Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Amsterdam 260712 vraag of vso (met voorbehoud) tot stand is gekomen valt niet binnen reikwijdte van de wet deelgeschillen

Rb Amsterdam 260712 
- vraag of vso (met voorbehoud) tot stand is gekomen valt niet binnen reikwijdte van de wet deelgeschillen;
- verzoek, ondanks machtiging kantonrechter, volstrekt onterecht en onnodig ingediend

2.  De feiten 
2.1.  Op 15 mei 1998 heeft zich een verkeersongeval voorgedaan als gevolg waarvan [C] (hierna: [C]), geboren op [1980], ernstig (hersen)letsel heeft opgelopen. Bij het verkeersongeval waren naast [C] als fietser betrokken: [D] (hierna: [D]) als bestuurder van een bromfiets en [E] (hierna: [E]) als bestuurder van een auto. 

2.2.  [D] was voor het risico van zijn aansprakelijkheid verzekerd bij (de rechtsvoorganger van) London en [E] bij (de rechtsvoorganger van) ASR. 

2.3.  Bij beschikking van 7 oktober 1999 heeft de kantonrechter te Leeuwarden het vermogen van [C] onder bewind gesteld en haar ouders, [A] c.s., tot bewindvoerder benoemd. 

2.4.  [C] woont sinds 2006 in een Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) instelling en is aangewezen op de hulp van derden. 

2.5.  [A] c.s. heeft de verzekeraars aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. De verzekeraars hebben aansprakelijkheid erkend, met dien verstande dat de gehoudenheid van verzekeraars beperkt is tot het maximale bedrag van de door hen aan hun verzekeringnemers afgegeven WAM-polissen, zoals die golden ten tijde van het ongeval. London heeft op grond van de voor verzekeraars geldende bedrijfsregeling 7 de schaderegeling ter hand genomen. 

2.6.  Op 4 juli 2011 heeft [A] c.s. een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam met het verzoek om te beslissen over een deelgeschil – kort gezegd – teneinde de uitgangspunten voor begroting van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen en de omvang van de immateriële schade van [C] vast te laten stellen. Nadat op 
24 oktober 2011 een mondelinge behandeling was bepaald, hebben de verzekeraars te kennen gegeven de buitengerechtelijke onderhandelingen te willen hervatten. [A] c.s. heeft hierop het verzoekschrift ingetrokken. 

2.7.  Op 26 oktober 2011 heeft een bespreking plaatsgevonden waarbij [A] c.s. en haar advocaat mr. Wytema en de door de verzekeraars geïnstrueerde schaderegelaar de heer [F] van [X] Personenschade (hierna: [F]) aanwezig waren. 

2.8.  Per e-mail van 28 oktober 2011 heeft mr. Wytema aan [F] bericht, voor zover thans relevant: 
“(…) 
Cliënten zijn bereid om genoegen te nemen met een slotuitkering door London en/of ASR van € 950.000. Dat bedrag is niet voor onderhandeling vatbaar. (…) 

Daarnaast wordt een voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst opgenomen zoals door ons besproken (nader uit te werken). Voorts maakt deel uit van de regeling een gebruikelijke belastinggarantie (nader uit te werken) en de BGK 2011 (…)” 

2.9.  Per e-mail van 4 november 2011 heeft [F], voor zover hier van belang, aan mr. Wytema bericht: 
“(…) Hoewel mijn opdrachtgevers menen dat er nog wel degelijk aanleiding was om verder te onderhandelen hebben zij besloten in te gaan op het laatst door u geformuleerde aanbod ad 950.000,-- slot. 

Verder kan enkel in dit incidentele geval worden ingestemd met een voorbehoud voor de stelselwijziging AWBZ. De formulering moet overeen worden gekomen. Verder zal dit voorbehoud geen precedentwerking hebben. Tevens zal de vaststellingsovereenkomst een of meer bepalingen bevatten gericht op eventuele regresnemers. 

Binnenkort ontvangt u de vaststellingsovereenkomst. (…)” 

2.10.  Per e-mail van 6 november 2011 heeft mr. Wytema (onder meer) aan [F] bericht: 
“(…) 
Dank voor uw e-mail met goed bericht dat er nu overeenstemming over de slotuitkering is bereikt. (…) 
In uw mail mis ik een opmerking over een belastinggarantie en over de BGK 2011 (…) Ik neem aan dat de belastinggarantie in de VSO wordt opgenomen en dat de BGK conform opgaaf door verzekeraars voldaan zullen worden. Graag ontvang ik daarvan uw bevestiging. (…)” 

2.11.  In reactie hierop heeft [F] per e-mail van 10 november 2011 aan mr. Wytema bericht: 
“(…) 
Mijn opdrachtgevers [rb: de verzekeraars] hebben uw cliënt een bijzonder coulant voorstel gedaan. Alle afspraken die binnen deze regeling worden besproken en in dit kader worden gemaakt hebben geen enkele precedentwerking. 
De afspraken zullen worden opgenomen in een vaststellingsovereenkomst, welke door DLA Piper zal worden opgesteld. 
Deze vaststellingsovereenkomst zal in ieder geval de volgende punten omvatten: 
•  een slotuitkering van EUR 950.000,-; 
•  een voorbehoud voor een eventuele stelselwijziging in de AWBZ; 
•  een voorbehoud jegens regresnemers; 
•  een belastinggarantie; 
•  een regeling ten aanzien van de kosten buiten rechte. 
Mijn opdrachtgevers stellen voor om de BGK op EUR 50.000,- af te ronden. Op dit moment is reeds EUR 47.780,50 aan BGK bevoorschot, nu de deelgeschillenprocedure wordt ingetrokken en deze kosten derhalve kunnen worden gematigd is voornoemd bedrag zeer billijk. 
Kunt u hiermee akkoord gaan? 
Volgende week kunt u het concept van de vaststellingsovereenkomst verwachten, wij zullen daarin tevens de formulering ten aanzien van de AWBZ voor onze rekening nemen. (…)” 

2.12.  Op 9 december 2011 heeft de advocaat van verzekeraars, mr. Endedijk, een concept vaststellingsovereenkomst gestuurd aan mr. Wytema. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald: 
“(…) 
PARTIJEN VERKLAREN ALS VOLGT TE ZIJN OVEREENGEKOMEN: 
(…) 
Artikel 4 
[A] verklaart tegenover de hiervoor genoemde slotbedragen finale kwijting te verlenen aan London en ASR, alsmede aan de verzekerde(n) van London en ASR en wie het verder nog mocht aangaan voor alle schade en kosten, (…). Deze kwijting omvat niet hetgeen in artikel 6 van de Vaststellingsovereenkomst is opgenomen. 

(…) 

Artikel 6 
1.  In afwijking van artikel 4 komen partijen overeen dat bij een verhoging van de eigen bijdrage AWBZ – anders dan door prijsinflatie of prijscompensatie – partijen opnieuw met elkaar in overleg zullen treden over het slotbedrag onder artikel 1 indien en voor zover die eigen bijdrage meer gaat bedragen dan hetgeen – het ongeval weggedacht – [A] op basis van het haar hypothetisch toebedeelde jaarinkomen aan lasten zou hebben gehad. 

2.  Voor voornoemde lasten zullen de Nibud-begroting-cijfers voor eenpersoonshuishoudens als uitgangspunt worden genomen. 

3.  Aanpassing van het slotbedrag kan slechts voor zover dit de verzekerde som van Londen en/of ASR niet te boven gaat. 

(…)” 

2.13.  In reactie hierop heeft mr. Wytema per e-mail van 14 december 2011 aan [F] laten weten op welke punten de vaststellingsovereenkomst moest worden aangepast en heeft hij ten aanzien van het AWBZ voorbehoud de volgende tekst voorgesteld: 
“(lid 1) In afwijking van artikel 4 komen partijen overeen dat indien een voor [C] relevante wijziging (stelselwijziging) van wet en regelgeving in de sociale zekerheid en/of sociale voorzieningen in de toekomst, zal leiden tot (gehele of gedeeltelijke) beëindiging van haar aanspraken op een uitkering, partijen opnieuw met elkaar in overleg zullen treden. London en ASR zijn dan hoofdelijk gebonden om naast het reeds uitgekeerde slotbedrag als vermeld in artikel 1, de schade aan [C] te vergoeden die het gevolg is van die wet (stelsel)wijziging. 

Partijen hebben daarbij in het bijzonder het oog op de (toekomstige) situatie waarin als gevolg van een eventuele stelselwijziging AWBZ [C] eerst haar vermogen zal moeten aanwenden alvorens voor een AWBZ en/of uitkering in aanmerking te komen. 

(lid 2): Partijen komen overeen dat London en/of ASR zich niet zullen beroepen op verjaring ter zake van vorderingsrechten die voortvloeien uit het in artikel 1 genoemde voorbehoud. 

(lid 3): London en/of ASR zijn gehouden tot voldoening van een aanvullende schadevergoeding voor zover dit de verzekerde som niet te boven gaat.” 

2.14.  Bij brief van 23 december 2011 heeft mr. Endedijk, voor zover hier van belang, aan mr. Wytema bericht: 
“(…) Het schijnt mij toe dat wij op alle punten overeenstemming hebben, ook op de additionele buitengerechtelijke kosten ten belope van € 16.000,=. Echter, verzekeraars wensen absoluut niet in te stemmen met het door u formuleerde voorbehoud. Zij wensen niet verder te gaan dan de variant zoals door mij eerder geredigeerd (…)” 

2.15.  Op 2 februari 2012 heeft mr. Endedijk aan mr. Wytema bericht, voor zover hier van belang: 
“(…) 
Kort en goed wordt dus voorgesteld om uit te gaan van een garantie die toeziet op een stelselwijziging van de AWBZ binnen een periode van tien jaren te rekenen vanaf heden, en waarvan de inroeping leidt tot herweging van goede en kwade kansen. (…)” 

2.16.  Bij brief van 2 maart 2012 heeft mr. Wytema, voor zover thans relevant, aan mr. Endedijk bericht: 
“(…) 
Inmiddels heb ik de inhoud van uw brief van 2 februari 2012 met clienten besproken. Zij zullen het door u gedane voorstel ten aanzien van de beperking van de looptijd van het voorbehoud niet accepteren. (…)” 

2.17.  Bij dagvaarding van 27 april 2012 hebben verzekeraars [A] c.s. gedagvaard in een bodemprocedure. Daarin wordt – kort gezegd – door verzekeraars gevorderd voor recht te verklaren dat zij jegens [A] c.s. zullen zijn gekweten na betaling van € 950.000,-- en 
€ 16.000,--. 

2.18.  Op 5 maart 2012 heeft de kantonrechter te Leeuwarden een machtiging verleend voor het voeren van deze deelgeschilprocedure. 

2.19.  Op 4 juni 2012 hebben de verzekeraars EUR 966.000,00 overgemaakt op de derdengeldrekening van het kantoor van mr. Wytema. 

3.  Het deelgeschil 
3.1.  [A] c.s. verzoekt de rechtbank 
a. een oordeel te geven over de formulering van het – in tijd ongelimiteerde – voorbehoud voor een eventuele wijziging van de AWBZ; 
b. te bepalen dat [A] c.s. en de verzekeraars ten aanzien van (1) een slotuitkering van EUR 950.000,-, (2) een voorbehoud voor een eventuele stelselwijziging in de AWBZ, (3) een voorbehoud jegens regresnemers, (4) een belastinggarantie en (5) een regeling ten aanzien van de kosten buiten rechte, volledige overeenstemming hebben bereikt, niettegenstaande de bestaande discussie over de formulering en/of de voorwaarden van het AWBZ voorbehoud; 
c. te bepalen dat verzekeraars, ieder hoofdelijk, de redelijke kosten van rechtsbijstand in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) (als vermeld in productie 17 van [A] c.s.) aan haar verschuldigd zijn; 
d. de verzekeraars te gelasten over te gaan tot het tekenen van de vaststellingsovereenkomst op basis van het concept daarvan; 
e. de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te begroten, met veroordeling van de verzekeraars tot betaling van de toegewezen kosten aan [A] c.s. 

3.2.  [A] c.s. legt – kort gezegd – aan haar verzoek ten grondslag dat partijen (mondeling) bindende afspraken hebben gemaakt betreffende de hiervoor onder 1 t/m 5 genoemde punten. Deze afspraken zijn volgens [A] c.s. ook vastgelegd in de gevoerde e-mailcorrespondentie en de concept vaststellingsovereenkomst. De verzekeraars zijn verplicht om deze tussen partijen gemaakte afspraken na te komen, in het bijzonder de afspraken die zien op het overeengekomen AWBZ voorbehoud, aldus [A] c.s. 

3.3.  De verzekeraars voeren gemotiveerd verweer en voeren allereerst aan dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1019z Rv. Gelet op de principiële aard en omvang van het aanhangig gemaakte deelgeschil is uit te sluiten dat een beslissing op onderhavig verzoek zal bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Verzekeraars zullen namelijk niet berusten in een nadelige beslissing van de deelgeschilrechter. Daarbij wijzen verzekeraars er – kort gezegd – op dat een eventuele nadelige beslissing van de deelgeschilrechter in de onderhavige zaak in processueel opzicht als bindende eindbeslissing heeft te gelden in de inmiddels aanhangig gemaakte bodemprocedure en dat hoger beroep daartegen zal leiden tot vertraging in de afdoening van de bodemprocedure. Het verzochte kan volgens verzekeraars derhalve reeds om procesrechtelijke redenen niet worden gehonoreerd. 
De verzekeraars betwisten voorts dat wilsovereenstemming is bereikt met [A] c.s. over (de tekst van) het AWBZ voorbehoud dan wel dat het vertrouwen is gewekt dat zij akkoord zouden gaan met het AWBZ voorbehoud zoals dat door mr. Wytema namens [A] c.s. in de e-mail van 14 december 2011 is geformuleerd (zie hiervoor onder 2.13). De afspraak was volgens verzekeraars dat partijen het op alle onderdelen eens zouden moeten zijn om wilsovereenstemming over de gehele vaststellingsovereenkomst te bereiken. Verzekeraars voeren in dat kader tevens aan dat een deelgeschil niet geschikt is om nakoming van een beweerdelijk gesloten vaststellingsovereenkomst te vorderen. Daarnaast menen zij dat zij in beginsel niet gehouden kunnen worden tot het verstrekken van een dergelijk AWBZ voorbehoud. De verwachting dat de AWBZ op relevante onderdelen zal gaan wijzigen is immers (te) onbepaald. Bovendien heeft [A] c.s. gekozen voor een begroting van de schade en uitkering van een bedrag ineens, waarbij nu eenmaal goede en kwade kansen zijn ingecalculeerd, hetgeen niet verenigbaar is met het voorgestane (weinig concrete) voorbehoud. De verzekeraars weerspreken dat [F], hun schaderegelaar, enige toezegging zou hebben gedaan betreffende het AWBZ voorbehoud, die verzekeraars zouden moeten nakomen. [F] was niet bevoegd om verzekeraars te binden ter zake enig voorbehoud of andere toezegging en verzekeraars hebben ook niets gedaan op basis waarvan er een gerechtvaardigde schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid zou kunnen worden aangenomen, aldus de verzekeraars. 

4.  De beoordeling 
Lenen de verzoeken zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure? 
4.1.  De rechtbank zal eerst het verweer van de verzekeraars behandelen, samengevat inhoudende dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1019z Rv en dat deze zaak zich dus niet leent voor de deelgeschilprocedure. 

4.2.  Een deelgeschil is een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij of zij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering. De deelgeschilprocedure is dus bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de algehele buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w Rv). Het verzoek van [A] c.s. valt om drie redenen buiten het kader van de wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. 

4.3.  [A] c.s. stelt zich in het onderhavige geval op het standpunt dat tussen partijen reeds een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. [A] meent immers dat partijen reeds overeenstemming hebben bereikt over de hiervoor onder 1 t/m 5 genoemde punten en dat de afspraken die in dat kader zijn gemaakt door de verzekeraars nagekomen behoren te worden. Zoals ter mondelinge behandeling expliciet door [A] c.s. is bevestigd strekt haar verzoek – kort gezegd – dan ook tot nakoming van deze (vermeende) vaststellingsovereenkomst door de verzekeraars. Het door [A] c.s. gepresenteerde geschil is dus van overeenkomstrechtelijke aard. Het enkele feit dat de (vermeende) vaststellingovereenkomst strekt tot beëindiging van een geschil tussen partijen waarbij [A] c.s. de verzekeraars aansprakelijk houdt voor de schade die zij door letsel lijdt, maakt niet dat beantwoording van de vraag of die vaststellingsovereenkomst daadwerkelijk tot stand is gekomen alsnog binnen de reikwijdte van de wet deelgeschillen valt. 

4.4.  Partijen betwisten over en weer wat er gezegd en afgesproken is tijdens de bespreking tussen [A] c.s., mr. Wytema en [F] op 26 oktober 2011. Om vast te kunnen stellen of wel of geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen partijen lijkt, mede gelet op de in dit kader overgelegde correspondentie van na die datum, noodzakelijk dat nader onderzoek verricht dient te worden, al dan niet door het horen van getuigen. Een dergelijk onderzoek valt buiten het bestek van de deelgeschilprocedure. De verzoeken van [A] c.s. zijn ook om die reden niet toewijsbaar. 

4.5.  Ten slotte valt niet in te zien dat de door [A] c.s. gevraagde beslissing er aan zou kunnen bijdragen dat partijen verder kunnen met hun buitengerechtelijke onderhandelingen met als doel een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Indien in dit deelgeschil beslist zou worden dat reeds een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, volgt daaruit automatisch dat verdere onderhandelingen tussen partijen over de inhoud van zo’n overeenkomst overbodig zijn. Het verzoek van [A] c.s. dient er dan ook niet toe een (of meerdere) geschilpunt(en) te beslissen teneinde de buitengerechtelijke onderhandelingen tussen partijen te kunnen hervatten en de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst te bevorderen. 

4.6.  Het verzoek van [A] c.s. om te bepalen dat verzekeraars buitengerechtelijke kosten aan haar verschuldigd zijn, raakt dusdanig aan de kern van hetgeen ingevolge het voorgaande in dit deelgeschil niet beslist kan worden, dat daarover evenmin een oordeel kan worden gegeven. 

4.7.  Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van [A] c.s. afwijzen en behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer. 

De kosten 
4.8.  [A] c.s. verzoekt de rechtbank om de kosten van het deelgeschil als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv te begroten, met veroordeling van verzekeraars tot betaling van deze kosten. Ondanks de afwijzing van het verzoek dient in beginsel op de voet van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten van de behandeling van het verzoek. Daarbij dient de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden. Het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 12). 

4.9.  De verzoeken van [A] c.s. zullen worden afgewezen omdat geen sprake is van een deelgeschil. Deze beslissing lag naar het oordeel van de rechtbank zo voor de hand dat het indienen van het verzoek volstrekt onterecht en onnodig dient te worden geoordeeld. Nu de kosten van de behandeling van het verzoek daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen, kan begroting van deze kosten achterwege blijven. Gelet op het voorgaande is voor een veroordeling van de verzekeraars in de kosten van het deelgeschil geen plaats. 

4.10.  Voor een veroordeling van [A] c.s. in de proceskosten van de verzekeraars is evenmin plaats. Op grond van artikel 1019aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, dat de grondslag vormt voor de proceskostenveroordeling, niet van toepassing. Gesteld noch gebleken is dat het indienen van de onderhavige verzoeken door [A] c.s. jegens de verzekeraars onrechtmatig moet worden geacht en dat zij uit dien hoofde gehouden is schade (proceskosten) te vergoeden. LJN BX4320