Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 030419 Deelgeschil opgestart bij onbevoegde rechtbank, volgt verwijzing naar rb waar eerder een deskundigenberichtproc. is gevoerd

RBMNE 030419 Deelgeschil opgestart bij onbevoegde rechtbank, volgt verwijzing naar rb waar eerder een deskundigenberichtproc. is gevoerd


De overwegingen

2.1.
In deze deelgeschilprocedure verzoekt ASR dat de rechtbank bepaalt dat ASR niet gehouden is [verweerder] te compenseren voor toekomstige schade voor verlies van verdienvermogen.

2.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet deze rechtbank maar Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, bevoegd is van dit deelgeschil kennis te nemen. Op grond van artikel 1019x lid 1 Rv is bevoegd de rechter tot wiens absolute en relatieve bevoegdheid de zaak behoort, indien deze in een bodemprocedure in eerste aanleg aanhangig zou worden gemaakt. Dat betekent dat beoordeeld moet worden welke rechtbank bevoegd zou zijn in de situatie dat ASR, zij is tenslotte nu de verzoekende partij, als eisende partij de zaak als bodemzaak zou aanbrengen en [verweerder] in dat geval als gedaagde partij in rechte zouden worden betrokken. Dan zou, gezien de woonplaats van [verweerder] en de plaats van het ongeval, de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, bevoegd zijn om van de vordering kennis te nemen. Voor Rechtbank Overijssel is bovendien kennelijk tussen partijen een voorlopig deskundigenberichtprocedure gevoerd, waarbij verzekeringsarts [A] toen als deskundige is benoemd (productie 5 bij het verzoek).

2.3.
Op grond van dat wat onder 2.2. is overwogen is de rechtbank van plan de zaak ambtshalve te verwijzen naar de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo. Dat dit kan staat in artikel 270 lid 1 Rv. De rechtbank heeft beide partijen hierover met de brief van 15 februari 2019 geïnformeerd, en hen gevraagd te laten weten wat hun standpunt is. Dit moet omdat in de slotzin van artikel 270 lid 1 Rv staat dat verwijzing niet plaatsvindt als de verzoeker en de opgeroepen belanghebbende (verweerder) hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.

2.4.
Namens ASR heeft mr. De Haan zich op het standpunt gesteld dat deze rechtbank wel bevoegd is om over het deelgeschil te oordelen. Volgens ASR staat in artikel 1019x Rv niet dat bepalend is welke rechter relatief bevoegd zou zijn als ASR een bodemprocedure zou starten. Er staat, zo citeert ASR, dat het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt. Volgens ASR is het in zaken als deze, waarin vergoeding wordt gevorderd van letselschade, normaal gesproken de benadeelde die een bodemzaak start, zodat het niet voor de hand ligt om nu ineens uit te gaan van ASR als eiseres in de bodemprocedure. Daarnaast wijst ASR erop dat dit een WAM-zaak is, zodat verschillende rechters relatief bevoegd zijn, waaronder ook de rechter van de zetel van de WAM-verzekeraar.

2.5.
Mr. Camps heeft bevestigd dat bij Rechtbank Overijssel, locatie Almelo een verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht is ingediend, wat heeft geresulteerd in een beschikking van 30 maart 2017. Mr. Camps vindt dat het daarom zeer voor de hand ligt de zaak bij Rechtbank Overijssel te laten: die kent de zaak al. Op grond van de artikelen 6 en 7 WAM kan de zaak ook daar worden aangebracht: het ongeval is in de regio Twente gebeurd en [verweerder] woont in [woonplaats] .

2.6.
Dat artikel 1019x lid 1 Rv zo moet worden opgevat dat de bevoegdheid moet worden ontleend aan het antwoord op de vraag wie van partijen “normaal gesproken” een bodemprocedure zou starten en dit de benadeelde is, is naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste uitleg van artikel 1019x lid 1 Rv. Zoals hiervoor onder 2.2. is overwogen moet de (vermoedelijke) bevoegdheid van de deelgeschilrechter worden gekoppeld aan de vraag welke rechter bevoegd is als de zaak als bodemzaak aanhangig zou worden gemaakt. Het is in zaken over personenschade niet steeds de benadeelde die een procedure start. Het zijn ook vaak genoeg verzekeraars die een bodemprocedure starten, bijvoorbeeld als zij vinden dat zij met de gedane uitkeringen de schade van de benadeelde al volledig hebben vergoed. Dit ligt in feite ook ten grondslag aan het verzoek dat ASR in dit deelgeschil voorlegt: ASR is van mening dat zij met de betaalde voorschotten op het verlies aan verdienvermogen van [verweerder] , [verweerder] op dat punt afdoende heeft gecompenseerd. Dit is de reden dat de rechtbank voor de vraag welke rechtbank bevoegd is ASR als eisende partij ziet en [verweerder] als gedaagde partij. ASR moet [verweerder] daarom in dit deelgeschil oproepen voor de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo: [verweerder] woont in [woonplaats] en het ongeval is gebeurd in de regio Twente. Dit volgt uit de artikelen 262 Rv, artikel 99 Rv en 102 Rv. 
Het klopt dat in WAM-zaken verschillende rechters relatief bevoegd zijn, maar in deze situatie is geen alternatieve bevoegdheid weggelegd voor Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht door aan te sluiten bij de vestigingsplaats van ASR. Dit zou alleen zo zijn als [verweerder] de eisende partij is. Zoals gezegd, is dat hier niet het geval.

2.7.
Omdat namens [verweerder] niet is aangeven dat hij géén verwijzing wenst (artikel 270 lid 1 (slotzin) Rv), integendeel hij wil dit juist wel, zal de rechtbank op grond van dat wat hiervoor is overwogen de zaak verwijzen naar de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo. ECLI:NL:RBMNE:2019:2062