Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 250722 straf, moord, oordeel over vorderingen affectiesschade weduwe, dochters, vader, broers en zussen SO

RBGEL 250722 straf, moord, oordeel over vorderingen weduwe, dochters, vader, broers en zussen SO
- gederfd levensonderhoud; aansluiting bij minimale bijdrage voor kinderalimentatie, € 50,- per maand en met bereiken 18-jarige leeftijd
- voor moeder is voldaan aan vereisten tzv confrontatie en geestelijk letsel, voor dochter niet

De beoordeling van de civiele vorderingen
De vorderingen van de benadeelde partijen

In deze procedure hebben zich in verband met de moord op [slachtoffer] meerdere partijen gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

(1) [benadeelde 1] , als weduwe van het slachtoffer, vordert € 1.292,90 aan materiële schade (bestaande uit kosten voor geboorteaktes ad € 42,90, medische kosten ad € 1.000,- en reis- en parkeerkosten ad € 250,-) en daarnaast € 20.000,- aan affectieschade en € 25.000,- aan shockschade. Ter terechtzitting is verzocht de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 448,20 (€ 42,90, € 385,- en € 20,30) en (de rechtbank begrijpt:) de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel aan gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Subsidiair is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering voor zover die ziet op de schadepost met betrekking tot meer gevorderde medische kosten.

(2) [benadeelde 2] , als (minderjarige) dochter van het slachtoffer, vordert € 1.526,- aan materiële schade bestaande uit kosten voor gederfd levensonderhoud en daarnaast € 20.000,- aan affectieschade en € 25.000,- aan shockschade.

(3) [benadeelde 3] , als (minderjarige) dochter van het slachtoffer, vordert € 3.090,-
aan materiële schade bestaande uit kosten voor gederfd levensonderhoud en daarnaast € 20.000,- aan affectieschade.

(4) [benadeelde 4] , als (minderjarige) zoon van het slachtoffer, vordert € 3.814,- aan materiële schade bestaande uit kosten voor gederfd levensonderhoud en daarnaast € 20.000,- aan affectieschade.

(5) [benadeelde 5] , als vader van het slachtoffer, vordert € 3.000,- aan materiële schade (bestaande uit uitvaartkosten) en daarnaast € 17.500,- aan affectieschade en € 20.000,- aan smartengeld. Verder vordert hij € 5.047,- aan proceskostenvergoeding op basis van het liquidatietarief.

(6) [benadeelde 6] , als broer van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

(7) [benadeelde 7] , als zus van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

(8) [benadeelde 8] , als zus van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

(9) [benadeelde 9] , als zus van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

(10) [benadeelde 10] , als broer van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

Alle benadeelde partijen hebben verzocht de wettelijke rente toe te kennen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4], vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [benadeelde 5] voor zover deze ziet op de materiële schade en de affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard ten aanzien van het (provisioneel) gevorderde bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade, omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden die nodig zijn voor de toewijzing van deze post.

Het standpunt verdediging

Primair heeft de verdediging betoogd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat:
- de benadeelde partijen [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] , niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen, nu zij niet voldoen aan de criteria om voor de gevorderde schade in aanmerking te komen.
- de benadeelde partij [benadeelde 5] ten aanzien van de gevorderde € 20.000,- aan immateriële schade eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat ook hij niet voldoet aan de criteria.
- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] dient te worden afgewezen ten aanzien van de gevorderde uitvaartkosten ter hoogte van € 3.000,-, nu dit deel van de vordering niet, althans onvoldoende, is onderbouwd. Verdachte heeft ter terechtzitting opgemerkt dat hij geen bezwaar heeft tegen vergoeding van de uitvaartkosten.
- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] dient te worden toegewezen ten aanzien van de gevorderde affectieschade ter hoogte van € 17.500,-- de door de benadeelde partij [benadeelde 5] gevorderde proceskostenvergoeding dient te worden beperkt tot 2 punten met een liquidatietarief van € 373,- per punt, aldus totaal € 746,-.
- de benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de beoordeling van deze schade zich niet leent voor het strafproces. Hiertoe is aangevoerd dat de vraag gerechtvaardigd is of [slachtoffer] en [benadeelde 1] van tafel en bed gescheiden waren ten tijde van het bewezenverklaarde. Meer subsidiair is verzocht om de affectieschade toe te wijzen tot een bedrag van € 17.500,- als niet kan worden vastgesteld of [slachtoffer] en [benadeelde 1] ten tijde van het tenlastegelegde niet van tafel en bed waren gescheiden.
- de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ten aanzien van de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in dat deel van de vordering, nu zij niet voldoen aan de criteria voor toewijzing van shockschade.
- de benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van de gevorderde reiskosten en de medische kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu dit deel van de vordering niet is onderbouwd; niet blijkt dat [benadeelde 1] bij Saleem GGZ onder behandeling is geweest, dat zij daar vier keer is geweest en dat zij daar in de toekomst nog behandelingen zal volgen.
- de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] dienen te worden toegewezen ten aanzien van de gevorderde affectieschade.
- de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard voor zover de vordering ziet op de gevorderde kosten voor gederfd levensonderhoud, dan wel dat de vorderingen dienen te worden afwezen. Hiertoe is aangevoerd dat niet blijkt dat [slachtoffer] zou voorzien in het levensonderhoud van de kinderen.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De schadepost met betrekking tot de geboorteaktes ad € 42,90 is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. De schadepost met betrekking tot de reis- en parkeerkosten tot een bedrag van € 20,30 is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Uit de brief van 21 maart 2022 van de psychotherapeut van Rond GGZ blijkt dat de benadeelde 3 behandelingen heeft gehad in 2021. De reiskosten ad € 9,74 naar deze psychotherapeut kunnen daarom worden toegewezen. Uit de brief van 13 juli 2022 van de psycholoog bij Saleem GGZ blijkt dat de benadeelde een behandeling aangeboden krijgt. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de gestelde vier behandelingen die vanaf maart 2022 hebben plaatsgevonden. De reiskosten ad € 10,56 naar deze psycholoog kunnen daarom worden toegewezen. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ten aanzien van de materiële schade tot een hoogte van € 63,20 kan worden toegewezen.

De schadepost met betrekking tot de medische kosten is naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Materiële schade [benadeelde 5]

De verdediging heeft betwist dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van [slachtoffer] . Verdachte heeft ter terechtzitting opgemerkt deze kosten te willen betalen. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde uitvaartkosten ter hoogte van € 3.000,- redelijk voorkomen en zij zal de kostenpost daarom toewijzen.

Materiële schade [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

De kinderen van [slachtoffer] hebben kosten gevorderd voor (toekomstig) gederfd levensonderhoud. Bij de bepaling van de hoogte van de kosten is aansluiting gezocht bij de minimale bijdrage voor kinderalimentatie, te weten een bedrag van € 25,- per maand voor één kind en een bedrag van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen tot en met het bereiken van de 18-jarige leeftijd. De rechtbank acht de gevorderde kosten voldoende onderbouwd, billijk en dus toewijsbaar. Dat niet zou blijken dat [slachtoffer] zou voorzien in het levensonderhoud van de kinderen, staat aan toewijzing niet in de weg.

Affectieschade

De nabestaanden van het slachtoffer, [benadeelde 1] (weduwe), [benadeelde 2] (dochter), [benadeelde 3] (dochter), [benadeelde 4] (zoon), en [benadeelde 5] (vader) hebben vergoeding van affectieschade gevorderd.

De rechtbank stelt voorop dat het vorderen van affectieschade vanaf 1 januari 2019 mogelijk is voor de in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde naasten van het door het misdrijf overleden slachtoffer. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van de naasten en nabestaanden te erkennen.

Uitgangspunt is dat de kring van gerechtigden is beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe affectieve band met het slachtoffer te hebben. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] die deze vorm van schadevergoeding hebben gevorderd, tot deze kring van gerechtigden behoren en bij hun vorderingen aansluiting hebben gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen.

De vorderingen van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] zijn niet inhoudelijk betwist. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank deze vorderingen toewijzen.

De vordering van [benadeelde 1] is wel betwist. De rechtbank dient vast te stellen of ook zij tot de kring van gerechtigden van affectieschade behoort. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Onder ‘naasten’ wordt gelet op artikel 6:108, vierde lid onder a, van het Burgerlijk Wetboek onder meer begrepen: “de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene”. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3) staat hierover vermeld: “Onderdeel a ziet op het geval waarin de relatie tussen het slachtoffer en de naaste in een huwelijk of geregistreerd partnerschap is geformaliseerd, in welk geval geen nadere eisen worden gesteld.

Bij de vordering bevindt zich een huwelijksakte (bijlage 1), waaruit blijkt dat [benadeelde 1] en [slachtoffer] zijn getrouwd, en een uitdraai van het huwelijksgoederenregister (bijlage 17), waaruit blijkt dat er geen inschrijving van een beschikking houdende scheiding van tafel en bed heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat er gezien het voorgaande geen sprake is van een (formele) scheiding van tafel en bed.

Verder staat in de Memorie van Toelichting vermeld: “Opgemerkt zij nog dat spiegelbeeldig ook niet kan worden uitgesloten dat op grond van het voorgestelde artikel 6:107 recht zou bestaan op vergoeding van affectieschade terwijl dit, mede gelet op de relatie tussen de rechthebbende naaste en de gekwetste of overledene, zoals deze zich in de periode voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft ontwikkeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Te denken valt aan gevallen waarin een echtgenoot aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade wegens ernstig en blijvend letsel van zijn echtgenote, terwijl deze echtgenoot voor het ongeval al met de spreekwoordelijke Noorderzon was vertrokken, of reeds samenwoonde met iemand anders. In gevallen waarin vergoeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, kan deze met een beroep op artikel 6:2, tweede lid, BW worden afgewezen. De Rvdr geeft in zijn advies in overweging om te voorzien in een ruimere hardheidsclausule. Daarvan zie ik af. Het criterium van artikel 6:2, tweede lid, BW leent zich slechts voor toepassing in zeer uitzonderlijke gevallen. Discussies over de feitelijke invulling van op zichzelf zeer nauwe persoonlijke betrekkingen zijn voor de gekwetste en zijn naasten belastend en precair. De feitelijke invulling van deze persoonlijke relaties dient om die reden slechts in zeer uitzonderlijke – sprekende – gevallen aan de orde te kunnen worden gesteld.”

In de Memorie van Antwoord (Kamerstukken I 2016/17, 34257, C) staat verder nog vermeld: “Waren echtgenoten voornemens om te gaan scheiden, maar is de echtscheiding niet afgerond voorafgaand aan het ongeval, dan bestaat er een aanspraak op vergoeding van affectieschade op grond van het wetsvoorstel. Op dat moment is nog sprake van een huwelijk en het ernstig en blijvend letsel of het overlijden van de een zal zeer waarschijnlijk ook dan een ommezwaai in het leven van de ander betekenen. Het wetsvoorstel trekt een juridisch duidelijke grens, opdat niet in de waardering van individuele relaties hoeft te worden getreden: van echtgenoten wordt verondersteld dat zij in een affectieve relatie tot elkaar staan en daarom hebben zij aanspraak op de vergoeding van affectieschade als de ander gekwetst raakt of overlijdt. Dit geldt eveneens voor de relatie van ouders en kinderen. Zou het formele verzoek tot echtscheiding bepalend zijn, dan is ook dat weer een grens waarover discussie mogelijk is: er zijn goede en minder goede huwelijken, los van het formele verzoek tot echtscheiding. Totdat de rechter de echtscheiding heeft uitgesproken, kan hiervan nog worden afgezien. Het is niet ondenkbaar dat echtgenoten na een ingrijpend voorval een andere beslissing nemen dan aanvankelijk voorzien etc. Het is wenselijk dat er niet hoeft te worden getwist over de staat van een relatie en daarmee de aanspraak op de vergoeding van affectieschade. Dit laat onverlet dat een beroep op de vergoeding van affectieschade kan worden afgewezen wanneer overduidelijk geen sprake is van een ommezwaai in het leven van de achterblijvende partner. In de memorie van toelichting is in dit verband het voorbeeld gegeven van een echtgenoot die met de spreekwoordelijke Noorderzon is vertrokken en al in geen jaren meer contact heeft gehad met de andere echtgenoot. Het is uiteindelijk aan de rechter om de bijzondere omstandigheden van het geval te bezien en te beslissen op de aanspraak op de vergoeding van affectieschade. (…)”

De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat in deze zaak sprake is van een zeer uitzonderlijk -sprekend- geval, op grond waarvan de feitelijke invulling van de persoonlijke relatie aan de orde dient te worden gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [benadeelde 1] onder de kring van gerechtigden van affectieschade valt, te weten onderdeel a. De benadeelde heeft bij haar vordering aansluiting gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen.

Shockschade [benadeelde 1]

De benadeelde partij is de weduwe van [slachtoffer] . Zij vordert immateriële schade als gevolg van geestelijk letsel veroorzaakt door het overlijden van haar man ten gevolge van het door verdachte gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij stelt daartoe dat sprake is van zogenoemde shockschade.

Shockschade betreft schade die ontstaat door het waarnemen van een gebeurtenis of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Bij toekenning van shockschade gaat het niet zozeer om vergoeding van leed, maar moet degene die vergoeding vordert zelf geestelijk letsel hebben opgelopen als direct gevolg van die waarneming of confrontatie.

Volgens vaste jurisprudentie kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (1) het waarnemen van het feit, of (2) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok moet vervolgens geestelijk letsel zijn voortgevloeid. Dit zal zich met name voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe en affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het gepleegde feit is gedood of verwond.

Voor vergoeding van shockschade is op grond van artikel 6:106, eerste lid onder b, van het BW vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vaststelling door de rechter dat daarvan sprake is, kan op informatie van een deskundige worden gebaseerd (vgl. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241 en HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201).

Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval moet degene die zich hierop beroept deze aantasting in zijn persoon met concrete gegevens onderbouwen, tenzij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen (vgl. HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024).

Confrontatievereiste

De rechtbank dient gezien het voorgaande allereerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde rechtstreeks is geconfronteerd met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit waardoor een shock ontstaan is.

Uit de stukken blijkt dat de benadeelde bij het identificeren van het lichaam van het slachtoffer in het mortuarium is geconfronteerd met het kogelschot dat het slachtoffer in het gelaat heeft opgelopen door het bewezenverklaarde feit. Verder blijkt dat de benadeelde op een paar honderd meter afstand van de plaats delict woont, dat zij op 5 januari 2021 sirenes heeft gehoord van ambulance en politie, dat zij een traumahelikopter zag arriveren en dat zij vervolgens van meerdere personen berichten ontving met de vraag of haar echtgenoot gewond was geraakt en of hij nog leefde. Zij ontving ook berichten waarin stond dat haar echtgenoot was overleden en berichten waarin zij werd gecondoleerd. Verder werd de benadeelde geconfronteerd met berichten in de media. Door de politie werd niet eerder dan om 23.30 uur die avond de informatie verstrekt dat haar echtgenoot was overleden.

Uit de toelichting op de vordering volgt dat de benadeelde ook is geconfronteerd met de inhoud van het strafdossier, waaronder het sectieverslag. Verder volgt uit de toelichting dat de benadeelde het als traumatisch ervaart dat haar echtgenoot op een afstand van ongeveer 400 meter van haar vandaan is doodgeschoten en dat zij vanuit haar woning zicht heeft op de plek waar het incident heeft plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het bewezenverklaarde feit waardoor een shock ontstaan is.

Geestelijk letsel

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of bij benadeelde sprake is van geestelijk letsel.
Uit de brief van 21 maart 2022 van [naam 5] , psychotherapeut, blijkt dat bij benadeelde sprake is van een posttraumatische stressstoornis en een gecompliceerd rouwtraject met als gevolg daarvan somberheid en stagnatie in haar leven. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat sprake is van een erkend psychiatrisch ziektebeeld.
Naar het oordeel van de rechtbank komt de benadeelde daarom in aanmerking voor toewijzing van vergoeding van shockschade.

Shockschade [benadeelde 2]

De benadeelde partij betreft een nabestaande van [slachtoffer] , namelijk zijn dochter.

Zij vordert immateriële schade als gevolg van geestelijk letsel veroorzaakt door het overlijden van haar vader ten gevolge van het door verdachte gepleegde strafbare feit (het bewezenverklaarde). De benadeelde partij stelt daartoe dat sprake is van zogenoemde shockschade. Vergoeding van shockschade is slechts mogelijk als aan strikte voorwaarden is voldaan. Er moet, zoals hiervoor al is overwogen, sprake zijn van geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat is ontstaan door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Confrontatievereiste

De rechtbank dient gezien het voorgaande allereerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde rechtstreeks is geconfronteerd met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit waardoor een shock ontstaan is.

Uit het voegingsformulier en de toelichting op de vordering blijkt het volgende. Benadeelde heeft na het misdrijf sirenes gehoord en is met een vriendinnetje naar het flatgebouw gelopen. Daarna is zij naar huis gegaan en is vervolgens door haar moeder bij de buurvrouw ondergebracht. Zij heeft haar buurvrouw in een telefoongesprek horen zeggen dat haar vader was doodgeschoten in het flatgebouw waar zij kort daarvoor was gaan kijken. Haar moeder heeft dit later ook aan haar verteld. Uit een brief van [jaar 3] 2022 van [naam 6] , danstherapeut bij [naam 7] , blijkt dat de benadeelde door de huisarts is verwezen met de indicatie ‘psychotraumatische klachten na moord op haar vader’ en dat zij op 29 maart 2021 in therapie is gegaan met tot nu toe 23 sessies. Verder blijkt uit de brief dat de benadeelde concentratieproblemen heeft die zich met name op school uiten en dat zij neerslachtig is als gevolg van het verlies van haar vader en weinig motivatie voelt om dingen te ondernemen. Daarnaast staat vermeld dat op dit moment niet duidelijk kan worden aangetoond in hoeverre dat het verlies en de rouwervaringen te maken hebben met de manier waarop haar vader is overleden, maar dat het wel voor de hand ligt dat het plotselinge overlijden en de manier waarop dit is gebeurd traumatisch is en impact heeft op het welbevinden van benadeelde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde echter niet of in onvoldoende mate onderbouwd dat sprake is geweest van een dusdanige emotionele shock als gevolg van het feit dat zij sirenes heeft gehoord, in combinatie met het feit en/of de wijze waarop zij kennis heeft genomen van het feit dat haar vader is doodgeschoten, dat daardoor een aanspraak is ontstaan op deze bijzondere vorm van schadevergoeding. Immers, zij heeft niet (direct) de gebeurtenissen waargenomen waardoor haar vader is overleden en evenmin is voldoende gesteld of gebleken dat zij is geconfronteerd met ernstige, fysiek waarneembare, voor een emotionele shock zorgende gevolgen daarvan. Zonder iets te willen afdoen aan het peilloze leed dat het overlijden van [slachtoffer] als zodanig bij zijn dochter heeft veroorzaakt, constateert de rechtbank dat zij op basis van de stellingen van benadeelde partij niet kan vaststellen dat voldaan is aan het confrontatievereiste.

Geestelijk letsel

De rechtbank is voorts van oordeel dat de benadeelde onvoldoende onderbouwd heeft dat zij door het bewezenverklaarde als gevolg van een emotionele shock zoals hiervoor omschreven geestelijk letsel in bovenvermelde zin heeft opgelopen. Hoewel in de brief van [jaar 3] 2022 van de danstherapeut staat vermeld dat het voor de hand ligt dat het plotselinge overlijden en de manier waarop dit is gebeurd traumatisch is en impact heeft op het welbevinden van benadeelde, kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat bij benadeelde sprake is van geestelijk letsel. De rechtbank is verder van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om vast te stellen dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is.

De rechtbank acht dan ook de vordering onvoldoende onderbouwd met betrekking tot de gevorderde shockschade. Om de vordering aan de hiervoor genoemde vereisten te kunnen toetsen is, mede in het licht van de betwisting door de verdediging, nader onderzoek en waarschijnlijk nadere bewijsvoering nodig. Dat brengt een onevenredige belasting van het strafgeding mee. Om die reden zal de benadeelde in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit gedeelte van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade van de overige benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] hebben een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank verklaart deze benadeelde partijen in (dit deel van) de vorderingen niet ontvankelijk, nu zij niet voldoen aan de criteria op grond waarvan een benadeelde partij in aanmerking kan komen voor immateriële schade. De benadeelde partijen kunnen (dat deel van) de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Wettelijke rente

Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf de dag dat de schade is ingetreden. Nu dit moment voor de opgevoerde schadeposten verschilt, zal de rechtbank de wettelijke rente per schadepost vaststellen. De rechtbank overweegt in het bijzonder nog het volgende hierover. De reiskosten zijn gemaakt in het jaar 2021. Specifieke data zijn niet bekend. De rechtbank zal daarom bepalen dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de laatste dag van het jaar. De schadepost voor gederfd levensonderhoud ontstaat grotendeels in de toekomst. Gelet op die omstandigheid zal de rechtbank bepalen dat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf een datum ongeveer gelegen in het midden van de gehele periode tussen de datum van het delict (5 januari 2021) en laatste dag waarop deze schade verschuldigd zal zijn, te weten de datum waarop de benadeelde de leeftijd van 18 jaar bereikt ( [benadeelde 2] op [jaar 1] 2018, [benadeelde 3] op [jaar 2] 2033 en [benadeelde 4] op [jaar 3] 2035).

Gelet hierop stelt de rechtbank de volgende data vast:

- De wettelijke rente over de affectieschade en de shockschade is verschuldigd vanaf 5 januari 2021.
- De wettelijke rente over de kosten voor de geboorteaktes is verschuldigd vanaf 15 maart 2022.
- De wettelijke rente over de reiskosten is verschuldigd vanaf 31 december 2021 en vanaf 1 maart 2022.
- De wettelijke rente over de uitvaartkosten is verschuldigd vanaf 5 januari 2021.
- De wettelijke rente over de kosten voor gederfd levensonderhoud is verschuldigd vanaf:
o 1 september 2024 ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] .
o 15 januari 2027 ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] .
o 1 maart 2028 ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] .

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Proceskostenvergoeding

De benadeelde partij [benadeelde 5] vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om kosten voor rechtsbijstand. Deze kosten zullen aan de hand van het Liquidatietarief kanton/Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven worden begroot. De rechtbank acht op basis van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering 7 punten à € 721,- en daarmee € 5.047,- toewijsbaar. ECLI:NL:RBGEL:2022:3952