2.7.  Anders dan [eiseres] bij de rechtbank ingang wil doen vinden, kan op grond van zowel het deskundigenrapport van de neuroloog als dat van de psychiater niet worden geconcludeerd dat de klachten en/of beperkingen die [eiseres] ervaart, door haar aangeduid als pijnsyndroom, het gevolg zijn van het ongeval. Weliswaar heeft de deskundige Wokke vastgesteld dat [eiseres] een wiphlash associated disorder (WAD) graad 1 heeft doorgemaakt, maar daaraan kan hij de klachten van [eiseres] niet toeschrijven. Ook in de rapportage van Gerssen is geen steun te vinden voor de stelling dat het pijnsyndroom het gevolg is van het ongeval. Bovendien worden door [eiseres], hoewel de deskundige daar herhaaldelijk bij haar naar gevraagd heeft, geen ernstige klachten of beperkingen genoemd. De beide deskundigen hebben voorts vastgesteld dat geen sprake is van aan het ongeval toe te schrijven functieverlies. Gelet op al het vorenstaande is voor redelijke toerekening van [eiseres]s’ klachten of daarop betrekking hebbend nader deskundigenonderzoek dan ook geen plaats. Al hetgeen [eiseres] verder nog naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.8.  De conclusie is dat Univé niet gehouden is de door [eiseres] gevorderde schade te vergoeden, zodat de vorderingen afgewezen dienen te worden. Univé heeft de voorschotten ten behoeve van de deskundigenonderzoeken betaald. Ingevolge het bepaalde in artikel 6: 96 lid 2 sub b BW, inhoudende dat kosten ter verkrijging en vaststelling van schade en aansprakelijkheid schade vormen, zullen de kosten van de deskundigenberichten voor rekening van de verzekeraar blijven.
LJN 3262

PROCESSUELE ASPECTEN, kort geding

Rb Alkmaar 260810 (Kort Geding) Voor het verrichten van onderzoek is in de onderhavige kort gedingprocedure geen plaats
2.1 [eiser] is op 26 december 2008 betrokken geraakt bij een verkeersongeval [hierna: het ongeval] dat heeft plaatsgevonden op de Heilooër Zeeweg te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen. De auto waarin [eiser] zat werd aangereden door een tegemoetkomende auto, die werd bestuurd door [naam bestuurder] [hierna: [bestuurder]].

2.2 Direct na het ongeval is [eiser] naar de spoedeisende hulp van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk gebracht. Uit de brief van 11 maart 2009 van het ziekenhuis blijkt dat uit onderzoek was gebleken dat [eiser] pijn in de linker borstkas had en dat hij drie ribben had gebroken. [eiser] werd een dag ter observatie opgenomen en is de volgende dag uit het ziekenhuis ontslagen.
Op 30 december 2008 heeft een controle plaatsgevonden, waarbij geen specifieke klachten zijn geconstateerd.

2.3 Op 18 maart 2009 heeft [eiser] zich tot zijn huisarts gewend wegens klachten aan de linker elleboog. Volgens de huisarts duidden de klachten op een tenniselleboog en hij heeft [eiser] doorverwezen naar een fysiotherapeut.
Omdat de klachten niet verdwenen, is [eiser] vervolgens doorverwezen naar de afdeling Orthopedie van het Medisch Centrum Alkmaar. Uit het overgelegde zorgdossier van [eiser] blijkt dat de orthopedisch chirurg na onderzoek geen aanwijsbare afwijkingen heeft kunnen vinden, die de pijnklachten in de elleboog kunnen verklaren.

2.4 Bij vonnis van 22 oktober 2009 heeft deze rechtbank bewezen verklaard dat het ongeval aan de schuld van [bestuurder] is te wijten en heeft de rechtbank haar daarvoor veroordeeld.

2.5 ASR is de WAM-verzekeraar van [bestuurder]. ASR heeft aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het ongeval en in dat kader voorschotten (volgens [eiser] tot een bedrag van in totaal [euro] 16.600,- en volgens ASR [euro] 19.000,-) aan [eiser] betaald.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ASR veroordeelt om aan [eiser] als voorschot op de door hem geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval te betalen een bedrag van
[euro] 13.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van ASR in de proceskosten.

3.2 Kort gezegd heeft [eiser] daaraan ten grondslag gelegd dat de schade die hij heeft geleden en nog lijdt de door ASR verstrekte voorschotten ruimschoots overschrijdt. De schade beloopt tot op heden een bedrag van [euro] 29.696,57, zoals is uiteengezet in de schadestaat die als productie 8 bij de dagvaarding is overgelegd, terwijl ASR slechts voorschotten heeft betaald tot een bedrag van [euro] 16.600,-.
Het laatste voorschot is in augustus 2009 verstrekt en door het uitblijven van nadere betalingen is [eiser] in financiële moeilijkheden geraakt. Hij heeft daarom een spoedeisend belang bij betaling van een aanvullend voorschot.

3.3 ASR heeft verweer gevoerd. Daarop wordt bij de gronden van de beslissing, voor zover van belang, ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts plaats is indien het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken dient te worden het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling.

4.2 ASR heeft zich op het standpunt gesteld dat zij [eiser] met de betaling van de voorschotten reeds volledig schadeloos heeft gesteld, en zelfs meer dan dat. ASR heeft de schadevergoeding waarop [eiser] aanspraak maakt erkend tot een bedrag van [euro] 9.352,51, overigens zonder dat rekening is gehouden met een percentage eigen schuld omdat [eiser] volgens ASR ten tijde van het ongeval geen gordel droeg, en dat bedrag overtreft de betaalde voorschotten ruimschoots. Voor betaling van een nader voorschot is in de visie van ASR dan ook geen plaats.

4.3 Uit de schadestaat die [eiser] in het geding heeft gebracht blijkt dat hij de schade die hij ten gevolge van het ongeval stelt te hebben geleden, voorlopig heeft begroot op een bedrag van [euro] 29.656,57. Het grootste deel van dat bedrag,
[euro] 24.312,-, bestaat uit verlies van arbeidsvermogen, zijnde de winstdaling in 2009 ten opzichte van de in 2008 door de onderneming van [eiser] gerealiseerde winst. [eiser] heeft de winstdaling over heel 2009 in aanmerking genomen, omdat hij ook na 8 april 2009 in verband met de (fysieke) gevolgen van het ongeval, met name de klachten die hij aan zijn linker elleboog ondervond, niet volledig in staat is geweest zijn werkzaamheden uit te voeren.

4.4 ASR heeft betwist dat het verlies aan verdienvermogen bestaat uit de winstdaling in (heel) 2009 ten opzichte van de in 2008 gerealiseerde winst. [eiser] heeft zijn werkzaamheden op 8 april 2009 immers hervat en volgens ASR was [eiser] toen volledig hersteld van het letsel dat hij had opgelopen. ASR heeft aangevoerd dat de klachten die [eiser] aan zijn linkerelleboog heeft ondervonden niet het gevolg zijn van het ongeval, zodat daarmee geen rekening moet worden gehouden. ASR is daarom bij de berekening van het verlies van arbeidsvermogen ervan uitgegaan dat [eiser] tot en met 8 april 2009 volledig arbeidsongeschikt is geweest. Daarvan uitgaande heeft ASR op basis van de omzetontwikkeling in 2008 becijferd dat in de hypothetische situatie zonder ongeval in 2009 sprake zou zijn geweest van een winst uit onderneming van [euro] 36.456,-. De daadwerkelijk gerealiseerde winst in 2009 bedroeg [euro] 21.835,-. Het verschil bedraagt derhalve
[euro] 14.261,- voor belastingen en [euro] 8.917,- na belastingen, zodat het verlies aan verdienvermogen op het laatstgenoemde bedrag dient te worden gesteld, aldus ASR.
4.5 De voorzieningenrechter begrijpt uit de stellingen van [eiser] dat hij na 8 april 2009 nog niet volledig zijn werkzaamheden als zelfstandig tegelzetter heeft kunnen uitvoeren in verband met de klachten die hij ondervond aan zijn linker elleboog.
Vast staat dat de klachten aan de linker elleboog zich eerst enkele maanden na het ongeval hebben geopenbaard. Uit de medische informatie die [eiser] in het geding heeft gebracht, blijkt niet dat een causaal verband is geconstateerd tussen die klachten en het ongeval. Het enkele feit dat de huisarts van [eiser] heeft verklaard dat [eiser] vóór het ongeval geen klachten had aan de elleboog, is onvoldoende om een dergelijk verband aan te nemen. Er dient dan ook nader (deskundigen)onderzoek plaats te vinden naar de vraag of de gestelde klachten het gevolg zijn van het ongeval dat [eiser] is overkomen. Voor het verrichten van dat onderzoek is in de onderhavige kort gedingprocedure, gelet op het karakter daarvan, echter geen plaats.

4.6 Nu in dit geding niet aannemelijk is geworden dat [eiser] na 8 april 2009 zijn werkzaamheden niet volledig heeft kunnen uitvoeren als gevolg van letsel dat is veroorzaakt door het ongeval, kan voorshands evenmin worden aangenomen dat het verlies aan verdienvermogen groter is dan ASR heeft berekend. Dit betekent dat in onvoldoende mate is komen vast te staan dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de schadevergoeding die ASR aan [eiser] is verschuldigd de betaalde voorschotten overtreft. Reeds daarom komt de gevorderde voorziening niet voor toewijzing in aanmerking. De overige standpunten van partijen behoeven derhalve geen verdere bespreking.

4.7 [eiser] wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de kosten van dit geding.
LJN BN5018

SMARTENGELD NA SEXUEEL MISBRUIK

Rb Zwolle 280410 smartengeld na sexueel misbruik vanaf 13 of 14e jaar, E 10.000,00
2.3.  Met betrekking tot (de hoogte van) het smartengeld overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat seksueel misbruik op zowel kortere als langere termijn psychische schade tot gevolg heeft. Volgens het in het geding gebracht rapport van maatschappelijk werker/ gezinstherapeut Sj. Huisingh heeft er in de periode maart 2002 tot juli 2003 een intensieve behandeling plaats gevonden, die gezien de ernst van de klachten ook noodzakelijk was. Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld houdt de rechtbank voorts rekening met de jeugdige leeftijd van [eiser] ten tijde van de litigieuze gebeurtenissen - bewezen is geacht dat het seksueel contact is begonnen toen hij 13 of 14 jaar oud was - , de duur van de periode (vast staat dat een en ander tot zijn 23e is doorgegaan) waarin onderhavige contacten hebben plaats gevonden en de bijzondere vertrouwensrelatie die er tussen partijen bestond. Al met al komt de rechtbank tot de toekenning van een bedrag van EUR 10.000,00 wegens immateriële schade van [eiser].
LJN BN2236
In deze uitspraak ook nog:
2.2.5.  De verschuldigdheid van reiskosten (8) voor 920 kilometer staan, behoudens de hoogte van de aan te houden kilometervergoeding, op zich niet ter discussie. De rechtbank zal bij de verdere afdoening niet uitgaan van de door partijen genoemde bedragen (respectievelijk EUR 0,25 en EUR 0,125), waar het immers een feit van algemene bekendheid is dat de gebruikelijke vergoeding ten dezen EUR 0,19 per kilometer bedraagt.

VERZEKERINGSRECHT

Hof A.dam 230310 geen verzekeringsdekking voor werkgever die aansprakelijk is voor autoongeval werknemer, aan verzekeringnemer wordt kennis van assurantietussenpersoon toegerekend
4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende:

(i) [Z] heeft bij Royal Nederland Schadeverzekering N.V. (de rechtsvoorgangster van Allianz) een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven/beroepen gesloten (hierna: AVB-verzekering). Onder de dekking van deze verzekering valt de aansprakelijkheid van [Z] voor personenschade en zaakschade (artikel 1 van rubriek B van de toepasselijke polisvoorwaarden).

(ii) Van de dekking is uitgesloten de schade die is veroorzaakt met of door een motorrijtuig dat verzekerde in eigendom heeft, bezit, houdt, bestuurt of gebruikt (artikel 3 sub d van de Algemene Voorwaarden). Daarentegen geldt een bijzondere insluiting voor de aansprakelijkheid van de verzekeringnemer voor schade veroorzaakt door een ondergeschikte met of door een motorrijtuig, waarvan noch de verzekeringnemer noch een van zijn vennoten of bestuurders de bezitter of verzekeringsplichtige houder is (artikel 3 sub d, derde gedachtestreepje van de Algemene Voorwaarden) (hierna te noemen: de bijzondere insluiting).

(iii) In 1998 is [E], een werknemer van [Z], een ongeval overkomen waarbij (voorzover hier relevant) [E] gewond is geraakt. [E] was ten tijde van het ongeval door [Z] uitgeleend aan een derde, Inter Classic B.V. Hij bestuurde een bestelbus die door Inter Classic was geleased en aan [E] ter beschikking was gesteld voor zijn werkzaamheden.

(iv) [E] is sinds het ongeval arbeidsongeschikt en ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering ter hoogte van 70% van het minimumloon, aangevuld met een bijstandsuitkering. Hij heeft [Z] in rechte aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade.

(v) De rechtbank heeft [E] in het in de hoofdzaak gewezen vonnis van 21 april 2004 in het gelijk gesteld. De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat het ongeval heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van diens werkzaamheden en dat van opzet of bewuste roekeloosheid van de zijde van [E] geen sprake is geweest. Ongeacht of [Z] de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW heeft geschonden, acht de rechtbank hem aansprakelijk. Dit strookt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de omstandigheden van het geval, met het stelsel van het arbeidsrecht en in verband daarmee, naar de aard van de arbeidsovereenkomst, met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Ter zake van de vaststelling van de omvang van de schade heeft de rechtbank behoefte aan deskundige voorlichting. Zij heeft de hoofdzaak met het oog daarop naar de rol verwezen.

4.2 [Z] heeft in verband met de door [E] aanhangig gemaakte procedure Allianz in vrijwaring opgeroepen. [Z] heeft gevorderd dat Allianz wordt veroordeeld om aan hem datgene te betalen waartoe hij in de hoofdzaak ten opzichte van [E] mocht worden veroordeeld. Allianz heeft verweer gevoerd.

4.3 De rechtbank heeft [Z]s vrijwaringsvordering toegewezen. In hoger beroep heeft Allianz (wederom) bepleit dat zij geen uitkering onder de verzekeringsovereenkomst behoeft te doen omdat (kort gezegd) de onderhavige schade, om verschillende redenen, niet onder de dekking van de verzekering valt. Het hof ziet aanleiding eerst grief IV te behandelen.

4.4 Grief IV ziet op de vraag of de onderhavige schade van [Z] valt onder de bijzondere insluiting als hiervoor onder 4.1 (ii) bedoeld. Partijen zijn het erover eens dat schade veroorzaakt door of met een motorvoertuig als het onderhavige in beginsel buiten de dekking valt, maar twisten over het antwoord op de vraag of Allianz niettemin dekking dient te verlenen omdat de bijzondere insluiting van toepassing is.

4.5 Allianz betoogt het volgende. Een AVB-verzekering als de onderhavige biedt als hoofdregel geen dekking voor motorrijtuigrisico’s. Dergelijke risico’s zijn primair gedekt onder de verplichte WAM-verzekering. De bijzondere insluiting betreft een zogenoemde “non owners liability clausule”. Zij is bedoeld voor het geval een bezitter of houder van een motorrijtuig in strijd met de verplichtingen op grond van de WAM zijn motorrijtuig niet verzekert en voor de situatie dat het verzekerd bedrag onder een WAM-verzekering onvoldoende is om alle schade als gevolg van een ongeval te vergoeden. Voor een werkgever leidt dit tot risico’s in het geval een werknemer met een auto die onverzekerd of onvoldoende verzekerd is, aan een derde schade toebrengt in de uitvoering van zijn werkzaamheden voor de werkgever. In dat geval zou de benadeelde de werkgever op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk kunnen stellen als de werknemer onvoldoende verhaal biedt. Om dit risico af te dichten is de “non owners liability clausule” in de AVB-verzekering opgenomen. Hieruit vloeit voort dat de AVB-verzekering uitsluitend dekking biedt voor schade van derden die door een werknemer is veroorzaakt met of door een motorrijtuig dat niet aan de werkgever toebehoort; schade die aldus door een werknemer zelf is geleden valt niet onder de dekking.

4.6 Het hof is van oordeel dat Allianz voldoende heeft toegelicht dat en waarom het niet haar bedoeling is geweest dat de AVB-verzekering op grond van de bijzondere insluiting voor de onderhavige schade dekking zou bieden, te weten de letselschade die [E] zelf lijdt ten gevolge van een verkeersongeval dat hem rijdende met een door Inter Classic geleased motorrijtuig is overkomen. Allianz heeft haar standpunt bovendien nader onderbouwd met verwijzing naar relevante verzekeringsrechtelijke literatuur, waaruit volgt dat deze “non owners liability clausule” binnen de verzekeringsbranche een vastomlijnde betekenis heeft.

4.7 Daarbij is van belang dat [Z] niet gemotiveerd heeft bestreden dat de bedoelde bijzondere insluiting een “non owners liability clausule” betreft en dat een dergelijke clausule binnen de verzekeringsbranche een vastomlijnde betekenis heeft. Evenmin heeft hij bestreden dat – meer in zijn algemeenheid – een “non owners liability clausule” moet worden uitgelegd in de door Allianz bepleite zin.

4.8 [Z] voert aan dat de bewoordingen van een polisvoorwaarde een belangrijke rol spelen bij de uitleg ervan en dat voor een verzekeringnemer voldoende duidelijk moet zijn wat wel en niet is verzekerd. Op grond van de tekst van de bijzondere insluiting was voor hem, [Z], niet kenbaar dat de insluiting niet zag op (kort gezegd) schade die de werknemer zelf lijdt. In deze polisvoorwaarde ontbraken immers de woorden “aan derden”. Dit alles brengt mee dat Allianz dekking behoort te verlenen, aldus [Z].

4.9 Het hof is met [Z] van oordeel dat uit de bewoordingen van de bijzondere insluiting niet direct volgt dat de bijzondere insluiting slechts ziet op schade die door een derde wordt geleden. Echter, deze omstandigheid betekent hier niet dat Allianz zich niet kan beroepen op de bedoeling van de bijzondere insluiting en de betekenis die de insluiting binnen de verzekeringsbranche heeft, ook al sluit die niet naadloos aan op de bewoordingen van de desbetreffende voorwaarde in de AVB-verzekering van [Z]. Vast staat immers dat [Z] bij het sluiten van de AVB-verzekering werd bijgestaan door een professionele verzekeringstussenpersoon. Deze wordt geacht de betekenis en reikwijdte van de bijzondere insluiting – die binnen de verzekeringsbranche een vastomlijnde betekenis heeft - te kennen. De kennis van de tussenpersoon dient aan [Z] te worden toegerekend. Dat betekent dat [Z] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de AVB-verzekering hem de in dit verband door hem bepleite dekking zou bieden. Vanwege de kennis van de tussenpersoon, reden rustte ten tijde van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst ook niet op Allianz (althans haar rechtsvoorgangster) de verplichting [Z] te informeren over de mogelijkheid een zogeheten SVI-verzekering te sluiten, waaronder de onderhavige schade wel verzekerd zou zijn geweest.

4.10 Uit het feit dat de bijzondere insluiting overeenkomstig de opvattingen binnen de verzekeringsbranche hier geen toepassing vindt, volgt reeds dat het beroep op de zogenoemde ‘spiegelbeelddekking’ tussen AVB- en WAM-verzekeringen niet op gaat. [Z] kan ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid aanspraak maken op verzekeringsdekking.
LJN BN1366

Rb Breda 210710; aansprakelijkheid voor fout bij inspuiten natriumhypochloriet 2% verzekeraar kan niet terugkomen op erkenning van aansprakelijkheid
2. Het geschil.
2.1. De Staat en het UWV vorderen bij vonnis een verklaring voor recht dat X aansprakelijk is voor de door hen geleden en nog te lijden schade voor zover die schade een gevolg is van de tandheelkundige behandeling van de heer (patiënt) in juni 1998, met veroordeling van X in de kosten van de procedure.

Nu eisers zich beroepen op artikel 2 VOA en artikel 90 WAO, waarin een verhaalsrecht voor gemaakte kosten is gegeven en niet een verhaalsrecht voor geleden of te lijden schade, zal de rechtbank de vordering zo lezen dat onder die schade moet worden verstaan de gemaakte kosten in de zin van artikel 2 VOA en artikel 90 WAO. Gelet op het door partijen
gevoerde debat, begrijpt de rechtbank de vordering voorts zo dat onder die kosten moeten worden verstaan die welke gemaakt zijn terzake de redelijkerwijs als gevolg van de fout van X toerekenbare gevolgen van de tandheelkundige behandeling.
2.2. X heeft de vordering bestreden.
2.3. De stellingen van partijen zullen hierna besproken worden.
3. De verdere beoordeling

3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:
a. X is tandarts te Oosterhout. Op 5 juni 1998 heeft hij een endodontische behandeling verricht bij een van zijn patiënten, de heer (patiënt) (verder te noemen: (patiënt)) in verband met pijnklachten die gelokaliseerd waren bij de elementen 36 en 35, zijnde de eerste grote kies en de naastgelegen tweede kleine kies in de onderkaak links. X is gestart met een zenuwbehandeling aan element 36, welke behandeling niet voltooid is omdat de ingangen van de
wortelkanalen niet gelokaliseerd konden worden. Deze kies heeft X afgesloten met composiet (wit vulmateriaal). Vervolgens heeft X een wortelkanaalbehandeling verricht aan het element 35. Nadat hij met een boor een ingang had gemaakt naar het wortelkanaal, heeft hij een endodontische vijl in de ingang gebracht en een zogenaamde lengte(röntgen)foto gemaakt. In afwachting van de ontwikkeling van die foto, heeft hij het wortelkanaal gespoeld met natriumhypochloriet 2% (NaOei). Uit de foto is gebleken dat X met het daartoe gebruikte instrument niet het natuurlijke verloop van het wortelkanaal had gevolgd, maar dat de buitenwand van de wortel geperforeerd was tot in het
kaakbeen (in vaktermen: "fausse route"), waardoor het ingespoten natriumhypochloriet via de "fausse route" in de spongiosa van de onderkaak terecht is gekomen.
b. Als gevolg van het spoelen met natriumhypochloriet ontstond een branderige pijn in de onderkaak en het hoofd van (patiënt), Daags na de behandeling had zich een toenemende zwelling van de hals links en het gelaat ontwikkeld cn toenemende adernhalingsklachten en was NeJemans ziek en misselijk, in verband waarmee hij is opgenomen in het Sint Elisabeth ziekenhuis te Tilburg, waar hij op 8 juni 1998 geopereerd is door dr. SJ.T. Warringa, kaakchirurg. Warringa heeft de operatie in zijn brief van 8juli 1998 (productie 1 dagvaarding) als volgt omschreven: "Lage hals incisie links met ontlasting van de oppervlakkige loges, submandibulaire loge en pterigomandibulaire loge. Voorts via intra-oraal ontlasting infra temporale loge en peri mandibulaire loge links."
c. Ook na de operatie is Nelernans nog enige tijd onder behandeling geweest van Warringa. In verband met aanhoudende klachten is hij verder enige tijd behandeld door een neuroloog.
d. (patiënt) was ten tijde van de tandheelkundige behandeling door X als rechercheur FIOD in dienst van de Staat (Ministerie van Financiën, Belastingdienst Zuidwest, kantoor Breda). Na de behandeling heeft (patiënt) zijn werkzaamheden niet volledig hervat en heeft het UWV hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, vanaf 12 november 2001 voor een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.
e. Bij brief van 9 juli 1998 heeft de heer M. de Back, letselschaderegelaar BSA Schaderegeling, het volgende aan X bericht:"Op 5 juni jongstleden heeft u een tandheelkundige behandeling bij uw patiënt, de heer (patiënt), uitgevoerd waarbij deze zodanig letsel heeft opgelopen dat hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen en arbeidsongeschikt is geraakt.
Uit mijn informatie blijkt dat u bij de behandeling van de heer (patiënt) verwijtbare fouten heeft gemaakt en dat u die fouten ook heeft toegegeven aan de heer (patiënt), zodat ik ervan uit ga dat daarover geen discussie zal bestaan.
De heer (patiënt) heeft mij verzocht in deze zaak zijn persoonlijke belangen te behartigen. Hierbij stel ik u namens de heer (patiënt) aansprakelijk voor alle geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel.
Voorts deel ik u mede dat ik in deze zaak tevens namens de werkgever van de heer Nelernans, de Belastingdienst Breda c.q. de Staat, de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (Voa) uitvoer, waar het gaat om het doorbetaalde salaris over de periode dat de heer (patiënt) als gevolg van dit voorval arbeidsongeschikt is.
Namens de Belastingdienst c.q. de Staat stel ik u dus eveneens aansprakelijk. Aannemende dat u tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid bent verzekerd verzoek ik u deze brief aan de betreffende verzekeringsmaatschappij door te sturen met het verzoek de zaak in behandeling te nemen en mij op de hoogte te stellen van de naam van de betreffende verzekeringsmaatschappij en het polisnummer waaronder u verzekerd bent."
f. Bij brief van 30 oktober 1998 heeft Aegon Schadeverzekering NV, de aansprakelijkheidsverzekeraar van X, in reactie op deze brief het volgende medegedeeld:
"Met betrekking tot bovenbedoelde aangelegenheid delen wij u mede inmiddels bericht van onze tandheelkundig adviseur te hebben ontvangen.
Wij erkennen de aansprakelijkheid van onze verzekerde voor de aan zijn handelen toe te rekenen gevolgen. Onze tandheelkundig adviseur is evenwel van mening dat de vervolgbehandeling door de kaakchirurg wellicht niet adequaat is geweest. Wij komen hier nog op terug. Graag vernemen wij de mening van uw medisch adviseur hierover. ( ... )"
g. Bij brief van 17 september 1999 heeft de door Aegon ingeschakelde schade-expert Cunningham Boschman aan De Back medegedeeld dat 'de casus op verzoek van haar medisch adviseur beoordeeld is door prof. dr. 1. van der Waal, hoogleraar mondziekten en kaakchirurgie aan de VU te Amsterdam, dat uit diens rapport blijkt dat noch het ontstaan van een "fausse route", noch het gebruik van natriumhypochloriet 2% en de daarbij ontstane weefselreactie als een verwijtbare fout kan worden aangemerkt en dat op grond van het advies van haar medisch adviseur geen sprake is van verwijtbaar handelen van X. Het rapport van prof. dr. Van der Waal is als productie 7 bij dagvaarding in het geding gebracht.
h. Bij brief van 15 oktober 1999 heeft Aegon De Back medegedeeld dat X gelet op de beoordeling door prof. dr. Van der Waal niet aansprakelijk kan worden geacht. Voorts is in die brief vermeld: "Jegens de heer (patiënt) zelf zullen wij de - onterechte - erkenning van aansprakelijkheid niet herroepen. De vordering van de werkgever zullen wij, bij gebreke van aansprakelijkheid aan de zijde van onze verzekerde, uiteraard niet voldoen."
I. Op 14 mei 2003 is NeIemans betrokken geweest bij een verkeersongeval, waarbij hij als bestuurder van een personenwagen, wachtend voor een verkeerslicht, van achteren is aangereden door een andere personenwagen.
J. Per 1juli 2004 is (patiënt) ontslag verleend.
k. Op 16 december 2004 heeft de neuroloog E. Oosterhoff op verzoek van (de verzekeringsarts van) Loyalis Schaderegeling een expertise verricht naar - kort gezegd - de (blijvende) gevolgen van zowel "de tandheelkundige en
kaakchirurgische problematiek" enerzijds en het ongeval anderzijds. In het naar aanleiding van het onderzoek gemaakte rapport van 29 april 2005 (productie 2) is vermeld dat als gevolg van de eerstgenoemde problematiek sprake is van een motorische stoornis in de linker gelaatshelft met een hyposensibiliteit in de nervus rnaxillaris en nervus mandibularis tak van de nervus trigeminus links, in combinatie met pijnen en wellicht het optreden van een angioneurotisch oedeem. Volgens het
rapport is als gevolg van het verkeersongeval sprake van een zeer mild postwhiplashsyndroom waarbij een diffuse pijn en stijfheid van de nek op de voorgrond staan. Ten slotte is volgens de neuroloog mogelijk sprake van een depressief toestandsbeeld. De functionele beperkingen zijn genoemd op pagina 17 e.v. van het rapport. Volgens Oosterhoff kunnen deze voor minstens 90% aan "het tandheelkundige incident" worden toegeschreven.
Op verzoek van (de verzekeringsarts van) Loyalis, heeft prof. dr. W.J. Stoelinga, verbonden aan het UMC St Radboud te Nijmegen, het handelen van X en de gevolgen daarvan voor (patiënt) onderzocht. Zijn rapport van 10 augustus 2005 is als productie 9 bij dagvaarding overgelegd. In het rapport is als antwoord op de gestelde vragen onder meer het volgende vermeld: "(... )
1. De bevindingen vindt u in de eerste alinea van mijn brief en de diagnose luidt: uitval van de nervus mentalis links en partiële uitval van de mondtak van de nervus facialis. ook links. ( ... ) 2. (... ) Het staat vast dat de tandarts hypochloriet heeft ingespoten via het valse kanaal dat rechtstreeks naar het spongieuze bot van de onderkaak leidde. Hij heeft dus niet gewacht tot de foto die was gemaakt uitsluitsel bood. Dit is zonder meer aan te merken als een kunstfout. De irritatie van het
hypochloriet in het kaakbot heeft aanleiding gegeven tot de pijn maar belangrijker is dat de hypochloriet vermoedelijk is doorgelekt naar de weke delen en daar aanleiding heeft gegeven lot een soort emfyseem. Uit het verhaal van de kaakchirurg maak ik op dat er sprake was van een cellulitisachtig beeld. Er is daarop de volgende dag geïncideerd waarbij opvalt dat er in de brief van de kaakchirurg nergens vermeld wordt dat er pusontlasting is geweest. Hij praat uitsluitend over ontlasting. Dat zou goed kloppen bij deze fase van de ontsteking want pus mag je na een dag eigenlijk niet verwachten.
3. In elk geval is er door de manipulatie in de drie voornoemde loges vermoedelijk beschadiging opgetreden van de nervus factalis mogelijk ook van de nervus mandibularis en vermoedelijk ook van enkele takken die te maken hebben met het autonome zenuwstelsel. (... )"
m. Aegon heeft de door de Staat en het UWV gestelde kosten in verband met de arbeidsongeschiktheid van (patiënt) niet vergoed.
3.2. De Staat beroept zich op artikel 2 Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA), stellende dal hij aan Nelernans krachtens diens rechtspositieregeling uitkeringen/verstrekkingen heeft verleend terzake de door X uitgevoerde behandeling, terwijl het UWV zich beroept op artikel 90 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Zij stellen dat X aansprakelijkheid heeft erkend en dat hij daarop niet meer kan terugkomen. Voorts leggen beiden aan hun vordering ten grondslag dat X bij de behandeling van Ne!emans een kunstfout heeft gemaakt en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door (patiënt) geleden schade en de door hen gemaakte kosten. Meer concreet stellen zij dat X een medische kunstfout heeft gemaakt door
(I) met de boor ("Gates-Glidden drills") in de verkeerde richting te boren en aldus een fausse route te creëren,
(2) het niet gebruiken van een zogenaamde "cofferdam" (een rubberen lapje dat ter isolering over de kies wordt aangebracht) waardoor het risico op het creëren van een perforatie en/of fausse route is verhoogd,
(3) door de gemaakte ingang te spoelen met natriumhypochloriet zonder zich er eerst aan de hand van de gemaakte lengtefoto van te vergewissen of geen fausse route gecreëerd was, hetgeen te meer noodzakelijk was omdat de richting van de geplaatste vijl afweek van de asrichting van kies 35 en X weerstand ondervonden moet hebben
bij het boren in het kaakbeen,
(4) door de spuit met naald in het apicale deel van het wortelkanaal in te brengen en niet te voorzien van een lengtestop en
(5) door (patiënt) niet aanstonds na het spoelen met natriumhypochloriet naar het ziekenhuis te brengen en andere
nazorg toe te passen. Ter onderbouwing hiervan beroepen zij zich op de hiervoor genoemde rapporten van Stoelinga en Oosterhoff, alsmede op rapporten van 28 november 2007 en 10 juni 2009 van de heer J.M. Kreyns, tandarts te Amsterdam (productie 10 dagvaarding en productie 11 conclusie van repliek).
3.3. X betwist dat hij aansprakelijkheid heeft erkend. Voorts betwist hij dat sprake is van een verwijtbare fout en weerspreekt hij het medisch causaal verband tussen de gestelde klachten en beperkingen van (patiënt) en de daaruit volgende schade. Volgens X zijn die gestelde klachten en beperkingen veroorzaakt door de behandeling door de kaakchirurg Warringa, in verband waarmee hij deze, alsmede de maatschap waarin hij opereert en de andere maten, inmiddels in vrijwaring gedagvaard heeft. X beroept zich met name op het hiervoor genoemde rapport van dr. Van der Waal, op rapporten van 15 oktober 2006 en 7 maart 2009 van de heer W. Tjaarda, tandarts te Leiden (productie 8 dagvaarding en productie 3 conclusie van antwoord) en een rapport van 2 maart 2009 van de heer W.J. van Driel, endodontoloog (productie 7 conclusie van antwoord).

Erkenning aansprakelijkheid
3.4. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat X de beoordeling en de beslissing over de aansprakelijkheid aan zijn aansprakelijkheidsverzekeraar heeft overgelaten en dat de mededeling van Aegon bij brief van 30 oktober 1998 omtrent die beslissing (mede) namens hem is gedaan. Derden die op die mededeling zijn afgegaan en mochten afgaan, kunnen X dan ook houden aan de beslissing van Aegon.
3.5. Van de L heeft onder meer betoogd dat de Staat en het UWV niet als zodanige derden kunnen worden aangemerkt, doch dat de mededeling bij brief van 30 oktober 1998 slechts gericht was aan de heer (patiënt). Dit standpunt is juist voor zover dit het UWV betreft, maar niet juist voor zover dit de Staat aangaat. De beslissing van Aegon bij brief van 30 oktober 1998 was een reactie op de aansprakelijkstelling door (patiënt) en de Staat bij brief van 9 juli 1998, zodat die geacht moet worden levens aan de Staat te zijn gericht. Dat boven de brief van 30 oktober 1998 vermeld is: "betreft: uw cliënt L.e.e. (patiënt) onze verzekerde M.A.M. X", maakt dit niet anders. Door X is ook niet gesteld dat zijn aansprakelijkheidsverzekeraar zich toen jegens De Staat op een ander standpunt heeft gesteld. Nu de aansprakelijkstelling bij brief van 30 oktober 1998 niet mede door het UWV is gedaan, kan de reactie van Aegon niet geacht worden tevens aan het UWV te zijn gericht. Feiten of omstandigheden op grond waarvan anders moet worden geoordeeld, zijn niet gesteld.
3.6. Thans dient de vraag te worden beantwoord welke betekenis moet worden toegekend aan de mededeling van Aegon bij brief van 30 oktober 1998. Dienaangaande heeft X geen eenduidig standpunt ingenomen. Enerzijds heeft hij betoogd dat Aegon in die brief slechts aansprakelijkheid heeft erkend voor zover de gevolgen (zoals gesteld door (patiënt)) zijn toe te rekenen aan het handelen van X, hetgeen volgens X niet het geval is voor zover de door (patiënt) gestelde klachten, beperkingen en de hieruit volgende schade het gevolg zijn van handelingen van Warringa
(14 conclusie van antwoord). Anderzijds stelt hij dat aansprakelijkheid slechts erkend is voor zover de door (patiënt) gestelde klachten, beperkingen en schade "in direct medisch causaal verband staan" met het handelen van X, in welke opvatting de erkenning van aansprakelijkheid derhalve een beperktere strekking heeft. De rechtbank begrijpt het
standpunt van X voorts zo, dat zij tevens betoogt dat de erkenning slechts is verricht onder de voorwaarde dat de kunstfout aan X zou kunnen worden toegerekend. Nadien is gebleken uit onder meer de rapportage van Stoelinga dat niet de behandeling van X, doch de behandeling door Warringa oorzaak is geweest van de gestelde problemen, terwijl verder uit het rapport van prof. dr. Van der Waal is gebleken dat X geen verwijtbare, hem toe te rekenen fout heeft gemaakt, aldus X. Mitsdien was aan de voorwaarde die aan de erkenning is gesteld, niet voldaan, aldus steeds X.
3.7. Jn het door beide partijen genoemde arrest HR 10 januari 1992, NJ 1992,606 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (r.o. 3.4): "( ... ) Het antwoord op de vraag of deze verzekerde door de derde aan een vervolgens door die verzekeraar gedane erkenning kan worden gehouden in dier voege dat dan tussen hem en deze derde komt te gelden dat hij jegens de derde aansprakelijk is, hangt ervan af of de derde de verklaring van de verzekeraar heeft opgevat en in de gegeven omstandigheden heeft mogen opvatten als een door de verzekeraar tot hem gerichte verklaring die ertoe
strekte dit rechtsgevolg tot stand te brengen. Wanneer de verzekeraar tot zijn erkenning van aansprakelijkheid is gekomen op grond van een rapport van een door hem ingeschakelde deskundige, is de enkele omstandigheid dat nadien een andere deskundige - of andere deskundigen - een andere visie omtrent de aansprakelijkheid geeft of het eerdere onderzoek als ondeugdelijk aanmerkt, niet voldoende voor een ander oordeel omtrent de gebondenheid. Deze enkele omstandigheid is - anders dan het middel klaarblijkeIîjk wil betogen - ook niet voldoende voor een beroep op dwaling: de omstandigheid dat het rapport van de deskundige achteraf onjuist of ondeugdelijk wordt bevonden behoort krachtens de in het verkeer geldende opvattingen in de verhouding tot de derde voor rekening van de verzekeraar en diens verzekerde te komen.
(...)"
3.8. Aansprakelijkheid is een samengesteld rechtsfeit, in die zin dat naast het bestaan van een toerekenbare fout, sprake dient te zijn van schade die redelijkerwijs als gevolg van die fout kan worden toegerekend. In de brief van 30 oktober 1998 van Aegon is ten aanzien van het bestaan van een toerekenbare fout van X geen voorbehoud te lezen. Zoals
de Staat en het UWV onweersproken en met verwijzing naar de als producties 13 en 14 overgelegde brieven van Aegon hebben gesteld, is de erkenning van Aegon gebaseerd op het oordeel van de door haar ingeschakelde tandheelkundige adviseur, zodat moet worden aangenomen dat deze ook van mening was dat X een toerekenbare fout had
gemaakt. Uit de hiervoor geciteerde zinnen in die brief kan niet meer of anders worden afgeleid dan dat Aegon slechts bereid is om de als gevolg van die fout redelijkerwijs toe te rekenen schade re vergoeden. Voor een beperktere strekking van de erkenning biedt de tekst van de brief geen steun. Met name behoefde de Staat niet uit de mededeling dat mogelijk de
kaakchirurg Warringa niet adequaat gehandeld had, af te leiden dat de erkenning van aansprakelijkheid beperkt bleef tot de gevolgen die in direct medisch causaal verband slaan met het handelen van X, Een dergelijke beperkte verplichting vindt geen steun in het recht, nu op grond daarvan alle schade die redelijkerwijs als gevolg van het foutieve
handelen kan worden toegerekend, vergoed dient te worden.
3.9. De conclusie luidt dat de Staat de mededeling van Aegon bij brief van 30 oktober 1998 zo heeft mogen begrijpen dat Aegon erkende dat een toerekenbare fout was gemaakt door X doordat hij de fausse route met natriumhypochloriet heeft gespoeld en dat zij, zoals de wet dit X verplichtte, de schade zou vergoeden die redelijkerwijs als gevolg van die fout kan worden toegerekend en derhalve ook de door de Staat gemaakte kosten als gevolg daarvan als bedoeld in artikel 2 VOA. Zoals uit het hiervoor als eerste genoemde arrest van de Hoge Raad volgt, is X gebonden aan de beslissing omtrent de aansprakelijkheid van Aegon en doet het er in zoverre niet toe dat deskundigen
later anders over de aansprakelijkheid van X hebben geoordeeld.
3.10. De verplichting tot schadevergoeding jegens de Staat vloeit voort uit de toezegging in de brief van Aegon en vloeit niet voort uit onrechtmatige daad, zodat het UWV zich niet op die verklaring kan beroepen. De hierna vermelde overwegingen van de rechtbank over de gestelde kunstfout, gelden derhalve slechts het UWV, zodat in dat verband slechts het UWV
als eiser zal worden genoemd.

kunstfout

3.11. Voor beantwoording van de vraag of X bij de behandeling van (patiënt) onrechtmatig heeft gehandeld, dient beoordeeld te worden of X de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tandarts onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht, beoordeeld naar de professionele maatstaf ten tijde
van zijn verrichtingen.
3.12. Bij conclusie van repliek heeft het UWV met verwijzing naar brieven van 14 december 2004 en 26 september 2005 van de door Aegon ingeschakelde schaderegelaar Cunningham Boschman BV gesteld dat partijen in onderling overleg opdracht hebben gegeven aan Sroelinga, onder meer ter beoordeling van de vraag of X een kunstfout heeft gemaakt. X heeft dit niet (gemotiveerd) weersproken, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Voor een aldus tot stand gekomen rapport geldt dat daartegen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren aanwezig moeten zijn, wil de rechter
aan wie de vraag wordt voorgelegd of X een medische kunstfout heeft gemaakt, besluiten dat hij een dergelijk rapport naast zich neerlegt (Hof 's-Hertogenbosch 25 maart 1999, VR 1999, 181).
3.13. Hiervoor is reeds vermeld dat Stoelinga het inspuiten door X van het natriumhypochloriet via het valse kanaal, zonder te wachten op de resultaten van de gemaakte foto, als een "kunstfout" heeft aangemerkt. Onduidelijk is evenwel wat Stoelinga onder de door hem genoemde kunstfout heeft verstaan en meer in hel bijzonder of hij daarmee de hiervoor genoemde maatstaf heeft gehanteerd. Partijen verschillen daarover van mening. Volgens het UWV heeft Stoelinga een verwijtbare fout bedoeld, terwijl X met verwijzing naar het rapport van Tjaarda heeft aangevoerd, dat deze beoordeling door Stoelinga ZO moet worden begrepen dat het maken van een perforatie weliswaar een fout betreft, maar dat dit hem niet kan worden verweten, althans dat Stoelinga het handelen van X niet heeft getoetst aan de hiervoor genoemde maatstaf van een redelijk handelend en redelijk bekwaam tandarts.
3.14. In verband met de voornoemde onduidelijkheid kan het rapport van Stoelinga niet zonder meer doorslaggevend zijn ter beantwoording van de vraag of X een hem toe te rekenen fout heeft gemaakt. Mogelijk kan die duidelijkheid verkregen worden aan de hand van de brief, waarin de opdracht aan Stoelinga is vervat en waarin de door deze te beantwoorden vragen zijn geformuleerd. Deze brief is tot dusverre niet in het geding gebracht. De rechtbank zal de zaak daarom naar de rol verwijzen voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van het UWV, teneinde het UWV in de gelegenheid te stellen deze brief in het geding te brengen.
3.15. Niet ondenkbaar is dat de rechtbank behoefte zal hebben aan aanvullende deskundige voorlichting over de vraag of X volgens de hiervoor genoemde maatstaf heeft gehandeld, waarbij het in de rede zou liggen om Stoelinga als deskundige te benoemen. Partijen kunnen zich in de conclusie na tussenvonnis uitlaten over de noodzaak van een deskundigenonderzoek, de te benoemen deskundige en de eventueel aan deze deskundige te stellen vragen.

Causaal verband
3.16. De Staat en het UWV stellen dat de klachten en beperkingen die tot de arbeidsongeschiktheid van (patiënt) geleid hebben en (aldus) tot de door hen gemaakte kosten, voor het grootste gedeelte een gevolg zijn van het onzorgvuldig handelen van X, in welk verband zij zich beroepen op het deskundigenbericht van de neuroloog Oosterhoff.
3.17. X heeft betwist dat de door (patiënt) gestelde klachten van gevoelloosheid, pijn, zwelling van de linkerwang, alsmede de algehele vertraging en concentratievermindering, een gevolg zijn van zijn behandeling. Volgens hem zijn de klachten die tot de uiteindelijke arbeidsongeschiktheid en de door eisers gestelde schade hebben geleid, veroorzaakt door de behandeling van Warringa en heeft Warringa een medische fout gemaakt en is hij aansprakelijk voor de door het UWV en de Staat gestelde schade. Voorts stelt X zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt dat de bij
(patiënt) gediagnosticeerde cognitieve stoornissen (verminderd concentratievermogen en geheugenproblemen) hun oorzaak vinden in de aanrijding van 14 mei 2003 waarbij (patiënt) een postwhiplashsyndroom heeft opgelopen, dan wel in de bij (patiënt) geconstateerde depressiviteit.
3.18. Tussen partijen is niet in geschil dat de behandeling door Warringa niet zou hebben plaatsgehad als X het valse kanaal niet met natriumhypochloriet zou hebben gespoeld. Anders dan X heeft betoogd, dient schade die het gevolg is van de behandeling door Warringa redelijkerwijs als gevolg van een fout van X te worden toegerekend, ook indien Warringa bij die behandeling een medische kunstfout heeft gemaakt (Zie: HR 8 februari 1985, NJ 1986, 136). In dit geding kan derhalve onbesproken blijven of de door (patiënt) geuite klachten al dan niet een gevolg zijn van de behandeling door Warringa dan wel van de behandeling door X. De rechtbank heeft in zoverre geen behoefte aan deskundige voorlichting.
3.19. In het rapport van de neuroloog Oosterhoff is vermeld dat bij (patiënt) als gevolg van het auto-ongeval van 14 mei 2003 sprake is van een mild postwhiplashsyndroom, waardoor een niet zeer uitgesproken pijn in de nek met soms stijfheid daarvan resteert en waardoor er beperkingen zijn bij het verrichten van nekbelastende activiteiten die langdurig volgehouden en chronisch herhaald moeten worden. Volgens Oosterhoff waren de symptomen die (patiënt) overigens heeft, al voor het ongeval aanwezig en hangen de beperkingen voor de beroepsuitoefening in belangrijke mate samen met de gevolgen van
"het tandheelkundige gebeuren" op 5 juni 1998. Vermeld wordt dat die beperkingen voortvloeien uit het feit dat de klachten van (patiënt) geprovoceerd worden bij het verrichten van lichamelijke inspanningen, dat deze bij rust beter te hanteren zijn en dat hij zich daardoor beperkt belastbaar voelt hetgeen zich reeds voor het ongeval in mei 2003 uitte (antwoord vraag 4).
Als antwoord op vraag 4d is het volgende in het rapport vermeld: "Gegeven de aanwezigheid van een postwhiplashsyndroom heeft betrokkene zeer geringe beperkingen bij het verrichten van lichamelijk zware, voornamelijk nekbelastende bezigheden die ook lang volgehouden moeten worden. In dit verband kan bijvoorbeeld gedacht worden aan langdurig gebukt staan of boven schouderhoogte werken en aan zwaar tillen, sjouwen, duwen en trekken. Echter, het merendeel van zijn beperkingen lijkt het gevolg van de restversschijnselen na de tandheelkundige en kaakchirurgische problematiek van 05.06.1998. Welke deze gevolgen zijn, is inmiddels uitvoerig beschreven. De klachten en verschijnselen nemen toe bij fysieke belasting in het algemeen. Dan kan namelijk een opvlamming van de pijnen verwacht worden, terwijl het ook voorstelbaar is dat de zwelling van linker wang en lip toeneemt c.q. opnieuw optreedt. Het komt mij voor dat zijn beperkingen voor minstens 90% aan het incident van 05.06.1998 kunnen worden toegeschreven, overigens met inachtneming van hetgeen ik in mijn antwoord op vraag 4c heb gesteld."
Bij vraag 4 c is vermeld dat er rekening mee gehouden moet worden dat een gedeelte van de beperkingen niet strikt samenhangt met de pijnen en zwellingen in de linker gelaatshelft of met het postwhiplashsyndroom maar meer met een stemmingsstoornis.
3.20. X heeft niet gemotiveerd weersproken dat het door Oosterhoff gemaakte deskundigenrapport tot stand is gekomen in overleg tussen beide partijen. Nu daartegen geen zwaarwegende of steekhoudende bezwaren zijn geuit, zal de rechtbank de conclusies van de deskundige, die overigens voldoende zijn onderbouwd, overnemen en tot de hare
maken.
3.21. De rechtbank leidt uit het rapport af dat de arbeidsongeschiktheid van (patiënt), waarop de vordering van het UWV en de Staaf kennelijk gegrond is, wordt veroorzaakt door de klachten en beperkingen, waaronder de cognitieve stoornissen, die een gevolg zijn van de behandelingen door X én/of Warringa. Deze stoornissen bestonden volgens het rapport van de neuroloog al voor het auto-ongeval, terwijl als blijvend gevolg van het autoongeval alleen sprake is van de hiervoor genoemde nekklachten. Het verweer van X dat de cognitieve stoornissen behoren bij het postwhiplashsyndroom, wordt daarom gepasseerd.
3.22. Indien en voor zover deze cognitieve klachten hun grond vinden in de door de neuroloog genoemde stemmingsstoornis, dienen deze niettemin als gevolg van de tandheelkundige behandeling te worden toegerekend. Uit de door de Staat en het UWV aangehaalde correspondentie van de bedrijfsarts (productie 2 dagvaarding) blijkt dat de depressieve klachten al voor het auto-ongeval bestonden en naar aanleiding van de behandelingen door X en Warringa zijn ontstaan, terwijl dit ook uit het rapport van Oosterhoff moet worden afgeleid. Gesteld noch gebleken is bovendien dat die gestelde depressiviteit zonder de behandeling van X zou zijn ontstaan.
3.23. De conclusie luidt dat de vordering van de Staat toewijsbaar is nu de Staat heeft mogen afgaan op de mededeling van Aegon dat haar kosten zouden worden vergoed voor zover deze gebaseerd zijn op de als gevolg van de behandeling door X toe te rekenen gevolgen. Voorts geldt dat de kosten die het UWV heeft gemaakt in verband met de arbeidsongeschiktheid van (patiënt) moeten worden vergoed, indien zou worden vastgesteld dat X bij de behandeling een toerekenbare fout heeft gemaakt als gevolg waarvan het natriumhypochloriet in de onderkaak terecht is gekomen,

Met dank aan mr. Mr. W.A.E. Meuris, BSA schaderegeling, voor het inzenden van deze uitspraak.  Letselschademagazine.nl