Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Assen 190712 KG-vordering tot buiten gebruikstelling bussen ogv art. 7:658 BW; voorlopig oordeel dat is voldaan aan zorgplicht

Rb Assen 190712 KG-vordering tot buiten gebruikstelling bussen ogv art. 7:658 BW; voorlopig oordeel dat is voldaan aan zorgplicht

4.  De beoordeling 
4.1.  Tussen partijen is in geschil of tot buiten gebruikstelling van de door CTS in de concessie Zuidwest Drenthe voor het openbaar vervoer gebruikte Mercedes Sprinter dient te worden geoordeeld. 

Ontvankelijkheid 

4.2.  Het meest verstrekkende verweer van CTS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van BBZ en FNV, nu de belangen (preventieve maatregelen) die BBZ nastreeft reeds door de Inspectie worden behartigd en CTS nog een termijn is gegund om aan de gestelde eisen te voldoen. 

4.3.  De voorzieningenrechter volgt CTS niet in deze stelling. BBZ en FNV baseren hun vordering op het bepaalde in artikel 7:658, eerste lid 1 BW, waarin de zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid van de werknemer is vastgelegd. De werkgever moet op basis van dit artikel die maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn functie schade lijdt. In het geval de werkgever in zijn zorgplicht tekortschiet dan is hij jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Ingevolge artikel 7:658 BW is de werkgever dus slechts aansprakelijk indien hij tekortgeschoten is in zijn zorgplicht schade te voorkomen. Onder die zorgplicht wordt mede verstaan de verplichtingen die de werkgever heeft krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en andere publiekrechtelijke regelingen terzake arbeidsomstandigheden. 
BBZ heeft CTS in dat verband een preventieve collectieve aansprakelijkstelling doen toekomen voor de door een aantal chauffeurs geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van de reeds ontwikkelde en nog te ontwikkelen beroepsziekte ten gevolge van gebrekkige arbeidsomstandigheden. 
De voorzieningenrechter overweegt dat BBZ en FNV in dit kader voldoende hebben onderbouwd dat de belangen die BBZ nastreeft - een preventieve collectieve aansprakelijkstelling, waardoor CTS wordt opgeroepen preventieve maatregelen te treffen ter voorkoming van een beroepsziekte - rechtvaardigen dat BBZ en FNV de onderhavige procedure in hebben gesteld. Dat de Inspectie inmiddels - door toedoen van BBZ en FNV - bij de zaak is betrokken en dat CTS inmiddels bezig is maatregelen te treffen doet daar niet aan af. 

Spoedeisend belang 

4.4.  Het spoedeisend belang staat, hoewel dit door CTS wordt betwist, voldoende vast. De gezondheid van de chauffeurs is in het geding en dat acht de voorzieningenrechter in dit geval voldoende. 

De vordering 

4.5.  BBZ en FNV vorderen buitengebruikstelling van de Mercedes Sprinter, die wordt gebruikt voor het openbaar vervoer in de concessie Zuidwest Drenthe per 1 september 2012. BBZ en FNV hebben in dit verband, zoals reeds overwogen eerst CTS preventief collectief aansprakelijk gesteld vanwege de gezondheidsklachten van een aantal chauffeurs van CTS. Daarnaast hebben zij de Inspectie terzake geïnformeerd. 
BBZ en FNV baseren de vordering op het bepaalde in artikel 7:658, eerste lid 1 BW, de zorgverplichting van de werkgever, alsmede op de overtreding van CTS van het bepaalde in de Arbeidsomstandighedenregelgeving, meer in het bijzonder de artikelen 5.2 en 5.4 van het Arbobesluit. BBZ en FNV hebben hun vordering onderbouwd met een deskundigenrapport van drs. M. Schooneveldt, die concludeert dat CTS geen adequaat arbeidsomstandighedenbeleid voert, zoals bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet. BBZ en FNV stellen verder dat de maatregelen die CTS treft onvoldoende zijn, nu - kort gezegd - de nieuw geplaatste stoelen niet aan de eisen van de Inspectie voldoen, aan de buscabines nog niets is gewijzigd, de maatregel met betrekking tot de betaaltafel geen verbetering inhoudt en de rijinstructie niet is gegeven. BBZ en FNV menen verder dat de door de Inspectie opgelegde eisen kwalitatief minimaal en onvoldoende zijn om de gezondheidsschade van de chauffeurs te beperken, zodat buitengebruikstellen van de bussen de enige oplossing is. 

4.6.  De voorzieningenrechter overweegt dat CTS de vordering gemotiveerd heeft betwist. CTS heeft in dit verband aangeven dat niet gesproken kan worden van een onafhankelijk deskundigenrapport. 
CTS heeft aangevoerd dat zij bezig is maatregelen te treffen om aan de inmiddels door de Inspectie opgelegde eisen te voldoen. CTS voert verder aan dat zij reeds op voorhand een aantal maatregelen heeft doorgevoerd, zoals aanpassing van de spiegel, verplaatsing van de noodknop. Verder heeft zij op aanwijzing van de Inspectie, een aantal maatregelen doorgevoerd, te weten plaatsing van nieuwe stoelen (de chauffeurs kunnen kiezen uit twee stoelen), afhankelijk van een definitieve keuze van de stoel zal de cabine daar waar nodig worden aangepast, de betaaltafel is aangepast en alle chauffeurs hebben een rij-instructie gekregen. CTS heeft deze maatregelen zoveel als mogelijk voor de door de Inspectie gestelde termijn van 1 juli 2012 doorgevoerd. De plaatsing van de nieuwe stoel is afhankelijk van de keuze van de chauffeurs en zal na die keuze definitief worden geplaatst met aanpassing van de cabine, indien nodig. 
Van belang is verder dat Inspectie, bij navraag, heeft aangegeven dat zij niet op korte termijn tot hercontrole zal overgaan. 

4.7.  De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt voor de beoordeling dat CTS onweersproken heeft gesteld dat zij voor wat betreft de onderhavige concessie gebonden is aan het feit dat zij gebruik dient te maken van bussen van 7 meter, zoals de in het geding zijnde Mercedes Sprinter. 
Tussen partijen is niet in geschil dat grotere bussen voor zowel de chauffeurs als de passagiers meer comfort bieden. 
Uit de overgelegde correspondentie maakt de voorzieningenrechter op dat CTS vanwege de gezondheidsklachten en de arbeidsomstandigheden van de chauffeurs op dit punt wel in gesprek is (geweest) met de betreffende gemeenten over de bestekseisen, in die zin dat met grotere bussen zou mogen worden gereden, maar dat dit tot op heden zonder resultaat is gebleven. 

4.8.  De voorzieningenrechter overweegt dat uit de gewisselde standpunten en stukken blijkt dat CTS, wellicht niet altijd met de nodige voortvarendheid, maatregelen heeft getroffen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden en ter voorkoming van gezondheidsklachten van haar chauffeurs, maar dat wel is gebleken dat zij de eisen die de Inspectie haar in dat verband heeft opgelegd thans opvolgt; daartoe voldoende inspanningen betracht. 
Uit overgelegde correspondentie blijkt verder dat CTS haar OR en chauffeurs betrekt bij bijvoorbeeld de keuze voor een passende stoel en daarna inventariseert welke stoel de voorkeur heeft. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het niet doenlijk is een stoel te kiezen die voor iedere chauffeur even passend is. Ook is gebleken dat CTS aanpassingen aan de betaaltafel heeft gedaan. 
Connexxion heeft voorts toegezegd dat zij de cabine, zodra de definitieve keuze voor de stoel is gemaakt, zal aanpassen, waardoor er meer ruimte voor de chauffeurs zal ontstaan. Dat met de nieuwe stoel niet alle gezondheidsklachten kunnen worden voorkomen - dit staat vooralsnog niet vast - houdt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verband met het feit dat Connexxion gehouden is voor de concessie gebruik te maken van de kleinere bussen, die zoals overwogen minder comfort bieden dan de grotere bussen. 

4.9.  Op basis van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat CTS voldoet aan haar in artikel 7:658, eerste lid BW opgelegde zorgverplichting als werkgever, als ook aan het bepaalde in de Arbeidsomstandighedenregelgeving. 
De voorzieningenrechter concludeert in dat verband dat de vordering tot buitengebruikstelling van de Mercedes Sprinter als een te verstrekkende ordemaatregel thans niet aan de orde kan zijn. 
Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in aanmerking dat BBZ en FNV de gestelde gezondheidsklachten van de chauffeurs niet nader met stukken hebben onderbouwd. 
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn het beleid en de inspanningen van CTS er thans in voldoende mate op gericht om ziekte van de chauffeurs zoveel mogelijk te voorkomen. 

4.10.  De voorzieningenrechter concludeert derhalve tot afwijzing van de vordering.  LJN BX2051