Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 050424 Straf; veroordeling vanwege whatsappen bij nadering file; Affectieschade van broertje (12 jr) toegewezen; nauwe persoonlijke relatie met overleden zus (9jr)

RBGEL 050424 Straf; veroordeling vanwege whatsappen bij nadering fileAffectieschade van broertje (12 jr) toegewezen; nauwe persoonlijke relatie met overleden zus (9jr)

1De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte wordt verweten dat hij zich op 28 november 2021, op de snelweg A325 ter hoogte van Elst, schuldig heeft gemaakt aan roekeloos, dan wel zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijden, door onder andere te hard te rijden en zijn telefoon te bedienen, als gevolg waarvan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn komen te overlijden en [slachtoffer 4] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen (artikel 6 Wegenverkeerswet). Indien dat niet kan worden bewezen, wordt verdachte verweten dat hij de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was (artikel 5a Wegenverkeerswet). Indien dat niet kan worden bewezen wordt verdachte verweten dat hij door dit rijden gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt dan wel heeft kunnen veroorzaken (artikel 5 Wegenverkeerswet).

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 28 november 2021 omstreeks 16.43 uur heeft op de snelweg A325 (in de richting van Nijmegen), ter hoogte van hectometerpaal 13,4 (gemeente Elst) een verkeersongeval plaatsgevonden. Door filevorming moesten alle voertuigen afremmen. Het ongeval betreft een kop-staart-aanrijding met in totaal vijf voertuigen, op de rechter rijbaan (rijstrook 2). De bestuurder van het achterste voertuig was verdachte, die aan het einde van een werkdag op weg naar huis was in zijn Iveco bedrijfsauto. Hij is tegen de achterzijde van de Mazda (met daarin grootouders [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en kleinkinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ) ervoor gereden. Vervolgens zijn de Iveco en de Mazda doorgeschoten en is de Mazda op de achterzijde gebotst van een Kia en een Renault die voor de Mazda reden. De Kia heeft vervolgens nog een Renault geraakt, die op de linker rijbaan reed. De Mazda is uiteindelijk tegen de vangrail aan de rechterkant tot stilstand gekomen.2

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben als gevolg van het ongeval zo’n zware impact op hun borstkas, hart en longen gekregen dat zij zijn komen te overlijden.3 [slachtoffer 3] heeft als gevolg van het ongeval neurologisch zuurstoftekort gekregen en is ongeveer zes uur na het ongeval komen te overlijden.4 [slachtoffer 4] heeft als gevolg van het ongeval in ieder geval een hersenschudding, een scheurtje in zijn milt en lever, een kleine klaplong links en een longkneuzing met een scheurtje in zijn linkerlong opgelopen.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat daarbij uit van de hoogste schuldgradatie, te weten roekeloosheid zoals bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) in samenhang met artikel 175, tweede lid, WVW, waardoor [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn overleden en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde, omdat geen sprake was van roekeloos, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag. Verdachte is enkel afgeleid geweest door het niet functioneren van de raambediening en op dat moment is de botsing ontstaan. De ernst van deze gedraging is gering. Verdachte heeft zijn telefoon op dat moment al acht seconden niet meer gebruikt en dus kan dat niet de afleiding zijn geweest die heeft geleid tot het ongeval. Evenmin kan worden gesteld dat sprake is geweest van een ernstige snelheidsovertreding. Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer 4] ontbreekt onderliggend bewijs waaruit kan worden geconcludeerd dat hij zwaar lichamelijk letsel of zodanig letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is vrijspraak bepleit, omdat de gedragingen niet zodanig zijn dat daar in zijn algemeenheid levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Op 28 november 2021 omstreeks 17.25 uur heeft de politie een onderzoek ingesteld op de plaats van het ongeval. Het ongeval heeft bij schemer plaatsgevonden, het was droog, bewolkt en helder weer. Het zicht van verdachte werd hoogstwaarschijnlijk niet belemmerd door de voorruit of vaste obstakels.6

Naar het gebruik van de telefoon en de overige omstandigheden ter plaatse is uitgebreid nader onderzoek gedaan. De rechtbank zal eerst ingaan op de ter plaatse toegestane en gereden snelheid.

Snelheid

Uit het onderzoek van de politie komt naar voren dat de maximumsnelheid ter plaatse onder normale omstandigheden 100 kilometer per uur (hierna: km/u) bedroeg. Op 28 november 2021 rond het tijdstip van het ongeval werd door de matrixborden echter een afwijkende maximumsnelheid aangegeven, namelijk 70 km/u.7 Verdachte verklaart dat dat hij de matrixborden met daarop een aangepaste snelheid van 70 km/u niet heeft gezien. Verdachte is ter plaatse bekend en weet dus dat die borden er hangen.8

Door de verbalisanten is onderzoek gedaan naar de zichtbaarheid van de matrixborden. Hierbij is geconstateerd dat de matrixborden destijds duidelijk zichtbaar en leesbaar moeten zijn geweest.9 Dat de matrixborden, met daarop de aangepaste snelheid, duidelijk zichtbaar waren wordt bevestigd door getuige [getuige] . Deze getuige, rijdend in de richting van Nijmegen, reed op de parallelweg van de A325 naar de oprit van de A15. Hij zag dat er een file stond op de A325 en zag vervolgens een witte bus op de A325 rijden, die parallel met hem op reed en mogelijk zelfs iets harder. Getuige [getuige] verklaart dat hij zelf ongeveer 100 tot 110 km/u reed. Hij dacht gelijk dat het fout zou gaan, want de bus reed veel te hard om zo aan te sluiten bij de file. Hij zag vervolgens dat de witte bus vol op de file reed. Hij heeft geen remlichten van de bus zien branden.10

De snelheid van de Iveco, waar verdachte in reed, is door de Airbag Controle Module (hierna: ACM) geregistreerd. Uit de ACM komt naar voren dat een snelheid van 89 km/u is geregistreerd.11

De vraag is vervolgens hoe kan worden verklaard dat verdachte de file en de matrixborden niet heeft gezien.

Telefoon

Er is onderzoek gedaan naar het gebruik van de telefoon van verdachte in de minuten voor het ongeval. Hieruit komt naar voren dat verdachte (die alleen in de auto zat) op 28 november 2021 van 16.39.20 uur tot en met 16.42.31.786075 uur bijna drie minuten aantoonbaar actief op zijn telefoon is geweest. Het gaat daarbij om de volgende handelingen waarbij is opgemerkt dat de aanrakingen die bij een tijdstip zijn vermeld hebben plaatsgevonden in de periode er aan voorafgaand12:

16:39:20

De Apple Iphone XS Max (GSM-001) wordt unlocked.

16:39:34

Het scherm van GSM-001 werd 4 keer aangeraakt

16:40:23

Het scherm van GSM-001 werd 2 keer aangeraakt

16:40:24

Verdachte slaat rechtsaf de Nieuwe Aamsestraat in richting A325

16:41:33:554004

Het scherm van GSM-001 werd 23 keer aangeraakt

16:41:36:155

Het chat-input scherm van Whatsapp gaat naar VERBORGEN

16:41:39:547

Het chat-input scherm van Whatsapp gaat van VERBORGEN, NAAR ZICHTBAAR, VERBORGEN en uiteindelijk naar ZICHTBAAR.

Het scherm van GSM-001 werd 4 keer aangeraakt

16:41:41:813186

Het scherm van GSM-001 werd 12 keer aangeraakt

16:41:42:041

Er werd een WhatsApp bericht verstuurd met als tekst Wie is pand

16:41:51:422298

Het scherm van GSM-001 werd 37 keer aangeraakt

16:41:51.638

Er werd een WhatsApp bericht verstuurd met als tekst: ik ga nu

daarheen facturen afmaken

16:42:14:734

Het chat-input scherm van WhatsApp gaat van ZICHTBAAR naar,

VERBORGEN en uiteindelijk naar ZICHTBAAR

Het scherm van GSM-001 werd 5 keer aangeraakt

16:42:14.749

WhatsApp verstuurd een bericht dat het een bericht ontvangen heeft met de tekst Ik vanavond pas

16:42:23:025810

Het scherm van GSM-001 werd 7 keer aangeraakt

16:42:23.262

Er werd een WhatsApp bericht verstuurd met als tekst: lsgoed

16:42:29:712404

Het scherm van GSM-001 werd 6 keer aangeraakt

16:42:31:127

WhatsApp registreert een App//Shake. Dit kan voortkomen door een

plotseling heftige beweging van de GSM-001.

WhatsApp was op dat moment de standaard app.

16:42:31:786075

De oriëntatie van het beeldscherm werd gewijzigd

16:43:03

De 1e melding van het ongeval komt binnen bij de 112 centrale

16:46:00

Uit chatgroep van 4 deelnemers, (…) verlaat de gebruiker van de GSM ( [gebruiker] ) de groep en de groepschat wordt verwijderd.

 

 

Naar het oordeel van de rechtbank kan hiermee worden bewezen dat verdachte in de 49 seconden (vanaf 16:41:42:041 tot en met 16:42:31:127) direct voor het ongeval in ieder geval 55 keer (en daarmee gemiddeld meer dan een keer per seconde) zijn scherm heeft aangeraakt en losgelaten. In die 49 seconden zijn drie Whatsapp-berichten verstuurd.

Iedere verkeersdeelnemer heeft de bijzondere zorgplicht te anticiperen op komende verkeerssituaties en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer. Uit al het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat die dag, op het moment van het ongeval (en daaraan voorafgaand) sprake is geweest van een verkeersopstopping en dat extra oplettendheid van verdachte mocht worden verwacht. Verdachte reed echter aanzienlijk te hard, gelet op de op dat moment ter plaatse geldende maximum snelheid en op de omstandigheden. Verdachte hield zich daarbij, rijdend met een snelheid van 89 km/u, bezig met het versturen van Whatsappberichten en het aanraken van zijn telefoon. Gelet op de aaneenschakeling van aanrakingen en loslatingen van de telefoon en de omstandigheid dat verdachte geen file dan wel matrixborden heeft gezien, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat verdachte in deze 49 seconden niet op de weg heeft gelet dan wel is blijven letten. Van een noodremming is geen sprake geweest. Door op deze wijze, rijdend met hoge snelheid, zijn telefoon te gebruiken is verdachte in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet meer in staat geweest om tijdig de weg te overzien en te stoppen. Het ongeval is dan ook door de aanzienlijke overschrijding van de toen geldende maximumsnelheid in combinatie met het langdurige telefoongebruik door verdachte veroorzaakt. De verklaring van verdachte dat zijn onoplettendheid veroorzaakt zou zijn door een raambediening die haperde, wat daar ook van zij, maakt dat oordeel niet anders. Dat zou dan moeten hebben plaatsgevonden in de laatste 8 seconden voor de aanrijding. Dat was sowieso te laat geweest om nog op adequate wijze te anticiperen op de voor hem ontstane opstopping.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen.

Gevolgen

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn als gevolg van het ongeval komen te overlijden.

Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer 4] is de rechtbank van oordeel dat zijn letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat hij als gevolg van het ongeval een hersenschudding, een scheurtje in zijn milt en lever, een kleine klaplong links en een longkneuzing met een scheurtje in zijn linkerlong heeft opgelopen. Daarnaast is ter zitting uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [naam 6] en [naam 7] , naar voren gekomen dat inmiddels bij [slachtoffer 4] niet aangeboren hersenletsel is vastgesteld als gevolg van het ongeval. Vooral dit laatste brengt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen gedragingen van verdachte, zoals hiervoor weergegeven, het ongeval hebben veroorzaakt en de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval.

Roekeloosheid

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of, zoals de officier van justitie heeft betoogd, deze schuld is aan te merken als roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 WVW in samenhang met artikel 175, tweede lid, WVW. Roekeloosheid is de zwaarste gradatie van schuld, grenzend aan voorwaardelijk opzet. Hiervan is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn.

Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.

Artikel 5a WVW

De rechtbank moet beoordelen of verdachte met de hiervoor vastgestelde verkeersgedragingen, die hebben geleid tot het ongeval, (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

a. de verkeersregels

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee van de in artikel 5a WVW (niet limitatief) genoemde gedragingen, te weten het overschrijden van de maximumsnelheid en het overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang, namelijk het langdurig gebruiken van de telefoon door verdachte. Hoewel alles er op lijkt te wijzen, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte zijn telefoon daadwerkelijk heeft vastgehouden tijdens het rijden, maar wel dat hij deze heeft gebruikt, terwijl er geen telefoonhouder in zijn auto is aangetroffen. Verdachtes raadsman heeft gesuggereerd dat hij de telefoon heeft bediend terwijl deze naast hem op de stoel lag. Als dit al waar zou zijn, is dat minstens zo gevaarlijk en mogelijk nog gevaarlijker dan de telefoon vasthouden.

in ernstige mate

Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen. Verdachte heeft zich gedurende (minimaal) 49 seconden kort voor het ongeval, terwijl hij aanzienlijk te hard reed, bezig gehouden met het versturen van Whatsappberichten en het aanraken van zijn telefoon. Verdachte heeft in die tijd voor het ongeval niet op de weg gelet dan wel is niet blijven opletten en heeft daarmee grote risico’s genomen en ernstig verkeersgevaarlijk gedrag vertoond. Een telefoon bedienen en autorijden gaat immers niet samen. Het verkeer vereist onverdeelde aandacht van een bestuurder.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

opzettelijk

Voor een overtreding van artikel 5a WVW moet het opzet van de verdachte zowel gericht zijn op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Indien vast komt te staan dat de verdachte een of meer verkeersovertredingen heeft begaan waardoor zeer gevaarlijke situaties zijn ontstaan en verdachte dus onaanvaardbare risico’s heeft genomen, levert dit gedrag bijna per definitie het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels op. Ook kan het over een langere periode bezig zijn met een telefoon, terwijl verdachte 19 km/u te hard reed, niet anders dan opzettelijk worden uitgevoerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de genoemde gedragingen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.

gevaar te duchten

Om te kunnen vaststellen dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. Door op een snelweg te rijden waarop zich een file vormde met een onverminderde snelheid van 89 km/u terwijl verdachte gedurende (minimaal) 49 seconden zich bezig hield met het versturen van Whatsappberichten en het aanraken van zijn telefoon, en dus niet met opletten op de weg voor hem, is het voorzienbaar dat hierdoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is.

Het voorgaande betekent dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

3De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 28 november 2021 te Elst, gemeente Overbetuwe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen), daarmede rijdende over de weg, de A325 (links), roekeloos dan wel zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
- terwijl hij het motorrijtuig beroepsmatig bestuurde en/of
- terwijl hij reeds onder twee portalen met matrixborden (elektronisch signaleringsbord, bord A3 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) was door gereden, op welke borden in chronologische volgorde de snelheden 90 kilometer per uur en/of 70 kilometer per uur werden getoond, en/of middels deze borden was gewezen op een (eventuele) gewijzigde
verkeerssituatie,
- geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A3 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk (matrix)bord een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur was aangegeven
- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- tijdens het besturen van het door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen), althans tijdens het rijden, een mobiele telefoon (meermaals) heeft bediend dan wel meerdere keren heeft aangeraakt en/of
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte(n) van die weg (de A325) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of voornoemde matrixborden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de A325) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- toen het voor hem rijdende verkeer langzaam reed en/of snelheid had verminderd en/of (nagenoeg) tot stilstand was gekomen, met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto),
- ten gevolge waarvan dit andere motorrijtuig (personenauto) is gebotst tegen, althans in aanraking is gekomen met, een of meer andere voertuigen, waardoor anderen (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] ) werden gedood en/of een ander (te weten [slachtoffer 4] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van het feit

Verdachte heeft op 28 november 2021 door roekeloos rijgedrag een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij is tijdens het rijden veelvuldig bezig geweest op zijn telefoon, terwijl hij aanzienlijk harder reed dan op dat moment was toegestaan. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn als gevolg van dit ongeval aan hun verwondingen overleden en [slachtoffer 4] heeft als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het gaat om een zeer ernstig feit met onomkeerbare gevolgen. [slachtoffer 1] was 76 jaar, [slachtoffer 2] was 75 jaar en [slachtoffer 3] was 9 jaar. Zij zijn door toedoen van verdachte uit het leven weggerukt. Het leed en gemis voor de nabestaanden moet enorm zijn. Uit de indrukwekkende slachtofferverklaringen van [naam 6] en [naam 7] (de ouders van [slachtoffer 4] en tevens zoon en schoondochter van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) en [naam 8] (de moeder van [slachtoffer 3] en tevens dochter van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) blijkt hoe ingrijpend het ongeval voor hen is geweest. Hun levens zullen nooit meer hetzelfde zijn. Zij zijn hun (schoon)ouders verloren. [naam 8] moet daarnaast ook haar dochter [slachtoffer 3] missen.

[slachtoffer 4] was op het moment van het ongeval 8 jaar. Uit de slachtofferverklaring van de ouders van [slachtoffer 4] is gebleken hoe ingrijpend en beangstigend het ongeval voor [slachtoffer 4] is geweest. Verder is gebleken dat bij hem niet aangeboren hersenletsel is vastgesteld. Door het letsel is hij ernstig beperkt in zijn dagelijkse leven en dit zal ook gevolgen hebben voor zijn verdere leven. Daarnaast is hij ook zijn nichtje en zijn opa en oma verloren als gevolg van het ongeval.

De rechtbank neemt verdachte buitengewoon kwalijk dat hij in de minuten voor het ongeval aantoonbaar actief op zijn telefoon is geweest. Verdachte heeft in die tijd meerdere berichten verstuurd en zijn telefoon aangeraakt. Verdachte is hierover naar het oordeel van de rechtbank niet open geweest. Het is moeilijk voor te stellen dat hij zich dat niet meer kan herinneren zoals hij zegt. Te meer omdat hij kort na het ongeval nog de laatste app-berichten van zijn telefoon heeft gewist. Het verbaast de rechtbank verder dat hij van iets anders tijdens de rit, namelijk het haperende raam, wel een concrete herinnering heeft alhoewel zijn verklaring daarover niet kan worden bevestigd door objectief bewijsmateriaal zoals videobeelden. Verdachte heeft door de afleiding de file zo laat opgemerkt dat zelfs van een noodremming geen sprake meer is geweest. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij door zijn gevaarlijke verkeersgedrag anderen zoveel pijn, angst en schade heeft toegebracht. Daarnaast heeft hij met zijn handelen in meer algemene zin de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Voor verdachte, andere verkeersdeelnemers en de samenleving als geheel moet duidelijk zijn dat dergelijk risicovol gedrag in het verkeer onaanvaardbaar is.

Persoon van verdachte

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 februari 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Wel heeft verdachte in 2020 een geldboete gekregen voor het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg (artikel 5 WVW) en is aan hem in 2020 een geldboete opgelegd voor een forse snelheidsovertreding.

De rechtbank ziet ook dat verdachte nooit het opzet heeft gehad op de gevolgen van zijn handelen en dat het feit veel impact op hem heeft gehad. Het gezin van verdachte is op dit moment van hem afhankelijk. Voor de uitoefening van zijn werk heeft hij ook zijn rijbewijs nodig en hij heeft naar eigen zeggen zijn rijgedrag aangepast. Verdachte heeft ter zitting benadrukt dat hij meeleeft met de nabestaanden en dat hij nog altijd iedere dag stil staat bij het ongeluk en de dood van de slachtoffers. Hij zal ermee moeten leren leven dat hij dat heeft veroorzaakt. Verdachte komt daarin oprecht over.

Strafmaat

Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede vanuit een oogpunt van vergelding en generale preventie, gelet op de hiervoor genoemde ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen. Hiermee wil de rechtbank zorgen voor een waarschuwing die verdachte ervan weerhoudt opnieuw een strafbaar feit te begaan.

Daarnaast zal de rechtbank, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ervan doordrongen moet worden dat hij zijn verkeersgedrag moet aanpassen. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid is daarnaast vanuit het oogpunt van generale preventie, en gelet op het feit dat deze doorgaans ook wordt opgelegd in zaken die qua ernst vergelijkbaar zijn met deze zaak, passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 jaar opleggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [naam 8] (de moeder van [slachtoffer 3] ) heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 7.500,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2021. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De benadeelde partij [naam 9] (de vader van [slachtoffer 3] ) heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2021. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De benadeelde partij [naam 10] (de broer van [slachtoffer 3] ) heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.500,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2021. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft aangevoerd dat de vorderingen van [naam 8] en [naam 9] kunnen worden toegewezen. De verdediging heeft de vordering van [naam 10] niet betwist.

Overweging van de rechtbank

Op grond van hetgeen is bepaald in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering kunnen nabestaanden zich als benadeelde partij in het strafproces voegen. De rechtbank zal het juridisch kader en de toewijsbaarheid van de schadepost ‘affectieschade’ bespreken.

Affectieschade

Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit verdriet en pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. Op grond van artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen nabestaanden zich met een vordering tot vergoeding van affectieschade voegen. De wet geeft in het vierde lid een limitatieve opsomming van de personen die aanspraak kunnen maken op deze affectieschade. In artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder g BW is daarnaast een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade per categorie naasten vaste normbedragen vastgesteld. Het is een zogenoemd forfaitair stelsel.

De rechtbank stelt vast dat [naam 8] als moeder van [slachtoffer 3] en [naam 9] als vader van [slachtoffer 3] op grond van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder c BW tot de kring van gerechtigden behoren en aldus recht hebben op vergoeding van affectieschade. [naam 8] heeft, voor het overlijden van haar beide ouders, recht op vergoeding van affectieschade op grond van hetzelfde artikel, vierde lid, aanhef en onder d. [naam 8] heeft inmiddels van de WAM-verzekeraar voor het overlijden van haar dochter een bedrag van € 17.500,- en voor het overlijden van haar ouders een bedrag van € 30.000,- aan affectieschade ontvangen. Zij vordert nu het restant van het totale bedrag dat haar op grond van het Besluit vergoeding affectieschade zou toekomen, namelijk drie maal een bedrag van € 2.500,-. [naam 9] heeft voor het overlijden van zijn dochter van de WAM-verzekeraar een bedrag van € 17.500 ontvangen. Hij vordert eveneens het restant van het totale bedrag dat hem op grond van het Besluit zou toekomen, namelijk een bedrag van € 2.500,-. De vorderingen van [naam 8] en [naam 9] zijn beide geheel toewijsbaar, gelet op de forfaitaire bedragen in het eerder genoemde besluit en de reeds toegekende affectieschade door de verzekeraar.

Broers en zussen worden niet genoemd in artikel 6:108, vierde lid, BW. Daarom ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of [naam 10] , [naam 10] , de oudere broer van [slachtoffer 3] , een beroep op de hiervoor genoemde hardheidsclausule toekomt. Beoordeeld dient te worden of [naam 10] in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot [slachtoffer 3] staat dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste in de zin van artikel 6:108 derde lid BW wordt aangemerkt. Gelet op wat ter zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat er sprake was van een bestendig gezinsleven en dat [naam 10] zijn hele leven in gezinsverband met [slachtoffer 3] en hun ouders onder één dak hebben geleefd. De broer en zus hadden onweersproken een zeer goede band en de jonge leeftijd van [naam 10] en [slachtoffer 3] , destijds 12 en 9 jaar oud, doet ook verwachten dat de relatie tussen hen nog meerdere jaren op dezelfde wijze zou voortduren. Mede gelet op voornoemde aard, duur en intensiteit van de relatie tussen [naam 10] en [slachtoffer 3] acht de rechtbank deze relatie zodanig persoonlijk en nauw, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste kan worden aangemerkt in de zin van artikel 6:108, derde lid, BW en aldus recht heeft op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag van € 17.500,- is conform het forfaitaire bedrag in het Besluit, zodat dit zal worden toegewezen.

Verdachte is vanaf 28 november 2021 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. ECLI:NL:RBGEL:2024:1944

1Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2021557040, gesloten op 21 juni 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2Proces-verbaal aanrijding, p. 5-10; proces-verbaal forensische opsporing verkeer PD onderzoek, p. 59.

3Proces-verbaal schouw, p. 96-98.

4Proces-verbaal schouw, p. 102.

5Geneeskundige verklaring, p. 26.

6Proces-verbaal forensische opsporing verkeer PD-onderzoek, p. 55-56.

7Proces-verbaal forensische opsporing verkeer, p. 34.

8De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 maart 2024.

9Proces-verbaal forensische opsporing verkeer, p. 31-35; proces-verbaal forensische opsporing verkeer PD-onderzoek, p. 56-58.

10Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 186.

11Proces-verbaal onderzoek airbagmodule Iveco, p. 108.

12Proces-verbaal forensische opsporing verkeer p. 35-36; aanvullend proces-verbaal veiligstellen gegevens.