Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 030718 toepassing omkeringsregel tzv te brede voeg; geen mogelijkheid (tegen)bewijs in deelgeschil

RBGEL 030718 val fietser; aansprakelijkheid voor schade door steigerbuis; toepassing omkeringsregel tzv te brede voeg; geen mogelijkheid (tegen)bewijs in deelgeschil;
- kosten verzocht (18,17 uur × € 150,00 + 26,83 uur × € 352,50) = 45 x € 270,74 + 21%, begroot obv 25 uur

2 De beoordeling

2.1.

Op 8 mei 2015 is [Verzoeker] een eenzijdig verkeersongeval overkomen. Hij fietste toen op een racefiets in noordwestelijke richting op de Waalbrug bij Nijmegen. Destijds werd op de noordelijke oever van de Waal, waar een nevengeul werd gerealiseerd, aan de brug gewerkt. In verband daarmee waren de weg en het fietspad waarop [Verzoeker] fietste daar tijdelijk voor de duur van 2½ jaar omgelegd. De volgende luchtfoto’s geven de situatie van destijds weer.

foto3foto 6

2.2.

Te zien is dat het fietspad, even ten noorden van het +-teken op de linker foto, rechts in detail, een flauwe s-bocht maakt. Het fietspad was daar verlegd naar een aan het brugdek vastgemaakte verbreding en boog vervolgens met de overige rijbanen af in noordoostelijke richting. De situatie ter hoogte van de flauwe s-bocht is door een politiemedewerker, die na het ongeval ter plaatste kwam, als volgt op foto’s vastgelegd, met dien verstande dat de opschriften van de zijde van [Verzoeker] zijn aangebracht.

foto 4foto 5

2.3.

[Verzoeker] is bij het nemen van de bocht van zijn fiets gevallen en met zijn gezicht terechtgekomen op de kopse kant van de schuin omhoog stekende steigerbuis waarmee het hekwerk is gemonteerd, hierboven op de rechterfoto met de bovenste pijl aangegeven. Op de foto’s is ook een zogenoemde dilatatievoeg te zien en als zodanig aangeduid. Het betreft een met een rubberen overbrugging opgevulde kier tussen het oorspronkelijke brugdek en de tijdelijke verbreding, waarmee werking tussen deze twee brugdelen als gevolg van verkeersbelasting en temperatuurverschillen, werd opgevangen. [Verzoeker] heeft onderstaande detailfoto van de voeg in het geding gebracht waarop ook een racefietswiel is te zien, die enigszins in de rubberen overbrugging van de voeg is weggezakt.

foto1 2.4.

[Verzoeker], zelfstandig exploitant van een fietsenwinkel, heeft bij het ongeval, naast een snijwond in de mondhoek, gebroken nekwervels, een gebroken jukbeen, een gebroken kaak en gebitsletsel opgelopen. Hij ervaart na het ongeval cognitieve functiestoornissen zoals een verslechterd geheugen en een verminderde belastbaarheid.

2.5.

De gemeente is de beheerder van de weg waarop het ongeval heeft plaatsgevonden. Achmea is haar schadeverzekeraar.

2.6.

In opdracht van de AVB-verzekeraar van de aannemers van het werk aan de brug heeft Cordaet Personenschade B.V. over het ongeval gerapporteerd. Blijkens haar rapport van 26 november 2015 hebben vertegenwoordigers van de aannemers onder meer verklaard dat de hiervoor bedoelde kier is gedicht met een zogenoemd ACME voegprofiel van rubber van de firma Schrumpf van 3,5 cm breed, dat is bestemd voor gebruik in niet bereden voegen van betonconstructies, en voorts dat een voegovergang normaal gesproken haaks, en in dit geval niet haaks, maar in de lengte, staat op de weg. De breedte van de goot is ongeveer 1 cm, volgens de door Cordaet opgetekende verklaring van de vertegenwoordigers van de aannemers.

2.7.

[Verzoeker] houdt de gemeente aansprakelijk voor zijn schade als gevolg van het ongeval. De gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.8.

In voorschriften van Rijkswaterstaat is ter zake van de eisen voor voegovergangen het volgende vermeld:

5.3

Veiligheid in gebruik en rijcomfort

5.3.1

Maximale spleetbreedte

Voor vervormingen noodzakelijke spleten in het wegdek mogen loodrecht op de spleetrichting niet groter zijn dan de grenzen af te lezen in de onderstaande figuur 2.

foto2

Figuur 2: Maximale spleetbreedte als functie van de hoek tussen spleet en rijrichting

2.9.

Het ter zitting schriftelijk veranderde verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van art. 1019w e.v. Rv,

- voor recht zal verklaren dat de gemeente en Achmea jegens [Verzoeker] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor (de betaling van) de schade die [Verzoeker] lijdt als gevolg van het hem op 8 mei 2015 overkomen ongeval, en de gemeente en Achmea hoofdelijk tot vergoeding van deze schade zal veroordelen,

- de gemeente en Achmea zal veroordelen om bedragen van € 45.000,00 en € 12.380,14 aan [Verzoeker] te betalen, respectievelijk als voorschot op de schadevergoeding en ter zake van buitengerechtelijke kosten voorafgaand aan de onderhavige procedure,

met begroting van de kosten aan de zijde van [Verzoeker] bij de behandeling van dit verzoek en veroordeling van de gemeente en Achmea tot betaling van het aldus begrote bedrag.

2.10.

Aan zijn verzoek legt [Verzoeker] kort gezegd ten grondslag dat het fietspad op 8 mei 2015 ter hoogte van de ongevalslocatie vanwege de dilatatievoeg en de schuin omhoog stekende steigerpijp gebrekkig c.q. gevaarlijk was ingericht. Dit gebrek c.q. gevaar heeft zich gemanifesteerd nu [Verzoeker] met zijn voorwiel in de dilatatievoeg is geraakt en als gevolg daarvan ten val is gekomen met ernstig, door de steigerbuis verergerd, letsel tot gevolg. De gemeente is daarom als wegbeheerder op de voet van art. 6:174 BW, dan wel uit hoofde van onrechtmatige daad, jegens [Verzoeker] aansprakelijk en tot schadevergoeding gehouden, op welke vergoeding [Verzoeker] ook rechtstreeks jegens Achmea aanspraak heeft op de voet van art. 7:954 BW, aldus [Verzoeker].

2.11.

De gemeente en Achmea voeren verweer.

2.12.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij het antwoord op de vraag of het fietspad voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het aan op de — naar objectieve maatstaven te beantwoorden — vraag of deze opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een op art. 6:174 lid 1 BW gebaseerde vordering, rusten in beginsel op de eiser. Zie HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155 overweging 4.4.4. en HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 overweging 3.3. en 3.6.1.

2.13.

Vast staat dat de gemeente ervoor moest zorgen dat het fietspad destijds in goede staat verkeerde, zoals bedoeld in art. 6:174 lid 2 BW. In geschil is in de eerste plaats of het fietspad op 8 mei 2015 vanwege de uitstekende steigerbuis naast dit fietspad en/of vanwege de dilatatievoeg in het wegdek van dit fietspad, niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken opleverde, zoals [Verzoeker] stelt en de gemeente en Achmea betwisten. In dit verband geldt het volgende.

2.14.

Niet in geschil is dat de uitstekende steigerpijp, als onderdeel van het van borden voorziene hek waarmee het fietsverkeer door de s-bocht werd geleid, tot de weguitrusting behoorde in de zin van art. 6:174 lid 6 BW en dus onderdeel uitmaakte van het fietspad dat op ondeugdelijkheid moet worden getoetst. Voorop staat dat het enkele feit dat [Verzoeker] ernstige letselschade heeft opgelopen omdat hij op de pijp is gevallen, niet betekent dat het fietspad gebrekkig was. Het komt aan op een beoordeling van de situatie, los van de verwezenlijking van een gevaar. In dat verband is het volgende van belang.

2.15.

De ijzeren steigerpijp was onderdeel van de constructie waarmee het hek overeind werd gehouden. Juist op de hoek waarlangs het fietsverkeer ging stak de pijp uit, schuin omhoog in de richting van de naderende fietsers, zonder dat de dunne rand aan de kopse kant van de buis was beveiligd. Uit de linker foto onder 2.2. waarop ook een motorfiets is te zien die als referentie kan dienen, wordt duidelijk dat de pijp uitsteekt ongeveer ter hoogte van het hoofd van de wat langere personen onder deze fietsers. Het hekwerk staat iets af van het voor het fietsverkeer bestemde wegdek, zoals de gemeente en Achmea opwerpen. Niettemin is bepaald niet denkbeeldig dat een fietser die het hek niet tijdig opmerkt, de bocht verkeerd inschat of om een andere reden, bijvoorbeeld door verkeersfouten van anderen, ter hoogte van het hek ten val komt, zich juist aan de uitstekende steigerpijp extra zal bezeren. Zeker nu de gemeente ermee heeft te rekenen dat deze fietsers niet steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten (HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547). Bovendien kunnen het ijzeren pijpje dat, en de witte verhoging die even voor de hoek onbeveiligd uit het wegdek omhoog steken, ongelukkig weggebruik in de hand werken. Een waarschuwing voor het gevaar van de uitstekende steigerpijp ontbreekt.

2.16.

Van belang is voorts dat het fietspad, ook volgens de gemeente, gedurende 2½ jaar druk werd bereden. Hoewel de kans op een ongeluk zoals hierboven is geschetst wellicht niet zo groot is, is die kans, gegeven de vele personen en zaken die aan deze kans werden blootgesteld, niet zo onbeduidend dat de gemeente ter voorkoming van dit gevaar geen maatregelen hoefde te treffen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat dergelijke maatregelen niet te kostbaar of onmogelijk waren. Het hek had eenvoudig op minder gevaarlijke wijze aan het wegdek verankerd kunnen worden, bijvoorbeeld door een steigerpijp aan de bovenkant van het hek te monteren of achter het hek schuil te laten gaan, of daarvoor ander bevestigingsmateriaal te gebruiken zonder uitstekende delen op hoofdhoogte. De gemeente heeft dus niet het nodige gedaan ter voorkoming van gevaar voor personen en zaken, terwijl dat wel van haar kon worden gevergd. Geconcludeerd wordt dat het fietspad, vanwege de uit het hek stekende steigerpijp en het gevaar dat dit voor passerende fietsers opleverde, niet voldeed aan de eisen die eraan gesteld mochten worden. Vast staat dat dit gevaar zich hier heeft verwezenlijkt. De gemeente is dan ook aansprakelijk voor de schade die [Verzoeker] lijdt als gevolg van het belanden op de kopse kant van de steigerbuis. [Verzoeker] verzoekt echter voor recht te verklaren dat de gemeente aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ongeval. Dat is niet hetzelfde. Ook afgezien van schade veroorzaakt door de uitstekende buis zou [Verzoeker] immers door de val van zijn fiets schade hebben geleden. Deze schade komt in beginsel voor zijn eigen rekening. Volgens [Verzoeker] is de gemeente echter ook voor laatstbedoelde schade aansprakelijk omdat het fietspad vanwege de dilatatievoeg in het wegdek gebrekkig en gevaarlijk was en hij over deze voeg is gevallen. Voor een beslissing op het verzoek dient dus ook deze feitelijke grondslag te worden beoordeeld. In dat verband is het volgende van belang.

2.17.

Niet in geschil is, zo heeft de rechtbank ter zitting geconstateerd, dat een fietspad met een dilatatievoeg in het wegdek die niet voldoet aan de in 2.8. bedoelde veiligheidseisen voor voegovergangen van Rijkswaterstaat, niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan het fietspad mocht stellen en daardoor gevaar oplevert voor personen en zaken. Volgens [Verzoeker] liep de dilatatievoeg vrijwel parallel aan de rijrichting van de fietsers. De gemeente en Achmea hebben dit betwist. Zij hebben deze betwisting toegelicht door op de luchtfoto (punt 2.1., rechterfoto) met een geodriehoek de hoek te meten tussen de rijrichting en de voeg, welke hoek volgens hen vrijwel haaks is want 65°. Bij deze hoek mag de kier volgens Rijkswaterstaat ten hoogste acht cm breed zijn. De kier in het fietspad was minder breed. De dilatatievoeg maakte het fietspad dus niet gebrekkig, aldus de gemeente en Achmea. Zij hebben echter niet de hoek gemeten tussen de rijrichting en de voeg, maar de hoek tussen de rijrichting en de as van de voegovergang. Bij een juiste meting ‒ basis van de geodriehoek langs de voeg leggen, met het nulpunt in het midden van het fietspad en dan bij de rijrichting de hoek tot deze basis aflezen ‒ is de hoek 25° (≈ 90° – 65°). Bij deze hoek is op wegen met fietsverkeer zoals het onderhavige fietspad, de maximaal toegestane breedte van de kier drie centimeter. Rekening houdend, zoals ook de gemeente moest doen, met (race)fietsers die op een fietspad met eenrichtingsverkeer een flauwe s-bocht enigszins zullen afsnijden en aldus niet de theoretische rijrichting, maar een scherpere lijn zullen volgen, zoals de weginrichting ook toelaat, zal de hoek tussen de kier en de rijrichting kleiner zijn dan 25°, en ongeveer 15° à 20° zijn. Bij een dergelijke hoek past een maximale spleetbreedte van 2 cm. De kier was breder, ook als in aanmerking wordt genomen dat de kier was gevuld met een rubberen voeg. De door [Verzoeker] overgelegd foto’s laten namelijk zien dat de band van zijn racefiets, die 2,3 cm breed is, kan wegzakken in de betreffende rubberen overbrugging, die overigens volgens de leverancier voor gebruik in een niet bereden voeg is bedoeld. Aldus is een voegovergang toegepast die niet voldeed aan de veiligheidseisen van Rijkswaterstaat. Het fietspad voldeed vanwege deze gebrekkige voegovergang niet aan de daaraan te stellen eisen is vormde daardoor een gevaar voor personen en zaken, juist ter hoogte van de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de rechtbank nog het volgende in aanmerking.

2.18.

De gemeente en Achmea hebben aangedragen dat het fietsverkeer tijdig met een verkeersbord voor de s-bocht is gewaarschuwd. Volgens [Verzoeker] stond een dergelijk waarschuwingsbord er niet. Echter, ook indien ervan wordt uitgegaan dat het fietsverkeer met een verkeersbord voor een naderende s-bocht werd gewaarschuwd vormt dit nog geen afdoende waarschuwing voor het specifieke gevaar dat de voegovergang opleverde. Het hier relevante gevaar is immers niet dat de weg een bocht maakt, maar specifiek dat in die bocht een groef in de weg zit waarin een fietswiel kan wegzakken, als gevolg waarvan de fietser ten val kan komen. Niet valt te verwachten dat een algemene waarschuwing voor een bocht zal leiden tot rijgedrag waardoor dit bijzondere gevaar wordt vermeden. (Vergelijk HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4224, NJ 2005/105.) In het midden kan dan blijven of het waarschuwingsbord er heeft gestaan. Het gevaar had wel vermeden kunnen worden door, of een voegovergang toe te passen die bedoeld was voor gebruik in een bereden voeg, of door de bocht in het fietspad met hekwerk zo in te richten dat fietsers gedwongen zouden zijn geweest de voegovergang in een rechtere, veilige hoek te nemen. Dit zou een wel adequate veiligheidsmaatregel zijn geweest, die bovendien tegen aanvaardbare kosten te realiseren zou zijn geweest, in aanmerking genomen dat het fietspad gedurende ongeveer 2½ jaar omgelegd is geweest.

2.19.

Voor de verlangde verklaring voor recht op de voet van art. 6:174 BW is verder noodzakelijk dat komt vast te staan dat het hiervoor bedoelde gevaar zich in dit geval heeft verwezenlijkt. Concreet is dan de vraag of [Verzoeker] daadwerkelijk met het voorwiel van zijn fiets in de dilatatievoeg is gezakt, daardoor uit balans is geraakt en is gevallen, zoals [Verzoeker] met onder meer een beroep op de omkeringsregel stelt en de gemeente en Achmea betwisten. In dit verband is het volgende van belang, bezien tegen de achtergrond van HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1890, NJ 2009/28.

2.20.

Voor toepassing van de omkeringsregel is in de eerste plaats vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade. In dit geval is een verkeers- en veiligheidsnorm geschonden die beoogt fietsers specifiek ertegen te beschermen dat zij in een voegovergang in het wegdek rijden, de macht over het stuur verliezen en ten val komen, met schade tot gevolg. Toepassing van de omkeringsregel zou dus op zijn plaats kunnen zijn.

2.21.

Verder is vereist dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. Dit brengt in dit geval mee dat verzoeker, die stelt dat hij als gevolg van een ongeval op het fietspad schade heeft geleden en ten aanzien van het causaal verband tussen dat ongeval en de eerder vastgestelde gevaarlijke toestand van het fietspad een beroep doet op de omkeringsregel, over de toedracht van het ongeval feiten zal dienen te stellen en zonodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat het uit die toestand voortvloeiende gevaar zich heeft verwezenlijkt, zonder dat nodig is dat hij ook de precieze toedracht van het ongeval aannemelijk maakt.

2.22.

Vast staat dat [Verzoeker] van zijn fiets is gevallen, vlak na de gebrekkige voegovergang. [Verzoeker] heeft aan de hand van foto’s aannemelijk gemaakt dat het voorwiel van zijn racefiets daadwerkelijk en in wezenlijke mate in de voeg kon wegzakken. Ter zitting heeft [Verzoeker] onweersproken verklaard dat hij zich van het ongeval kan herinneren dat bijsturen onmogelijk was geworden. Dit past bij de door hem gestelde toedracht. Een andere dan de door [Verzoeker] gestelde oorzaak voor het niet meer kunnen bijsturen hebben de gemeente en Achmea niet aangedragen. Vast staat dat er geen andere weggebruikers in zijn directe nabijheid waren toen [Verzoeker] viel. [Verzoeker] heeft aldus aannemelijk gemaakt dat het gevaar van de gebrekkige voegovergang zich in zijn geval heeft verwezenlijkt. Dit rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv, in die zin dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio-sine-qua-non-verband) tussen het gebrek in de voegovergang van het fietspad en het ontstaan van de schade van [Verzoeker] wordt aangenomen, tenzij de gemeente en Achmea bewijzen — waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maken — dat deze schade, zoals zij stellen, ook zonder het gebrek in de voegovergang van het fietspad zou zijn ontstaan.

2.23.

Voordat inhoudelijk op de verzoeken kan worden beslist zullen de gemeente en Achmea derhalve tot tegenbewijslevering moeten worden toegelaten. De investering in tijd en geld die met deze nadere instructie, hoogstwaarschijnlijk in de vorm van een deskundigenbericht of getuigenverhoren gepaard zal gaan weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van de vordering ten gronde en de bijdrage die een beslissing kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. De verzoeken, de verzochte verklaring voor recht en de daarvan afhankelijke verzoeken om veroordelingen tot schadevergoeding, zullen dan ook worden afgewezen op de voet van art. 1019z Rv.

2.24.

Ter zake van de verzochte veroordelingen is daarbij nog het volgende van belang. De gemeente is weliswaar aansprakelijk geoordeeld voor de schade als gevolg van het terechtkomen op de steigerpijp, maar thans bestaat onvoldoende inzicht in de te vergoeden schade die specifiek hiervan het gevolg is. Enerzijds omdat de totale schade nog onvoldoende in kaart is gebracht en [Verzoeker] niet heeft aangegeven welk gedeelte daarvan aan de steigerpijp is toe te rekenen, en anderzijds omdat deze aansprakelijkheidsgrondslag de oorzaak van de val open laat, aldus wezenlijke ruimte latend voor het aannemen van eigen schuld en dus beperking van de vergoedingsplicht, waarop de gemeente en Achmea zich hebben beroepen. Bij deze stand van zaken is het bepalen van een voorschot op de schadevergoeding of het bepalen van de hoogte van een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten niet goed mogelijk.

2.25.

Het voorgaande geldt ook indien de verzoeken worden beoordeeld op basis van de subsidiair opgevoerde grondslag onrechtmatige daad. Ook aan de hand van de maatstaf van HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136, kan zonder gelegenheid voor (tegen)bewijslevering niet tot een inhoudelijke beslissing op de verzoeken worden gekomen.

2.26.

Wat betreft de kosten van [Verzoeker] bij de behandeling van de verzoeken geldt het volgende. Uit punt 75 van het verzoekschrift, gelezen in samenhang met productie 5 bij dat verzoekschrift, leidt de rechtbank af dat [Verzoeker] werkzaamheden van zijn advocaat vanaf 1 september 2017 begroot wenst te zien, te weten 45 uur tegen een tarief van € 352,50 per uur, exclusief 21% btw. En verder een bedrag van € 287,00 aan griffierecht. In totaal dus een bedrag van € 19.480,62. De gemeente en Achmea hebben de redelijkheid van zowel het uurtarief als de hoeveelheid bestede uren gemotiveerd betwist.

2.27.

Ter zitting heeft [Verzoeker] erkend dat de uren van een medewerker van zijn advocaat abusievelijk ten onrechte tegen advocatentarief in rekening zijn gebracht. Het gaat om 18 uur en 10 minuten aan werkzaamheden. Deze uren zullen tegen een tarief van € 150,00 exclusief btw worden begroot, zoals de gemeente en Achmea onbetwist hebben opgeworpen en de rechtbank nog redelijk voorkomt. Indien de overige uren zouden worden begroot tegen een tarief van € 352,50 ontstaat een gewogen gemiddeld uurtarief van € 270,74, exclusief btw (18,17 uur × € 150,00 + 26,83 uur × € 352,50) / 45 = € 270,74). Dat is een hoog tarief maar in deze zaak niet onredelijk hoog, met dien verstande dat het hanteren van een dergelijk tarief de verwachting wekt dat de zaak efficiënt wordt behandeld. Daarbij past in deze zaak niet het besteden van 45 uur aan werkzaamheden, maar van hooguit 25 uur, inclusief de zitting en de voorbereiding daarvan. Vermeerderd met btw en met € 883,00 aan griffierecht (het van [Verzoeker] al geheven griffierecht ad € 287,00 zal, gelet op de verzochte voorschotten, tot dit bedrag worden verhoogd) worden de kosten dan begroot op een bedrag van € 9.072,89 (25 uur × € 270,74 + 21% btw + € 883,00 griffierecht = € 9.072,89). Voor een veroordeling van de gemeente en Achmea in de aldus begrote kosten bestaat geen aanleiding omdat de omvang van aansprakelijkheid respectievelijk vergoedingsplicht onvoldoende vast staan. Verwezen zij naar overweging 2.24. Aan eventuele consequenties van het eigen schuldverweer van de gemeente en Achmea voor de hoogte van een dergelijke veroordeling komt de rechtbank evenmin toe. ECLI:NL:RBGEL:2018:3271