Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Rotterdam 290513 na descente oordeelt rb dat vorkheftruckchauffeur aansprakelijk is voor beklemming hand vrachtwagenchauffeur

Rb Rotterdam 290513 na descente oordeelt rb dat vorkheftruckchauffeur aansprakelijk is voor beklemming hand vrachtwagenchauffeur;
50% eigen schuld wegens niet volgen aanwijzingen; na billijkheidscorrectie 100% aansprakelijkheid

Samenvatting Rechtspraak.nl: Voorval op bedrijfsterrein waarbij vrachtwagenchauffeur letsel oploopt, als gevolg waarvan vier vingers moeten worden geamputeerd. Vraag of de werkgeefster van de heftruckchauffeur, die de vrachtwagen van de chauffeur aan het lossen was, aansprakelijk is voor een fout van de heftruckchauffeur. Ter vaststelling van de toedracht wordt tijdens de mondelinge behandeling van het deelgeschil een descente gelast, waarna eindbeschikking is gewezen. Daarin wordt het beschikbare bewijs besproken en aan de hand daarvan de toedracht vastgesteld. Vervolgens wordt beoordeeld of sprake is van een fout van de heftruckchauffeur, of de werkgeefster daarvoor aansprakelijk is en of sprake is van eigen schuld.

Toedracht? 
4.11.  Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de vier vingers van de rechterhand van [Verzoeker] bekneld zijn geraakt tussen de door [betrokkene 1] bestuurde heftruck en de rong van de vrachtwagen, toen [Verzoeker] die rong in de laadvloer van de vrachtwagen aan het plaatsen was (zie de verklaringen van partijgetuige (vgl. artikel 164 Rv) [Verzoeker] onder 4.7.1, 4.9.1 en 4.10.1 en de aanvullende verklaringen van [betrokkene 1] onder 4.9.3 en 4.10.3 en de constateringen van de rechtbank onder 4.10.2). [betrokkene 3], inspecteur bij de Arbeidsinpectie, acht dit ook het meest waarschijnlijk (zie 4.7.4 en 4.10.5). 

4.12.  Vast is komen te staan dat [Verzoeker] niet beklemd is geraakt tussen – of anderszins gewond is geraakt door – een of meer rongen en/of een of meer hekken van de vrachtwagen. Volgens de verklaringen van [betrokkene 2] (zie 4.7.3 en 4.10.4) en van [Verzoeker] (zie 4.10.1) lagen alle rongen (op één na) en de hekken onder, althans in de vrachtwagen. [betrokkene 3], inspecteur bij de Arbeidsinpectie, acht het ook niet waarschijnlijk dat [Verzoeker] beklemd is geraakt tussen of door rongen en/of hekken van de vracht-wagen. (zie 4.7.4 en 4.10.5) 

4.13.  Eveneens is komen vast te staan dat [betrokkene 1] met zijn heftruck achteruit reed toen hij [Verzoeker] raakte (zie de verklaringen van [betrokkene 1] onder 4.7.2 en 4.10.3 en van [betrokkene 2] onder 4.7.3, 4.9.2 en 4.10.4). 

4.14.  Tot slot neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [betrokkene 1], toen hij met (het lossen van) de laatste balen bezig was, over zijn schouder heeft gekeken, dat hij [Verzoeker] toen bij de vierde paal heeft zien staan en dat hij vervolgens achteruit is gaan rijden zonder nog een keer te kijken er vanuit gaande dat de chauffeur stond te wachten bij de vierde paal, omdat hij hem daarvoor daar had zien staan (zie zijn onder 4.10.3 opgenomen verklaring). 

4.15.  Het door [verweerster 1] en Reaal in het geding gebrachte rapport van Crawford, hiervoor onder 4.8 aangehaald, legt tegen het hiervoor besproken bewijs onvoldoende gewicht in de schaal. 

Fout van [betrokkene 1]? 
4.16.  In het licht van de omstandigheden van het geval moet nu worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen treft. Daarbij dient niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, te worden gelet, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. 

4.17.  [betrokkene 1] was een gemotoriseerde verkeersdeelnemer, terwijl [Verzoeker] te voet bij zijn vrachtwagen bezig was. Aldus verkeerde [Verzoeker] in een kwetsbare positie ten opzichte van [betrokkene 1]. 

4.18.  [betrokkene 1] en [Verzoeker] verkeerden uit de aard van hun (samenhangende en elkaar aanvullende) werkzaamheden in elkaars nabijheid. Uit alle verklaringen blijkt immers dat zij in feite als “twee-eenheid” het in de vrachtwagen van [Verzoeker] aanwezige papier uitlaadden. [Verzoeker] maakte daarbij één vak van zijn vrachtwagen open door een rong en het daarop rustende zeil te verwijderen, waarna [betrokkene 1] met de heftruck de lading eruit haalde, waarna de procedure zich bij de volgende rong herhaalde. [betrokkene 1] wist dus dat [Verzoeker] zich in zijn nabijheid bevond, te meer daar hij hem al een aantal malen met handgebaren (elkaars taal spraken zij kennelijk niet) ervoor had gewaarschuwd niet te dicht bij de heftruck te komen, waaraan hij zich volgens de verklaring van [betrokkene 1] niet (steeds) had gehouden. 
4.19.  De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene 1] onoplettend en onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld door achteruit te rijden zonder zich direct daaraan voorafgaand ervan te vergewissen of [Verzoeker], van wie hij wist dat die zich uit hoofde van zijn werkzaamheden nabij de vrachtwagen bevond, zich op een ten opzichte van de heftruck veilige plaats bevond. 

4.20.  [betrokkene 1] diende rekening te houden met de mogelijkheid dat [Verzoeker] de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zou nemen en diende met het oog daarop direct voorafgaand aan het achteruitrijden met de heftruck over zijn schouder te kijken waar [Verzoeker] zich bevond. Dit over de schouder kijken zou voor [betrokkene 1] niet bezwaarlijk zijn geweest, terwijl er – gelet op het in elkaars nabijheid verrichten van werkzaamheden – bij het nalaten daarvan een aanzienlijke kans was dat het tot een aanrijding tussen de heftruck en [Verzoeker] zou komen en dat dat – gegeven het gewicht en de massa van de heftruck – tot ernstige gevolgen voor hem zou kunnen leiden. 

[verweerster 1] aansprakelijk voor fout van [betrokkene 1]? 
4.21.  Vervolgens is het de vraag of [verweerster 1] als werkgeefster aansprakelijk is voor de fout van haar ondergeschikte [betrokkene 1]. Volgens artikel 6:170 BW is voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. 

4.22.  [Verzoeker] stelt voldoende op grond waarvan de kwalitatieve aansprakelijkheid van [verweerster 1] voor de fout van [betrokkene 1] kan worden aangenomen. Het verweer van [verweerster 1] komt erop neer dat zij de door [Verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval – en daarmee de fout van [betrokkene 1] – bestrijdt maar niet dat zij als werkgeefster op de voet van het bepaalde in artikel 6:170 BW aansprakelijk is indien de rechtbank van oordeel is dat [betrokkene 1] een fout heeft gemaakt. Geoordeeld wordt daarom dat [verweerster 1] aansprakelijk is voor de schade uit de door [betrokkene 1] ten opzichte van [Verzoeker] gepleegde onrechtmatige daad. 

Eigen schuld [Verzoeker]? 
4.23.  [verweerster 1] beroept zich op (50%) eigen schuld van [Verzoeker] omdat hem een verwijt valt te maken van het feit dat hij zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen van [betrokkene 1]. [Verzoeker] betwist dat sprake is van eigen schuld. 

4.24.  In artikel 6:101 lid 1 BW is bepaald dat, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. 

4.25.  De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat [Verzoeker] zich – kennelijk in strijd met de eerdere aanwijzingen van [betrokkene 1] door middel van handgebaren om afstand te houden – niet op afstand heeft gehouden, heeft bijgedragen tot de schade en dat die omstandigheid aan [Verzoeker] kan worden toegerekend. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor een andere verdeling, wordt het ervoor gehouden dat zowel [betrokkene 1] als [Verzoeker] voor 50% hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Echter, in dit specifieke geval eist de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten dat de aansprakelijkheid geheel in stand blijft. Daarbij wordt met name in aanmerking genomen dat de (gemotoriseerde) heftruck door zijn gewicht en massa in geval van een aanrijding met een niet gemotoriseerde persoon als [Verzoeker] ernstige (letsel)schade tot gevolg kan hebben. 

Slotoverwegingen 
4.26.  Uit het voorgaande volgt dat [verweerster 1] als werkgeefster volledig aansprakelijk is voor de fout van haar ondergeschikte [betrokkene 1]. In zoverre kan het verzoek worden toegewezen. 
Hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking omdat dit niet zal leiden tot een ander oordeel. 
Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat Reaal naast [verweerster 1] aansprakelijk is, zodat ook in zoverre het verzoek voor toewijzing gereed ligt. 
Bij brieven van 22 respectievelijk 25 maart 2013 hebben de raadslieden van partijen laten weten dat zij overeenstemming hebben bereikt over de kosten van rechtsbijstand in dit deelgeschil en dat de rechtbank daarover geen oordeel behoeft te vellen. LJN CA1271