Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof 's-Gravenhage 180902 Unilever/Dikmans; na verwijzing HR 17-11-2000; bewijslevering mbt gezondheidsschade, blootstelling gevaarlijke stoffen en zorgplicht nodig

Hof 's-Gravenhage 180902 Unilever/Dikmans; na verwijzing HR 17-11-2000; bewijslevering mbt gezondheidsschade, blootstelling gevaarlijke stoffen en zorgplicht nodig

vervolg op:

- ECLI:NL:HR:2000:AA8369 

later gewezen: hof-den-haag-070513-blootstelling-aan-gevaarlijke-stoffen-causaal-verband-met-lichte-polyneuropathie-unilever/dikmans en 
hr-130215-art-81-lid-1-ro-vervolg-unilever/dikmans-causaal-verband-bij-blootstelling-aan-gevaarlijke-stoffen-klachten-tegen-waardering-deskundigenberichten

1. 
In eerdergenoemd arrest heeft de Hoge Raad beslist dat het recht zoals dat sedert 1 april 1997 geldt (te weten: art. 7:658 BVV) dient te worden toegepast.
Hiervan zal worden uitgegaan.
Voorts gaat het hof uit van de door de Hoge Raad in overweging 3.1 onder (i) tot en met (iii) weergegeven tussen partijen vaststaande feiten.

2. 
[appellant] vordert, kort gezegd, vergoeding van materiële en immateriële schade wegens nikkelaandoeningen en oplosmiddelenvergiftiging tengevolge van blootstelling aan met name nikkel(verbindingen) en organische oplosmiddelen (in het bijzonder isopropylalcohol en hexaan) tijdens de door hem voor Unilever in het researchlaboratorium te Vlaardingen verrichte researchwerkzaamheden in vooral de periode 1975 tot en met 1984.
[appellant] betoogt dat Unilever het gevaarscheppend karakter van de door hem verrichte werkzaamheden onvoldoende onderkend heeft en onvoldoende voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen getroffen heeft om schade te voorkomen.
Unilever heeft erkend dat de stoffen, genoemd in productie 42, overgelegd ter gelegenheid van de pleidooien in eerste aanleg, in een laboratorium als het hare thuishoren. Zij betwist dat zij tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgverplichting, dat de door [appellant] gestelde klachten werkgerelateerd zijn en enig verband hebben met de gestelde tekortkomingen van Unilever. Zij wijst erop dat [appellant] ten aanzien van zijn klachten geen volledige openheid van zaken geeft en zij betwist deze klachten.

3. 
Bij pleidooi voor het hof is zijdens [appellant] het standpunt ingenomen dat de vordering van [appellant] op basis van het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 november 2000 eigenlijk al voor toewijzing gereed ligt, in het bijzonder gelet op rechtsoverweging 5.4 van dat arrest. Het hof volgt die uitleg van het arrest niet. Met name de zinsnede aan het slot van rechtsoverweging 5.4 (“... dat wanneer een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband aangenomen moet worden indien de werkgever heeft nagelaten ...“) betekent niet dat zulks in casu reeds is vastgesteld, maar dat de door de Hoge Raad geformuleerde regel eerst van toepassing is indien en nadat is komen vast te staan dat [appellant] gezondheidsschade heeft geleden en dat hij bij zijn werk aan gevaarlijke stoffen is blootgesteld. Een en ander is evenwel door Unilever gemotiveerd betwist.

4. 
[appellant] heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde gezondheidsschade een groot aantal bescheiden overgelegd. Unilever heeft de inhoud van een aantal van deze bescheiden gemotiveerd betwist, er op gewezen dat niet alle relevante rapportages overgelegd zijn en aangevoerd dat [appellant] geweigerd heeft zich medisch te laten onderzoeken op een zodanige wijze dat ook Unilever aan de onderzoekend arts vragen zou kunnen stellen en opmerkingen maken.
Naar het oordeel van het hof kan in het licht van deze betwisting niet reeds thans op grond van die door [appellant] overgelegde bescheiden worden aangenomen dat [appellant] de door hem gestelde gezondheidsschade geleden heeft. Het hof zal [appellant] toelaten tot het bewijs hiervan en geeft [appellant] in overweging dit bewijs te leveren door middel van voorlichting door deskundigen. Voorts wijst het hof er op dat, indien [appellant] slechts een deel van de indertijd opgemaakte medische rapportages overlegt aangaande de door hem geleden gezondheidsschade, het hof uit deze proceshouding zou kunnen afleiden dat het hier gaat om gegevens waaruit steun geput zou kunnen worden voor de juistheid van het door Unilever verdedigde standpunt. Het staat het hof vrij hieraan de consequenties te verbinden welke het geraden voorkomt.

5. 
Hoewel Unilever erkent dat de in rechtsoverweging 2 aangeduide stoffen in een laboratorium als het hare thuishoren, betwist zij dat [appellant] is blootgesteld aan de voor de gezondheid schadelijke werking van die stoffen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting zal het hof [appellant] toelaten tot het bewijs dat hij bij zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid schadelijke stoffen. Het hof geeft [appellant] in overweging dit bewijs te leveren door voorlichting door deskundigen.

6. 
Uit een oogpunt van proces-economie zal het hof voorts Unilever toelaten tot het bewijs dat zij de in art. 7:658 eerste lid BW genoemde verplichtingen is nagekomen. Ook Unilever geeft het hof in overweging dit bewijs te leveren door voorlichting door deskundigen.

7. 
Het hof acht het geraden een comparitie van partijen te gelasten teneinde met partijen te overleggen over de aanpak van de bewijslevering. Indien ervoor gekozen wordt deskundigen in te schakelen, nodigt het hof partijen uit hun gedachten te laten gaan over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de te stellen vragen. Het hof verzoekt partijen eventuele ideeën op deze punten voorafgaand aan de comparitie aan het hof en de wederpartij schriftelijk kenbaar te maken.
Op de overige geschilpunten zal zo nodig in een later stadium van de procedure worden ingegaan. ECLI:NL:GHSGR:2002:4