Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Amsterdam 231210

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer. 468712 I HA RK 10-834

Beschikking van 23 december 2010
in de zaak van

de naamloze vennootschap
ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verzoekster,
advocaat mr. K.M. Volker,

tegen

MARIA JOHANNA B.,
wonende te Castricum.
verweerster,
" advocaat mr. J.F. Vermeulen.

Verzoekster zal hierna Allianz worden genoemd. Verweerster zal hierna B. worden
genoemd.
1. De procedure
l.l. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift ter beslissing van een deelgeschil van 30 augustus 2010 met producties,
de tussenbeschikking van 9 september 2010 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
het verweerschrift deelgeschilprocedure tevens houdende een zelfstandig verzoek van 29 oktober 2010, met producties,
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift, gehouden op 8 november 2010, met de daarin genoemde stukken.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.
2. De feiten
2.1. Op 26 januari 1998 is B. betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De personenauto waarin zij reed werd van achteren aangereden door een verzekerde van Allianz. Allianz heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval
erkend.

2.2. In verband met klachten van B. is, ter vaststelling van de ongevalsgevolgen, in gezamenlijk overleg tussen B. en Allianz een neurologische expertise uitgevoerd door de neuroloog prof. dr. Wolters (hierna: Wolters). Op 12 april 2001
heeft Wolters zijn expertiserapport uitgebracht. Wolters heeft de klachten van B. gediagnosticeerd als een ten gevolge van het ongeval opgetreden postwhiplashsyndroom van de cervicale wervelkolom.

2.3. B. heeft op 19 juni 2007 de rechtbank verzocht een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. Bij beschikking van 24 januari 2008 heeft de rechtbank prof. dr. Van Tilburg als deskundige benoemd. Op 21 mei 2008 en op 9 juni 2008 heeft Van Tilburg B. psychiatrisch onderzocht.

2.4. Op 14 augustus 2008 heeft Van Tilburg zijn conceptrapport uitgebracht, waarop de medisch adviseur van Allianz J.H. Folbert (hierna: Folbert) heeft gereageerd. Naar aanleiding van deze reactie heeft Van Tilburg een tweede conceptrapportage uitgebracht. Van de zijde van Allianz is hierop bij brief van 3 april 2009 gereageerd door haar medisch adviseur prof. dr. RJ. van den Bosch (hierna: Van den Bosch). Deze brief houdt onder meer, voor zover hier vim belang, het volgende in:
(..)
Naar aanleiding van het rapport van Van Tilburg:
De volgende aspecten vallen mij op: (I) het (subjectieve) verhaal van betrokkene wordt geaccepteerd als objectieve weergave; (2) de door betrokkene ervaren, althans naar voren gebrachte, beperkingen worden gehouden voor objectieve beperkingen; (3) de opeenvolging autoongeval en klachten wordt gehouden voor een causaal verband; (4) de klachten zijn allerminst aanhoudend aanwezig en reageerden goed op behandeling; (5) de inzet van betrokkene inzake behandeling roept vragen op inzake de gestelde invalidering en haar feitelijke gedrag onderhoudt haar beleving van invalidering; (6) het inzicht dat chronische klachten een andere verklaring belweven dan acute en in principe voorbijgaande klachten. klinkt onvoldoende door.
(...)"
2.5, Op 28 april 2009 heeft Van Tilburg zijn definitieve expertiserapport uitgebracht.Daarin is hij in de vetgedrukte en cursief weergegeven tekst ingegaan op het commentaar van Folbert en in de vetgedrukte en onderstreepte tekst op het
commentaar van Van den Bosch. In het rapport staat, voor zover hier van belang, het volgende:
"(..)
Het is van belang hier even stilte staan bij de term "objectief aantoonbaar", gezien het commentaar van vd Bosch. (...) In dit geval is door de onderzoeker. ondersteund door een getrainde assistent bij het psychiatrisch onderzoek veel aandacht geschonken aan de "echtheid" van de klachten de lijdensdruk en de functie beperkingen. (..) De door betrokkene aangegeven functiebeperkingen zijn dus niet, zoals Van den Bosch suggereert klakkeloos van haar overgenomen. maar zijn zorgvuldig gewogen en voor zover mogelijk getoetst. (..)

Vraag 4.
Wat zijn uw bevindingen bij uw onderzoek en hoe luidt uw diagnose?
Antwoord:
Uit onze bevindingen bij het psychiatrisch onderzoek concludeer ik dat er sprake is van een dysthyrne stoornis met een daarop gesuperponcerde depressieve stoornis, matig tot ernstig, met vitale kenmerken. al bestaande sinds kort na het ongeval in 1998. Verder is er mijns inziens sprake van een ongedifferentieerde somatoforrne stoornis. (..)
Vraag 5.
Welke klachten en beperkingen kunnen als direct of indirect gevolg van bet ongeval gezien worden?
Antwoord:
De somatische klachten zijn een direct gevolg van het ongeluk en de psychische klachten zijn weer het gevolg van de verminderde belastbaarheid van betrokkene vanwege de somatische klachten. (..) Het trauma moet met de beschikbare gegevens worden opgevat als een "conditio sine qua non". Er is geen premorbide somatische of psychische pathologie die een even geloofwaardig alternatieve verklaring voor het optreden van het beeld daarna-kan geven en er zijn geen andere
omstandigheden in de periode daarna, die meer dan enige additionele invloed hebben gehad op het verloop daarna, die los gezien lam worden van de invloed van de na het trauma ontstane chronische affectieve stoornis (zie voor de argumenten pag. 19 e.v.).
Vraag 6.
Wat is de aard en de omvang van de bijkomende problematiek, dus problemen die er al waren of zich ook zonder het ongeval zouden hebben voorgedaan?
Antwoord:
(..) De additionele somatische en psychische problematiek na het trauma zoals de somatische accidenten en aandoeningen, de verhuizing, de werkproblemen hebben vrijwel alle hooguit tot voorbijgaande functiebeperkingen geleid en zouden dot zonder de reeds bestaande chronische depressiviteit en lichamelijke klachten nooit in die mate hebben veroorzaakt (zie ook pag. 19 e.v.).
(..)"
2.6. Allianz heeft de heer A.A. Waterbolk (hierna: Waterbolk) als schaderegelaar ingeschakeld om de schade van B. in kaart te brengen. Hij heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 26 april 2010.

2.7. In gezamenlijk overleg tussen B. en Allianz heeft Allianz een reïntegratiedeskundige de opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar de resterende arbeidsmogelijkheden van B. en om ten behoeve van haar een reïntegratieplan op te stellen en uit te voeren. Nadat de intake met B. had plaatsgevonden heeft B. dit onderzoek afgebroken.

2.8. Sinds 1 oktober 1998 heeft B. geprobeerd om te reïntegreren in functies bij de politie Amsterdam-Amstelland. De verzekeringsarts van het UWV heeft geconcludeerd dat B. niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden en
zij arbeidsongeschikt is voor de volledige omvang van haar functie. Aan haar is per I november 2010 eervol ontslag verleend. Per die datum ontvangt zij een volledige WAO-uitkering.


3. Het deelgeschil
3.1. Het verzoek van Allianz aan de rechtbank houdt in dat Allianz een beslissing wenst over de vraag of de door B. gestelde klachten en beperkingen in causaal verband staan met het verkeersongeval van 26 januari 1998. waarvoor Allianz de aansprakelijkheid heeft erkend. Daarnaast heeft Allianz de rechtbank verzocht om benoeming van een reïntegratiedeskundige.

3.2. Ter mondelinge behandeling heeft de rechtbank het verzoek van Allianz om een beslissing over het causaal verband te nemen zo begrepen dat Allianz de rechtbank verzoekt te beslissen dat het rapport van Van Tilburg, waarin causaal verband wordt aangenomen tussen de klachten van B. en het ongeval van 26 januari 1998, buiten beschouwing moet worden gelaten. Zij heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat het rapport van Van Tilburg op een aantal belangrijke punten gemotiveerd wordt bekritiseerd door Van den Bosch.

3.3. Aan haar verzoek om een reïntegratiedeskundige te benoemen heeft Allianz ten grondslag gelegd dat op dit moment nog niet de conclusie kan worden getrokken dat B. blijvend volledig arbeidsongeschikt is. Een reïntegratiedeskundige kan
onderzoek doen naar de arbeidsmogelijkheden van B., ook zonder hierbij het rapport van Van Tilburg ter beschikking te hebben, aldus steeds Allianz.

3.4. B. heeft verweer gevoerd, en heeft bij zelfstandig verzoek (zoals bij akte ter zitting gewijzigd) de rechtbank verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat op grond van het neurologisch rapport van 12 april 200 l en het psychiatrisch rapport van 28 april 2009 als vaststaand aangenomen dient te worden dat sprake is van causaal verband tussen enerzijds het B. op 28 januari 1998 overkomen ongeval en anderzijds de door beide deskundigen geconstateerde klachten en beperkingen;
2. te bepalen dat B. meer dan voldoende aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan middels het door haar gedurende twaalf jaar gevolgde reïntegratietraject en dat het thans daarin bereikte resultaat -volledige arbeidsongeschiktheid- als het maximaal haalbare dient te worden beschouwd;
3. te bepalen dat de gevorderde benoeming van een reïntegratiedeskundige wordt afgewezen;
4. te bepalen dat Allianz gehouden is een actieve bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een definitieve schaderegeling en dat zij de eerder door haar ingeschakelde schaderegelaar opdracht dient te geven om in constructief
overleg met (de advocaat van) B. tot een vaststelling van de schade te komen en daarenboven dat AlIianz deze schaderegelaar daartoe voldoende mandaat dient te geven;
5. Allianz te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van de door B. ten gevolge van het ongeval van 26 januari 2008 geleden en nog te lijden schade aan B. een voorschot op de schadevergoeding te verstrekken
ten bedrage van € 50.000,00, althans dat bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht;
6. Al1ianz te veroordelen in de kosten van dit geding, met het verzoek ter zake van het honorarium van mr. Verrneulen de kosten aan de zijde van B. te begroten conform de door B. in het geding gebrachte begroting, te
vermeerderen met de redelijke kosten (gewerkte uren maal uurtarief advocaat) betreffende de voorbereiding en behandeling van de deelgeschilprocedure.

3.5. B. heeft aan haar verzoek onder I het volgende ten grondslag gelegd. De rapportages van Wolters en Van Tilburg voldoen aan de daarvoor geldende richtlijn. Nu er geen zwaarwegende bezwaren zijn aangevoerd op grond waarvan geen beslissende kracht aan deze rapporten zou mogen worden toegekend, dient het in deze rapporten vastgestelde causaal verband als vaststaand te worden aangenomen, aldus steeds B.. Aan haar verzoeken onder 2 en 3 heeft B.
ten grondslag gelegd dat zij aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan door gedurende twaalf jaar te proberen om te reïntegreren. Thans is zij volledig arbeidsongeschikt verklaard en zijn er geen benutbare arbeidsmogelijkheden meer.

3.6. B. heeft met betrekking tot haar verzoek onder 4 aangevoerd dat het de gebruikelijke gang van zaken is om een professioneel schaderegelaar in te schakelen die in gezamenlijk overleg tot een definitieve schaderegeling probeert te komen. Aan haar verzoek onder 5 heeft B. ten grondslag gelegd dat haar totale schade naar verwachting € 200.000,00 zal bedragen, terwijl aan haar tot dusverre slechts € 73.176,00 is vergoed. Tenslotte heeft zij met betrekking tot haar verzoek onder 6 aangevoerd dat het door haar advocaat gehanteerde tarief marktconform is en bovendien voldoet aan de ASP-criteria. De advocaat van B. heeft ter mondelinge behandeling aangegeven dat zij tot op dat moment 27 uur aan de zaak heeft besteed.

3.7. Allianz heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van B.. Zij heeft hiertoe allereerst aangevoerd dat de verzoeken van B. direct moeten worden afgewezen, althans niet voor behandeling in de onderhavige procedure in aanmerking komen, omdat het gevolg van honorering van alle deelverzoeken van B. is dat ten overstaan van de deelgeschillenrechter feitelijk een bodemprocedure wordt doorlopen. Op deze manier wordt oneigenlijk gebruik gemaakt van de deelgeschilprocedure, aldus steeds Allianz. Bovendien, zo stelt Allianz; betreft de vraag of B. aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan, een geheel nieuw punt dat buiten rechte nog niet aan de orde is geweest, waardooraan Allianz de gelegenheid is ontnomen om op een gedegen wijze op deze stelling te reageren. Indien de rechtbank anders mocht oordelen, herhaalt Allianz haar standpunt dat het rapport van Van Tilburg niet als uitgangspunt voor de beoordeling mag dienen en dat vooralsnog niet de conclusie kan worden getrokken dat B. blijvend volledig arbeidsongeschikt is nu zij slechts heeft getracht te reïntegreren bij de politie. Bovendien stelt Allianz dat B. voor wat betreft haar mogelijkheden om passende arbeid te vinden niet aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan, dat B. zelf het schaderegelingstraject heeft gefrustreerd. en dat er vooralsnog geen noodzaak is tot nadere bevoorschotting. Allianz verzoekt dan ook om de verzoeken van B. onder I tot en met 5 af te wijzen. Ten aanzien van de onder 6 gevorderde proceskosten stelt Allianz dat gelet op de eenvoud van de zaak teveel uren aan de zaak zijn besteed. dat de ASP-criteria geen gemeengoed zijn, en dat onduidelijk is waar het opgevoerde tarief van € 294,00 op gebaseerd is. Allianz heeft de rechtbank ter mondelinge behandeling verzocht om bij de begroting van de kosten van B. uit te gaan van 15 door de advocaat van B. aan de zaak bestede uren à € 231,00 per uur.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
4.1. Alvorens in te gaan op de inhoudelijke verzoeken van Allianz en B.. gaat de rechtbank in op het formele verweer van Allianz, inhoudende dat B. oneigenlijk gebruik maakt van de deelgeschilprocedure en haar verzoeken om die reden reeds moeten worden afgewezen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1019w lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is een deelgeschil een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Artikel 1019z Rv bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkornst. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij geldt dat de investering in tijd, geld en moeite moet worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken 11 2007- 2008,31518, nr. 3, p. 18).

4.3. De vraag of de verzoeken van B. zich lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure, dient derhalve beantwoord te worden aan de hand van de vraag of het belang van de verzoeken van B. en de bijdrage die een beslissing op deze verzoeken kan leveren aan een vaststellingsovereenkomst, opwegen tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. De rechtbank is van oordeel dat deze belangenafweging in het voordeel van B. uitvalt. Bij dit oordeel heeft de rechtbank meegewogen dat twee van de verzoeken van B. op hetzelfde geschilpunt zien als de verzoeken die door Allianz aan de rechtbank zijn voorgelegd. De beslissing op de overige verzoeken van B. kan in beginsel bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen Allianz en B.. Bovendien neemt een beslissing op deze verzoeken naar verwachting niet dusdanig veel tijd en moeite in beslag en is deze niet zo kostbaar, dat dat niet zou opwegen tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.

4.4. Het primaire verweer van Allianz wordt dan ook verworpen. De rechtbank zal in het navolgende ingaan op de verzoeken die door Allianz en B. aan de rechtbank zijn voorgelegd.

Causaal verband tussen ongeval en klachten
4.5. Het eerste geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of het rapport van Van Tilburg. en daarmee het daarin aangenomen medisch causaal verband tussen het ongeval en de klachten van B., als uitgangspunt moet dienen voor de buitengerechtelijke afwikkeling van de schade van B.. Dit is het geval indien partijen er naar het oordeel van de deelgeschilrechter ernstig rekening mee moeten houden dat de bodemrechter, indien deze over het geschil over het causaal verband zou moeten oordelen, het causaal verband bewezen zou achten op grond van het deskundigenbericht. De rechtbank stelt voorop dat de waarde die in een eventuele bodemprocedure aan het deskundigenbericht zal worden toegekend ter discretie staat van de feitenrechter. De bodemrechter zal dan met name acht slaan op het volgende. Het rapport dient antwoord te geven op de vraag naar de medische causaliteit op een zodanig begrijpelijke wijze, dat de rechter aan de hand daarvan een oordeel kan vellen over de juridische causaliteit. De deskundige is vrij in de wijze waarop hij zijn onderzoek inricht. Zijn rapport dient evenwel deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn oordeel zich verhoudt tot de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn beroepsgroep, alsmede dat hij een eventuele afwijking daarvan deugdelijk motiveert.

4.6. Indien een deskundigenbericht dat is uitgebracht op verzoek van de bodemrechter, op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de conclusies van de deskundige deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport
vermelde gegevens, zal de bodemrechter het oordeel van de deskundige, die juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek is benoemd, niet snel naast zich neerleggen.

4.7. Van de partij die een deskundigenbericht bekritiseert, mag verlangd worden dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt. bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. In dat geval zullen er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechtbank besluiten dat zij een dergelijk bericht naast zich neerlegt.

4.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Allianz onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren zijn tegen het rapport van Van Tilburg. Van Tilburg heeft duidelijk aangegeven waarop zijn conclusie dat sprake is van causaal verband, is gebaseerd. Ook de conclusies van Van den Bosch gaven hem geen reden zijn standpunt hieromtrent te wijzigen. In zijn definitieve rapport heeft hij de conclusies van Van den Bosch gemotiveerd -en naar het oordeel van de rechtbank overtuigend- weersproken. Nu het rapport van Van Tilburg naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de conclusies daarin met inachtneming van het rapport van Van den Bosch deugdelijk zijn onderbouwd, en ook voortvloeien uit de in het rapport vermelde gegevens, ziet de rechtbank geen aanleiding om te verwachten dat de bodemrechter zou oordelen dat diens rapport met de daarin genoemde conclusies buiten beschouwing dient te worden gelaten. Er is dan ook geen aanleiding om te voldoen aan het andersluidende verzoek van Allianz dienaangaande.

4.9. Allianz heeft geen bezwaren geuit tegen de inhoud van het rapport van Wolters.
Van de inhoud van dit rapport zal de rechtbank bij haar beslissing dan ook uitgaan. Gelet hierop. en gelet op het hiervoor overwogene met betrekking tot het rapport van Van Tilburg, is het verzoek van B. om te bepalen dat partijen op grond van de rapporten van Wolters en Van Tilburg als vaststaand dienen aan te nemen, kort gezegd, dat er causaal verband is tussen de klachten van B. en het ongeval, toewijsbaar.

Benoeming reïntegratiedeskundige
4.10. Het tweede geschilpunt dat partijen verdeeld houdt is de vraag of een reïntegratiedeskundige moet worden benoemd. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Vooropgesteld wordt dat indien vast komt te staan dat er een deskundige moet worden benoemd om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden van B. om arbeid te verrichten, dit onderzoek plaats zal moeten vinden door een arbeidsdeskundige. De rechtbank heeft ter mondelinge behandeling begrepen dat het verzoek van Allianz ook als zodanig kan worden opgevat, zodat zij in het navolgende in zal gaan op de vraag of het verzoek tot benoeming van een arbeidsdeskundige moet worden toegewezen.

4.11. Tussen partijen is niet in geschil dat B. gedurende twaalf jaar lang pogingen heeft ondernomen om te reïntegreren in een functie bij de politie. Na deze twaalf jaar is door de verzekeringsarts geconcludeerd dat B. arbeidsongeschikt is voor de volledige omvang van haar eigen functie. Hoewel de rechtbank respect heeft voor de pogingen die B. de afgelopen twaalf jaar heeft ondernomen om te reïntegreren, zal, om vast te kunnen stellen wat de schade is die B. als gevolg van het ongeval heeft geleden, door een arbeidsdeskundige moeten worden vastgesteld of en in welke mate B. in zijn algemeenheid ongeschikt is voor het uitvoeren van arbeid. Thans staat immers slechts vast dat B. arbeidsongeschikt is voor het uitvoeren van een functie bij de politie. Van B. mag naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs verwacht worden dat zij ook haar medewerking verleent aan een onderzoek naar eventuele reïntegratiemogel ijkheden buiten de politieorganisatie. Hoewel valt te betreuren dat een en ander nog niet heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank het feit dat Allianz de uitkomst van de reïntegratiepogingen van B. binnen de politieorganisatie heeft afgewacht niet onbegrijpelijk. Een en ander staat dan ook niet aan toewijzing van het verzoek tot benoeming van een arbeidsdeskundige in de weg.

4.12. De rechtbank zal het verzoek van Allianz om een arbeidsdeskundige te benoemen, dan ook toewijzen. Ter mondelinge behandeling heeft B. aangegeven dat, indien het tot benoeming van een arbeidsdeskundige zou komen, zij graag wil dat de heer Verhoeven. werkzaam bij Bureau Radar, als deskundige wordt benoemd. Allianz heeft ter mondelinge behandeling aangegeven met benoeming van deze deskundige te kunnen instemmen. De rechtbank zal de heer Verhoeven. werkzaam bij Bureau Radar, dan ook als deskundige benoemen en hem de vragen voorleggen waaromtrent partijen reeds overeenstemming hebben bereikt (met uitzondering van de vraag die betrekking heeft op de "huidige werkzaamheden" van B.. nu zij thans geen werkzaamheden meer verricht).

Schadebeperkingsplicht
4. 13. B. heeft de rechtbank bij zelfstandig verzoek verzocht om, kort weergegeven, te bepalen dat zij aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Allianz heeft tegen dit verzoek primair verweer gevoerd door aan te voeren dat dit verzoek buiten rechte nog niet aan de orde is geweest, zodat aan haar de gelegenheid is ontnomen om op een gedegen wijze op deze steil ing te reageren. Allianz heeft zich hierbij beroepen op de Beleidslijn Wet Deelgeschilprocedure, zoals uitgevaardigd door de rechtbank Utrecht. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 282 Rv volgt dat een verweerschrift tot de aanvang van de behandeling, of als de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling kan worden ingediend. Ook wordt in dit artikel bepaald dat een verweerschrift een zelfstandig verzoek mag bevatten. De enige eis die hieraan wordt gesteld is dat het verzoek betrekking heeft op het oorspronkelijke verzoek. Het staat de rechter vervolgens vrij om te beslissen of aan de oorspronkelijke verzoeker, in dit geval Allianz, de gelegenheid wordt geboden om een verweerschrift in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat, nu het zelfstandig verzoek van B. betrekking heeft op het oorspronkelijk verzoek van Allianz, aan Allianz ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ook de mogelijkheid is geboden om zich tegen dit verzoek te verweren en Allianz dit ook heeft gedaan, Allianz voldoende de mogelijkheid heeft gekregen om op het verzoek te reageren. Dat de door de rechtbank Utrecht uitgevaardigde beleidslijn wellicht anders bepaalt, maakt dit niet anders.

4.14. Allianz heeft ten aanzien van dit verzoek voorts aangevoerd dat op dit moment moet worden geconstateerd dat B. voor wat betreft haar mogelijkheden om passende arbeid te vinden niet aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. De rechtbank overweegt als volgt. Nu, gelet op het hiervoor overwogene ten aanzien van het benoemen van een arbeidsdeskundige, niet vaststaat of en in welke mate B. in zijn algemeenheid ongeschikt is voor het uitvoeren van arbeid, kan op dit moment eveneens niet worden vastgesteld dat B. aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Haar desbetreffende verzoek wordt dan ook afgewezen.

Schaderegelingstraject
4.15. Het volgende zelfstandig verzoek dat B. aan de rechtbank heeft voorgelegd, betreft -kort gezegd- het verzoek om te bepalen dat Allianz gehouden is een actieve bijdrage te leveren aan het schaderegelingstraject. De rechtbank stelt voorop dat een verzoekschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het verzoek berust, dient te bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek voor zover dit inhoudt te bepalen dat 'een actieve bijdrage moet worden geleverd onvoldoende duidelijk omschreven. Ook de grondslag waarop het verzoek berust is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Dit verzoek van B. wordt dan ook afgewezen.

Voorschot
4.16. Voorts verschillen partijen van mening over de vraag of Allianz gehouden is een nader voorschot op de schadevergoeding aan B. te verstrekken, welk verzoek B. bij zelfstandig verzoek aan de rechtbank ter beslissing heeft voorgelegd. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de beantwoording van de vraag of het aannemelijk is dat het bedrag van het door B. gevorderde voorschot op de schadevergoeding, naast het voorschot dat Allianz reeds stelt te hebben betaald en door B. niet is betwist, bij wijze van schadevergoeding in een eventuele bodemprocedure aan haar zal worden toegewezen.

4.17. Ter beantwoording van de vraag of dit aannemelijk is, dient te worden beoordeeld of B. blijvend volledig arbeidsongeschikt is. Nu hiertoe nog onderzoek moet worden verricht, acht de rechtbank het thans onvoldoende aannemelijk dat het bedrag van het door B. gevorderde voorschot bij wijze van schadevergoeding in een eventuele bodemprocedure aan haar zal worden toegewezen. Haar verzoek tot het verstrekken van een voorschot wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten
4.18. Het laatste geschilpunt dat partijen verdeeld houdt in deze procedure, betreft de vraag hoe hoog de proceskosten zijn die door Allianz moeten worden vergoed aan B.. De rechtbank overweegt als volgt. Allianz heeft de aansprakelijkheid van het ongeval erkend, zodat als uitgangspunt heeft te gelden dat B. de door haar werkelijk gemaakte kosten van de deelgeschilprocedure niet zelf hoeft te dragen. Op grond van artikel 1019aa van het Wetboek van Burgerlijke echtsvordering
worden de kosten door de rechtbank begroot waarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking worden genomen. Of deze kosten redelijk zijn hangt ervan af of de kosten redelijk zijn gemaakt en of de hoogte van deze kosten redelijk is. 4.19. De rechtbank is van oordeel dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Immers, deze zijn gemaakt om een tussen partijen gerezen geschilpunt te laten beslechten opdat partijen buitengerechtelijk tot een vergelijkkunnen komen.

4.20. De rechtbank acht de hoogte van de kosten eveneens redelijk. Uit het door B. overgelegde declaratieoverzicht volgt niet dat bovenmatig veel tijd aan onderhavige procedure is besteed. Dat volgens Allianz de werkzaamheden in minder tijd hadden kunnen worden verricht, doet daaraan niet af. Het feit dat de ASP-criteria geen gemeengoed zijn is evenmin reden om de kosten niet redelijk te achten. De advocaat van B. heeft bovendien onderbouwd aangegeven hoe haar
uurtarief van € 294,00 tot stand is gekomen, welk tarief de rechtbank in dit geval niet onredelijk hoog voorkomt.

4.21. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank, als verzocht, Allianz uitvoerbaar bij voorraad veroordelen in de kosten in en buiten rechte van deze deelgeschilprocedure, welke kosten, aan de zijde van B. gemaakt, begroot worden op een bedrag van (27 x € 294,00 =) € 7.938,00.


5. De beslissing
De rechtbank
5.1. bepaalt dat het causaal verband tussen de klachten van B. en het ongeval van 26 januari 1998 op grond van de rapporten van Wolters en Van Tilburg als vaststaand moet worden aangenomen;
5.2. beveelt een deskundigenonderzoek door een arbeidsdeskundige en benoemt tot deskundige:
J.P.H.M. Verhoeven.
Arbeidsdeskundig Bureau Radar B.V.
Hoge Masten 52,
4822 NB Breda;
5.3. bepaalt dat aan deze deskundige de volgende vragen zullen worden voorgelegd:
I) wilt u onderzoek verrichten naar de resterende arbeidsmogelijkheden van mevrouw B.,
2) acht u mevrouw B. in staat om passende arbeid te verrichten en zo ja, in welke omvang?
a) kan een praktische bij- en/of omscholing een positieve bijdrage leveren?
b) welk bruto-inkomen kan mevrouw B. met de passende arbeid verdienen?
Nota bene: indien u dit noodzakelijk acht voor het beantwoorden van de vraag wordt u verzocht om mevrouw Purvis te (9321 HA) Peize te vragen op basis van eigen onderzoek de huidige mogelijkheden van mevrouw B. vast te stellen aan
de hand van een daartoe op te stellen actueel belastbaarheidsprofiel.
3) heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de onderhavige kwestie van belang zijn?;

5.4. bepaalt dat Allianz een voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenbericht zal deponeren ter griffie van deze rechtbank, welk voorschot zal worden bepaald op het door de deskundige te bepalen bedrag;
5.5. verklaart de voorschotbeslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.6. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal verrichten en dat deze zal plaatsvinden op de door de deskundige te bepalen plaats en tijd, met dien verstande dat de deskundige niet met het onderzoek dient te beginnen voordat de rechtbank schriftelijk aan de deskundige heeft laten weten dat het voorschot ter griffie is vastgesteld en is ontvangen en het onderzoek kan beginnen;
5.7. bepaalt dat de deskundige partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit zijn schriftelijke berichten moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan en daarbij tevens melding zal worden gemaakt van deinhoud van de opmerkingen en verzoeken van partijen;
5.8. bepaalt dat de partij die schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij verstrekt;
5.9. bepaalt dat partijen vóór 2 februari 2011 kopieën van de gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen; andere door de deskundige noodzakelijk geachte stukken zullen partijen zo spoedig mogelijk aan de deskundige doen toekomen;
5.10. bepaalt dat het door arbeidsdeskundige uit te brengen bericht uiterlijk drie maanden na dagtekening van het bericht van de griffier dat het voorschot ter griffie is vastgesteld en is ontvangen en het onderzoek kan beginnen, zal worden ingeleverdter griffie van deze rechtbank;
5.11. veroordeelt Allianz in de proceskosten, aan de zijde van B. begroot op € 7.938,00;
5.12. verklaart de kostenveroordeling sub 5.11 uitvoerbaar bij voorraad;
5.13. wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.A Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2010.

Deze website maakt gebruik van cookies