Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 300318 geschilpunten, van zodanige aard dat geen sprake is van een deelgeschil, maar van een (vrijwel) compleet geschil

RBLIM 300318 geschilpunten, van zodanige aard dat geen sprake is van een deelgeschil, maar van een (vrijwel) compleet geschil
- deelgeschilprocedure volstrekt onnodig en onterecht ingesteld

2 De feiten
2.1.
[verzoeker] is op 28 september 2013, rijdend op een motor, aangereden door een personenauto die werd bestuurd door een bij Allianz verzekerde bestuurder.

2.2.
Allianz heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.3.
Ten tijde van het ongeval exploiteerde [verzoeker] een eenmanszaak genaamd 
[handelsnaam] .

2.4.
Naar aanleiding van het ongeval zijn ter vaststelling van het letsel en de daaruit volgende inkomensschade, een vijftal expertises opgesteld te weten:
1. een arbeidsdeskundige expertise door bureau Heling & Partners;
2. een arbeidsdeskundige expertise door bureau Terzet;
3. een bedrijfseconomische expertise door bureau Dalen & Van der Eijk;
4. een orthopedische expertise door bureau Devimed Orthopedische Expertises;
5. een rekenkundige expertise door bureau Laumen Expertise.

2.5.
Partijen hebben samen Heling & Partners opdracht gegeven de re-integratiemogelijkheden van [verzoeker] te onderzoeken. Dat bureau heeft op 24 maart 2016 en 21 april 2017 gerapporteerd. Daarvan maakt deel uit een deelrapportage van Adelante van 9 juni 2016 betreffende het capaciteitenniveau van [verzoeker] , zijn psychische belastbaarheid en de persoonskenmerken die van invloed zijn op zijn werk. Voorts is in die rapportage onderzocht welke mogelijkheden in relatie tot arbeid aansluiten bij de capaciteiten, interesses en persoonskenmerken van [verzoeker] en ten slotte of scholing noodzakelijk of gewenst is, en, zo ja, welke opleidingen aansluiten bij de capaciteiten van [verzoeker] .

2.5.1.
Uit het rapport van Heling & Partners blijkt dat de gevolgen van het ongeval voor [verzoeker] dusdanig zijn dat werken in de bouw voor hem niet langer realistisch is en hij niet meer de ambitie heeft in de bouw werkzaam te zijn. Ook de door [verzoeker] geambieerde functie van kapper is volgens de opsteller van het rapport op basis van de geduide belastbaarheid niet passend. Uit het rapport van Adelante blijkt dat de intellectuele capaciteiten van [verzoeker] aansluiten bij een gemiddeld tot bovengemiddeld mbo-niveau 4. Het verbale vermogen van [verzoeker] komt daarbij sterk naar voren. Volgens de rapportage heeft [verzoeker] een sterke drang tot het leveren van prestaties. Hij wil graag uitblinken in zijn werkzaamheden en houdt van werk met afwisseling, variatie, spanning, uitdaging en avontuur. Hij geeft aan daarbij niet bang te zijn voor de risico’s van die uitdagingen en de avonturen die deze met zich brengen. [verzoeker] staat open voor nieuwe ideeën en is bereid andere mogelijkheden te onderzoeken. [verzoeker] wordt in de rapportage aangeduid als een open, impulsief, energiek en ambitieus persoon, die gemakkelijk contact met andere mensen opzoekt en aangaat. Werkzaamheden als adviseur, verkoper of verkopend medewerker sluiten aan bij de persoonskenmerken en interesses van [verzoeker] . Scholing kan bijdragen aan kennis en kunde van [verzoeker] , maar ook aan het verkrijgen van een beter inzicht in andere mogelijkheden. Opleidingen op een mbo-niveau 4 sluiten hierbij aan.

2.6.
De expertise van Terzet, waartoe partijen samen opdracht hadden gegeven, had betrekking op een taak-functie-analyse ten aanzien van de werkzaamheden die [verzoeker] in zijn eigen bedrijf liet uitvoeren door ingehuurd personeel. Dat bureau heeft op 8 april 2016 gerapporteerd.

2.6.1.
Volgens dat rapport bestonden de werkzaamheden van [verzoeker] voornamelijk uit stukadoorswerkzaamheden.

2.7.
Om het verlies van arbeidsvermogen van [verzoeker] in kaart te brengen hebben partijen gezamenlijk het bureau Van Dalen & Van der Eijk verzocht een bedrijfseconomisch onderzoek te verrichten. Dit bureau heeft op basis van bedrijfseconomisch onderzoek een advies geformuleerd over het hypothetische inkomen van [verzoeker] in de situatie zonder ongeval. Dit bureau heeft op 29 maart 2016, 2 september 2016 en 4 november 2016 gerapporteerd.

2.7.1.
Bureau Van Dalen & Van der Eijk heeft geconcludeerd dat in de situatie zonder ongeval [verzoeker] de volgende netto-inkomsten zou hebben behaald: in 2013: € 30.889,--, in 2014: € 42.247,--, in 2015 € 43.685,--, in 2016: € 44.025,--, in 2017: € 44.365,--, in 2018: € 44.705,-- en in 2019: € 45.045,--.

2.8.
Op verzoek van partijen heeft er een orthopedische expertise plaatsgevonden door dr. R.J.J. Devilee (hierna: Devilee), die op 7 juli 2016 heeft gerapporteerd.

2.8.1.
Devilee concludeert - zakelijk weergegeven - het volgende. Er is sprake van restklachten en beperkingen na een zogenaamde spondylodese L3, L4 en L5 die noodzakelijk was vanwege een traumatische ligamentaire beschadiging L3-4 en een trauma op het niveau van de pre-existente spondylolyse L4-5 met een anterolisthesis graad 1. De huidige klachten zijn het gevolg van myogene gevoeligheid en een mogelijk aanwezige “battered nerve rooth”. Vóór het ongeval bestonden bij [verzoeker] geen orthopedische klachten en afwijkingen die thans nog steeds aanwezig zijn. Op de vraag of er daarnaast orthopedische klachten en afwijkingen zijn die er ook zouden zijn geweest of op enig moment hadden kunnen ontstaan, als het ongeval [verzoeker] niet was overkomen, heeft Devilee het volgende geantwoord. Bij [verzoeker] was volgens het eerste röntgenonderzoek sprake van een spondylolysis L4. Gezien de CT-scan, waarop uitgebreide degeneratieve afwijkingen aanwezig waren op dit niveau, hadden in de toekomst lage rug-klachten kunnen ontstaan. [verzoeker] was volgens het dossier pre-existent niet bekend met rugklachten en werkte al jaren zonder uitval in de bouw. De combinatie van een dergelijke afwijking met de werkzaamheden van [verzoeker] had in de toekomst tot klachten van de rug kunnen leiden. Echter, het is ook in de literatuur bekend dat degeneratieve afwijkingen niet tot klachten hoeven te leiden. De vraag met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen hadden kunnen ontstaan, kan volgens Devilee niet onderbouwd worden beantwoord: beide scenario’s, wel en geen rugklachten, zijn mogelijk. Als betrokkene beperkingen zou zijn gaan ontwikkelen, dan speelt dat volgens Devilee bij statische belasting bij het staan en zitten, bij tillen, dragen, duwen, trekken, bukken en gebukt werken. Op de vraag of de deskundige in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering verwacht van de op zijn vakgebied geconstateerde, niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen, antwoordt hij dat als deze zouden zijn ontstaan ten gevolge van de degeneratieve spondylolysis en anterolisthesis, die klachten in de toekomst zouden kunnen verergeren. Ook hadden beenklachten kunnen ontstaan afhankelijk van toekomstige ontwikkelingen. De deskundige kan dat echter niet voorspellen.

2.9.
Ten slotte is op 29 september 2016 door bureau Laumen Expertise een rekenkundige expertise uitgebracht. Dat rapport vermeldt als opdrachtgever de advocaat van [verzoeker] . De opdracht was om op basis van het rapport van bureau Van Dalen & Van der Eijk en de op dat moment ter beschikking staande gegevens een berekening van het verlies van verdienvermogen van [verzoeker] op te stellen. In dat rapport wordt het totaal aan verschenen schade aan autokosten en verlies aan inkomen becijferd op € 134.537,52. Het totaal van toekomstig verlies aan arbeidsvermogen (tot het 67e levensjaar van [verzoeker] ) en autokosten wordt becijferd op € 877.747,32. De fiscale component ten slotte is door bureau Van Dalen & Van der Eijk becijferd op € 102.531,72.

2.10.
Begin juli 2017 is Allianz een persoonlijk onderzoek gestart jegens [verzoeker] , in het kader waarvan [verzoeker] een aantal maanden door een onderzoeksbureau is geobserveerd. Als reden voor het starten van een persoonlijk onderzoek is door Allianz aangegeven dat zij een aantal inconsistenties heeft geconstateerd. Deze houden volgens haar in dat [verzoeker] enerzijds in 2013 verhinderdagen heeft opgegeven vanwege zijn heroriëntatie op de commerciële koers, in verband waarmee [verzoeker] gesprekken voerde met verschillende opdrachtgevers, terwijl hij anderzijds had aangegeven geen ambitie te hebben in de richting van het organiseren en calculeren. Voorts wees Allianz erop dat [verzoeker] zijn bedrijf in stand houdt met de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, terwijl hij stelt arbeidsongeschikt te zijn en niet met de bouwsector geconfronteerd wil worden. Ten slotte wees Allianz op de, in haar ogen, inconsistentie dat er door [verzoeker] schade zou zijn geleden, doordat hij nog veel moet klussen in zijn appartement, terwijl [verzoeker] tegenover arbeidsdeskundige Verdonschot verklaard heeft zijn appartement eigenhandig te hebben gerenoveerd.

2.11.
Verder heeft Allianz naast de genoemde inconsistenties aan de beslissing om een persoonlijk onderzoek in te stellen ten grondslag gelegd dat zij meerdere verzoeken had gedaan tot het overleggen van specifieke informatie, dat de overgelegde informatie tegenstrijdig was en veel van de gevraagde informatie in het geheel niet werd overgelegd.

2.12.
In een e-mail van 28 november 2017 heeft Allianz aan de advocaat van [verzoeker] kenbaar gemaakt dat zij een persoonlijk onderzoek was gestart naar [verzoeker] , omdat het feitenonderzoek onvoldoende uitsluitsel gaf.

3 Het geschil

Het oorspronkelijke verzoek
3.1.
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat Allianz is gebonden aan de conclusies van de door partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen. Tot die gezamenlijk aangezochte deskundigen behoort volgens [verzoeker] ook bureau Laumen Expertise. Derhalve heeft dat bureau volgens [verzoeker] een partijen bindende rekenkundige expertise opgesteld. Op 27 maart 2015 had Allianz immers in een telefonisch gesprek uitdrukkelijk medegedeeld dat zij akkoord was met het inschakelen van Laumen Expertise voor het maken van een berekening van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen. Allianz was het enkel niet eens met de vraagstelling aan de deskundige, aldus [verzoeker] .

3.2.
Partijen zijn volgens [verzoeker] ook overeengekomen om de heer Wouters van bureau Terzet in te schakelen met de opdracht een functie-analyse te maken van de werkzaamheden van [verzoeker] in zijn eigen bedrijf, alsmede aangaande de werkzaamheden van het door hem ingehuurde personeel.

3.3.
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat aan hem geen strenge eisen mogen worden gesteld met betrekking tot het leveren van bewijs ten aanzien van toekomstige inkomensderving. Als uitgangspunt heeft volgens [verzoeker] te gelden dat partijen gebonden zijn aan de bevindingen van de gezamenlijk aangezochte deskundigen.

3.4.
Volgens [verzoeker] heeft hij geen restverdiencapaciteit, omdat zijn interesses niet liggen op het gebied van kantoorwerk en de overige beperkte functies die door de arbeidsdeskundige zijn aangedragen als functies waarin de restverdiencapaciteit kan worden benut. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat van hem niet kan worden verwacht dat hij een mbo-opleiding gaat volgen in een vakgebied dat zijn interesse niet heeft en waarbij de kans zeer groot is dat hij de betreffende opleiding niet met succes kan afronden. Verder stelt [verzoeker] dat hij er rekening mee dient te houden dat hij wegens zijn leeftijd geen baan meer vindt.

3.5.
[verzoeker] maakt aanspraak op vergoeding van openstaande rekeningen aan buitengerechtelijke kosten, voor een bedrag van € 5.738,20, en een factuur van Laumen Expertise, voor een bedrag van € 1.671,32 (samen € 7.409,52). Ten slotte maakt [verzoeker] aanspraak op vergoeding van de kosten van de onderhavige procedure, die door [verzoeker] worden begroot op € 13.156,91.

Het aanvullende verzoek

3.6.
In het aanvullende verzoek heeft [verzoeker] nog het volgende aangevoerd. [verzoeker] stelt dat Allianz het persoonlijk onderzoek op onjuiste gronden en onrechtmatig heeft ingesteld.

3.7.
[verzoeker] betwist de inconsistenties die door Allianz aan het instellen van een persoonlijk onderzoek ten grondslag zijn gelegd. Het feit dat [verzoeker] vóór het ongeval in 2013 meerdere afspraken had gepland met verschillende opdrachtgevers over heroriëntatie op de commerciële koers, hetgeen niet zou stroken met zijn mededeling dat hij niet de ambitie heeft om actief te zijn in het organiseren en calculeren, is volgens [verzoeker] geen inconsistentie, omdat in het rapport van bureau Van Dalen & Van der Eijk expliciet melding wordt gemaakt van het feit dat [verzoeker] weliswaar nadacht over een andere bedrijfsopzet, doch dat hij zelf nog veel uitvoerende taken op zich zou nemen en dat hij zich pas over twintig jaar zou willen bezighouden met uitsluitend managementwerk. [verzoeker] stelt dat hij weliswaar de ambitie had om zijn bedrijf uit te bouwen, doch dat hij zelf altijd uitvoerende werkzaamheden zou zijn blijven verrichten.

3.8.
Dat hij zijn inschrijving in het Handelsregister handhaaft, ondanks zijn arbeidsongeschiktheid, is volgens [verzoeker] geen inconsistentie. Een dergelijke inschrijving zegt volgens hem niets over zijn arbeidsongeschiktheid. De eenmanszaak genereert sinds het ongeval geen enkele omzet meer en [verzoeker] verricht ook geen activiteiten meer. Een andere belangrijke reden voor de instandhouding van de omstreden inschrijving is volgens [verzoeker] dat hij nog een zakelijk krediet heeft. Indien de eenmanszaak wordt uitgeschreven, dient hij de openstaande schuld ineens te voldoen.

3.9.
Evenmin is het volgens [verzoeker] inconsistent dat hij zijn appartement vóór het ongeval heeft opgeknapt, terwijl hij stelt schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid te lijden. Allianz miskent volgens [verzoeker] dat woningen ook onderhouden dienen te worden. Derhalve blijft de schadepost verlies zelfwerkzaamheden doorlopen.

3.10.
[verzoeker] betwist verder de stelling, die Allianz eveneens aan haar beslissing tot het instellen van een persoonlijk onderzoek ten grondslag heeft gelegd, dat hij niet alle door Allianz verzochte stukken zou hebben overgelegd, dan wel dat deze niet voorhanden zouden zijn.

3.11.
[verzoeker] heeft voorts gesteld dat Allianz heeft gehandeld in strijd met diverse bepalingen van de zogenaamde Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (verder te noemen: GPO). Allereerst is volgens [verzoeker] door Allianz in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 1.1 GPO. De door Allianz aangevoerde reden voor een dergelijk onderzoek, te weten dat het feitenonderzoek onvoldoende uitsluitsel zou hebben gegeven, is volgens [verzoeker] onjuist: op basis van het feitenonderzoek was er reeds voldoende uitsluitsel. Volgens [verzoeker] is het opmerkelijk dat de beslissing tot het instellen van een persoonlijk onderzoek reeds op 4 juli 2017 zou zijn gegeven, omdat op dat moment het feitenonderzoek nog in volle omvang bezig was. Alle relevante informatie was op dat moment reeds in het bezit van Allianz.

3.12.
Allianz heeft volgens [verzoeker] ook in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 3 GPO. Ter verkrijging van de door haar gewenste informatie heeft Allianz het voor [verzoeker] meest ingrijpende onderzoeksmiddel, namelijk observatie, gebruikt dat de grootste inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer heeft gemaakt. Dit middel dient alleen te worden ingezet in geval van gerede twijfel over de juistheid van feiten. Allianz heeft echter nooit twijfel geuit over de feiten. Bovendien had Allianz een veel minder ingrijpend onderzoek naar de volgens haar ontbrekende feiten kunnen doen, door contact op te nemen met de accountant van [verzoeker] , of door aanvullende vragen te stellen aan bureau Van Dalen & Van der Eijk.

3.13.
Daarnaast heeft Allianz volgens [verzoeker] in strijd gehandeld met artikel 4 GPO, omdat Allianz weigert stukken over te leggen waaruit blijkt door wie en op welke gronden is beslist om een persoonlijk onderzoek naar [verzoeker] in te stellen.

3.14.
Allianz heeft verder volgens [verzoeker] gehandeld in strijd met artikel 8 GPO, omdat Allianz weigert een kopie te verstrekken van de opdrachtverstrekking aan het onderzoeksbureau dat het persoonlijke onderzoek naar [verzoeker] heeft uitgevoerd.

3.15.
Ten slotte stelt [verzoeker] dat Allianz in strijd heeft gehandeld met de GPO, omdat tot 3 juli 2017 tussen partijen informatie is uitgewisseld in het kader van de schaderegeling, terwijl op 4 juli 2017 het besluit wordt genomen tot het instellen van een persoonlijk onderzoek.

3.16.
Ten aanzien van hetgeen bij de observaties is waargenomen voert [verzoeker] het volgende als verweer aan. Volgens hem zijn er op de gemaakte foto- en videobeelden geen onregelmatigheden te zien. Bovendien betreft het volgens [verzoeker] enkel momentopnames, en zeggen de beelden dus niets over de frequentie, aard en intensiteit van de activiteiten. [verzoeker] stelt dat het niet zo is dat hij helemaal niets meer kan. Op de gemaakte beelden is volgens hem wat betreft 11 van de 15 dagen niets bijzonders te zien. Enkel op een viertal dagen heeft hij wat geholpen, echter heeft hij nooit activiteiten verricht waartoe hij fysiek niet in staat was.

3.17.
[verzoeker] begroot de kosten van het aanvullende verzoekschrift op € 4.848,23 (14 uur x € 270,-- inclusief 6% kantoorkosten en btw).

3.18.
Op grond van het vorenstaande verzoekt [verzoeker] dat de rechtbank:

1. bepaalt dat Allianz wordt veroordeeld tot betaling van de verschenen schade wegens verlies aan arbeidsvermogen ten bedrage van € 134.537,52;
2. de toekomstschade wegens verlies aan arbeidsvermogen schat op € 877.747,32;
3. de fiscale component vaststelt op € 102.531,72, althans dat de rechtbank een in goede justitie te bepalen bedrag vaststelt;
4. bepaalt dat Allianz wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 7.409,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2017 tot de dag der algehele voldoening;
5. Allianz veroordeelt in de kosten van deze procedure, althans deze begroot op € 13.156,91;
6. de verzochte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaart.

Aanvullend verzoekt [verzoeker] dat de rechtbank:

1. voor recht verklaart dat het in opdracht van Allianz uitgevoerde persoonlijk onderzoek op onrechtmatige gronden is uitgevoerd en jegens [verzoeker] onrechtmatig is geweest en dat het dientengevolge verkregen bewijs niet door Allianz mag worden meegewogen bij de beoordeling van de letselschadezaak van Allianz;
2. de kosten van het aanvullend verzoekschrift ex artikel 1019aa Rv begroot op € 4.848,23;
3. de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaart.

4 De beoordeling
4.1.
De rechtbank overweegt inleidend dat zij het oorspronkelijke verzoek en het aanvullende verzoek beschouwt als één verzoek.

4.2.
Anders dan [verzoeker] lijkt te suggereren, is er niet sprake van één resterend geschilpunt, te weten of partijen gebonden zijn aan de conclusies in het rapport van Laumen Expertise, maar bestaan tussen partijen daarnaast nog diverse geschilpunten, die van zodanige aard zijn dat er niet sprake is van een deelgeschil, maar van een (vrijwel) compleet geschil. In het navolgende zal de rechtbank dit toelichten.

4.3.
Weliswaar is de rechtbank met [verzoeker] van oordeel dat partijen gezamenlijk aan Laumen Expertise opdracht hebben verstrekt tot het berekenen van het verlies aan verdienvermogen van [verzoeker] (zie daartoe de e-mail van 24 april 2015 van Allianz aan de advocaat van [verzoeker] , productie 18 bij het verzoekschrift), maar dat betekent niet dat partijen zonder meer aan de rekenkundige uitkomsten van dat rapport zijn gebonden.

Partijen zijn slechts gebonden aan de uitkomsten van het rapport van Laumen Expertise, indien zij ook overeenstemming hebben bereikt over de uitgangspunten die de rekenkundige bij de berekening van het totale verlies aan verdienvermogen dient te hanteren. Die uitgangspunten zien onder andere op het inkomen dat [verzoeker] verdiende ten tijde van het ongeval, de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, en of deze alleen is te wijten aan het ongeval, of en, zo ja wanneer, [verzoeker] ook zonder ongeval arbeidsongeschikt zou zijn geworden, of van [verzoeker] kan worden verlangd dat hij zich laat omscholen en, zo ja, welk inkomen hij met die nieuwe baan kan verdienen en vanaf wanneer, en op de duur van de arbeidsongeschiktheid. Over die uitgangspunten twisten partijen (zie daartoe de hiervoor bedoelde e-mail van 24 april 2015). Allianz stelt dat [verzoeker] ook zonder ongeval gezondheidsklachten zou hebben gekregen, omdat bij [verzoeker] sprake was pre-existente klachten.

4.4.
De rechtbank is van oordeel dat daarover duidelijkheid moet bestaan. Niet alleen is van belang welk deel van de huidige klachten is te wijten aan pre-existente klachten en welk deel aan het ongeval, maar ook, en daarmee samenhangend, hoe lang [verzoeker] waarschijnlijk klachtenvrij zou hebben kunnen werken ware het ongeval hem niet overkomen. Dat blijkt ook uit het rapport van orthopeed Devilee, die stelt dat volgens het eerste röntgenonderzoek sprake was van een spondylolysis L4. Gezien met name de CT-scan, waarop uitgebreide degeneratieve afwijkingen aanwezig waren op dit niveau, hadden in de toekomst klachten van de lage rug kunnen ontstaan. [verzoeker] was volgens het dossier pre-existent niet bekend met rugklachten en werkte al jaren zonder uitval in de bouw. De combinatie van een dergelijke afwijking en de werkzaamheden van [verzoeker] had er volgens Devilee in de toekomst toe kunnen leiden dat klachten van de rug hadden kunnen ontstaan.

4.5.
Partijen twisten voorts over de vraag of Allianz gerechtigd was een persoonlijk onderzoek naar [verzoeker] in te stellen en, op basis van Allianz’ interpretatie van de observaties in het kader van het persoonlijk onderzoek naar [verzoeker] , over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] .

4.6.
Ook verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of en, zo ja, in hoeverre van [verzoeker] kan worden verwacht dat hij zijn schade beperkt, door zich te laten omscholen. Dit is van belang voor de bepaling van de hoogte van het verlies aan verdienvermogen.

4.7.
De vraag welk inkomen [verzoeker] verdiende ten tijde van het ongeval is tussen partijen eveneens een twistpunt. Volgens Allianz weigert [verzoeker] informatie te verstrekken over zijn grootste opdrachtgever en de winst- en verliesrekeningen over de jaren 2014 tot en met 2016, alsmede de IB aangiftes met aanslagen over die jaren en de concrete verhinderdata van [verzoeker] in 2013 als onderbouwing van zijn lage omzet.

4.8.
Omdat de rechtbank op grond van het vorenstaande van oordeel is dat het geschil tussen partijen zo veelomvattend is dat niet meer gesproken kan worden van een deelgeschil, moeten de verzoeken van [verzoeker] , zoals verwoord in rechtsoverweging 3.18 onder 1 tot en met 3 en 1 (aanvullend verzoek), om die reden worden afgewezen: het betreft immers een verkapte bodemprocedure.

4.9.
De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de vraag of Allianz gerechtigd was een persoonlijk onderzoek naar [verzoeker] te starten en of de wijze waarop dat onderzoek is uitgevoerd rechtmatig was.

4.10.
Ten aanzien van het verzoek tot veroordeling in de resterende buitengerechtelijke kosten, tot een bedrag van € 7.409,52 (dat is inclusief de factuur van Laumen Expertise van € 1.671,32), overweegt de rechtbank het volgende. Allianz heeft gesteld dat [verzoeker] de gestelde buitengerechtelijke kosten niet heeft onderbouwd.

Weliswaar heeft [verzoeker] als productie 91 een drietal kostenoverzichten (van 30 juli 2015, 22 oktober 2015 en 12 juni 2017) overgelegd, maar geen van die overzichten, met name het laatste niet, sluit op een bedrag van € 5.738,20, maar op een bedrag van € 5.351,94 (exclusief kantoorkosten en btw). Derhalve is de rechtbank met Allianz van oordeel dat het verzoek tot veroordeling in de kosten van deze procedure als niet dan wel onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen.

4.11.
Ten aanzien van de verzochte veroordeling tot betaling van de kosten van het oorspronkelijke verzoekschrift en de begroting van de kosten van het aanvullende verzoekschrift overweegt de rechtbank het volgende. Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt dat deze procedure volstrekt onnodig en onterecht aanhangig is gemaakt. Het moet immers ook [verzoeker] duidelijk zijn geweest dat er nog zodanig veel geschilpunten tussen partijen resteren dat van een deelgeschil, als door de wetgever bedoeld, geen sprake kan zijn. Enkel ten aanzien van de aansprakelijkheid voor het ongeval bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Over vrijwel alle andere aspecten die bij de begroting van de schade in het algemeen een rol spelen, zoals hierboven genoemd, verschillen partijen fundamenteel van inzicht. Het verzoek tot begroting en veroordeling van de kosten wordt daarom afgewezen. ECLI:NL:RBLIM:2018:3265