Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Amsterdam 020513 schade en aansprakelijkheid vereisen bewijslevering door deskundigenbericht en/of getuigenverhoor; afwijzing verzoek

Rb Amsterdam 020513 schade en aansprakelijkheid vereisen bewijslevering door deskundigenbericht en/of getuigenverhoor; afwijzing verzoek;
- kosten begroot, niet toegewezen op € 8.536,77 29,5 uur x 220,00 (2012) respectievelijk € 230,00 (2013)

4.  De beoordeling 
4.1.  Een deelgeschil is een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij of zij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w lid 1 Rv). 

4.2.  Het eerste verzoek van [A], dat er in essentie toe strekt dat in een deelgeschilprocedure wordt vastgesteld dat Regiopolitie jegens [A] aansprakelijk is voor de door hem geleden schade, valt in beginsel binnen de beschrijving van artikel 1019w Rv. Immers, indien zou worden vastgesteld dat Regiopolitie aansprakelijk is, kunnen partijen verder onderhandelen over de omvang van de schade. De enkele stelling van Regiopolitie dat “partijen vermoedelijk niet zullen afspreken akkoord te gaan met een beslissing omtrent de aansprakelijkheid” kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat honorering van dat standpunt de deelgeschilregeling illusoir zou maken. Het eerste verzoek van [A] leent zich dan ook voor behandeling in een deelgeschilprocedure. 

4.3.  Aldus zal de rechtbank het verzoek van [A] om te bepalen dat Regiopolitie aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen die voor [A] zijn voortgevloeid uit zijn inschakeling bij de afhandeling van een suïcide in de nacht van 30 april op 1 mei 2010 thans inhoudelijk beoordelen. 

4.4.  Partijen zijn op verschillende belangrijke punten verdeeld. Ten aanzien van de feitelijke toedracht van de gebeurtenissen in bedoelde nacht lopen de lezingen in het verzoekschrift en het verweerschrift sterk uiteen, bijvoorbeeld over de vragen of [A] eerder in deze nacht al bijstand had verricht bij de afhandeling van een ernstig ongeval; welke informatie [A] vooraf heeft gekregen van de medewerkers van Team Transport over het suïcide-incident en de aldaar te verrichten werkzaamheden en welke werkzaamheden bij de locatie van de suïcide daadwerkelijk zijn verricht en op welke wijze en hoe lang [A] daarbij met het stoffelijk overschot is geconfronteerd. 
Aan partijen is de gelegenheid geboden de door [A] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling weergegeven toedracht van de betreffende gebeurtenis met de betrokken personen te bespreken, hetgeen de op schrift gestelde verklaringen heeft opgeleverd, waarover partijen nog altijd verdeeld zijn. Ten aanzien van de feitelijke toedracht bestaan er tussen partijen dan ook nog altijd relevante geschilpunten. 
Een ander geschilpunt ziet op de vraag wat van de Regiopolitie uit hoofde van de zorgplicht had mogen worden verwacht. Voorts is - gelet op het eerdere verkeersongeval en het latere dienstongeval - in geschil of er sprake is van schade die oorzakelijk aan de door [A] gestelde gebeurtenissen in de nacht van 30 april op 1 mei 2010 kan worden toegerekend. 

4.5.  De rechtbank stelt voorop dat de aanspraak van [A], wiens verhouding met de Regiopolitie is gebaseerd op een ambtelijke aanstelling, dient te worden beoordeeld met analoge toepassing van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Niet is immers in geschil dat [A] heeft gekozen voor de civielrechtelijke weg en niet om een besluit heeft verzocht ten aanzien van de aansprakelijkheidskwestie en de schade die thans hier aan de orde is. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel is de werkgever in beginsel jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De werknemer dient conform de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Indien de werknemer in die bewijslevering slaagt, dan is de werkgever aansprakelijk voor die schade, tenzij de werkgever bewijst dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan wel dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan opzet of bewuste roekeloosheid. 

4.6.  Uit vorenstaande volgt dat het onder 4.3 bedoelde verzoek slechts kan worden toegewezen indien in elk geval op twee geschilpunten in het voordeel van [A] wordt beslist: ten aanzien van de schade en ten aanzien van de zorgplicht. 

4.7.  [A] heeft gesteld dat hij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat Regiopolitie die stelling voldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat op basis van de informatie die de rechtbank thans tot haar beschikking heeft, (nog) niet kan worden vastgesteld dat [A] in de uitvoering van zijn werkzaamheden in de nacht van 30 april op 1 mei 2010 schade heeft geleden. Het gaat het bestek van de deelgeschilprocedure te buiten om [A] in de gelegenheid te stellen zijn stellingen op dit punt nader te bewijzen. Daartoe zou de benoeming van een deskundige immers in de rede liggen. Daarnaast zou, ter beslechting van het geschil ten aanzien van de zorgplicht, eveneens (nadere) bewijslevering noodzakelijk zijn, zoals het horen van getuigen onder ede, temeer nu de rechtbank de zaak op verzoek van partijen na de mondelinge behandeling al eenmaal heeft aangehouden en de door de medewerkers van Regiopolitie en [A] gegeven beschrijvingen van de feitelijke toedracht in de nacht van 30 april op 1 mei 2010 op een groot aantal punten verschilt. 

4.8.  De slotsom is dan ook dat het verzoek van [A] zich niet leent voor afdoening binnen de kaders van dit deelgeschil. De rechtbank zal het verzoek van [A] om te bepalen dat Regiopolitie aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen die voor [A] zijn voortgevloeid uit zijn inschakeling bij de afhandeling van een suïcide in de nacht van 30 april op 1 mei 2010 dan ook afwijzen. 

4.9.  Het verzoek van [A] dat ertoe strekt dat Regiopolitie wordt veroordeeld een voorschot te betalen van € 5.000,00 zal eveneens worden afgewezen. Afgezien van de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat het uitblijven van een voorschot in verband met het gebeurde in de nacht van 30 april op 1 mei 2010 op zichzelf aanleiding is geweest voor het vastlopen van onderhandelingen tussen partijen, kan naar het oordeel van de rechtbank van Regiopolitie in deze fase niet gevergd worden dat zij ter zake de gebeurtenissen in de nacht van 30 april op 1 mei 2010 een voorschot aan [A] verstrekt. Er bestaat immers (nog) geen duidelijkheid over de schade en evenmin staat vast dat Regiopolitie voor deze schade aansprakelijk is. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat de stellingen van [A] aanleiding geven om te concluderen dat het in deze procedure verzochte voorschot in elk geval niet louter betrekking heeft op de schade die [A] stelt te hebben geleden tengevolge van de gebeurtenissen in de nacht van 30 april op 1 mei 2010. Dit alles in aanmerking nemend zal ook het tweede verzoek van [A] worden afgewezen. 

4.10.  Ofschoon de rechtbank de verzoeken van [A] in deze procedure afwijst, volgt zij Regiopolitie niet in haar stelling dat het onderhavige deelgeschil door [A] onnodig aanhangig is gemaakt, noch dat sprake is van misbruik van procesrecht. Het enkele feit dat nog geen duidelijkheid bestaat over de schade en de aansprakelijkheid van Regiopolitie is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal de kosten van de deelgeschilprocedure dan ook begroten. [A] begroot zijn kosten van rechtsbijstand op € 7.055,18 exclusief btw (€ 8.536,77 inclusief btw). Regiopolitie acht het aantal door de raadsman van [A] aan de zaak bestede uren excessief en vindt het gehanteerde uurtarief bovendien onaanvaardbaar. De rechtbank volgt Regiopolitie daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het aantal uren dat volgens [A] door zijn raadsman aan de zaak is besteed (29,5) niet bovenmatig. Ook het door de raadsman van [A] gehanteerde uurtarief van € 220,00 (in 2012) respectievelijk € 230,00 (in 2013) acht de rechtbank redelijk. De rechtbank begroot de kosten overeenkomstig het verzoek dan ook op € 8.536,77 inclusief btw. LJN CA1402