Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Amsterdam 200614

Rb Amsterdam 200614

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2014/rb-amsterdam-200614

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/4588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2014 in de zaak tussen

X, te A, eiseres 
(gemachtigde mr. EJ. Dennekamp),

en

Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder 
(gemachtigde mr. E.J.W. Reijnders).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 9 juli 2013, verzonden op 10 juli 2013, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.
Op 20 november 2012 heeft mr. E.J. Dennekamp namens eiseres bij verweerder een verzoek ingediend tot afgifte van een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand na een verkeersongeval voor het vaststellen van de aansprakelijkheid en de schade. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb afgewezen, omdat eiseres op dat moment geen advocaat nodig had.

2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder - onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand van 28 maart 2013 - het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard voor zover ingediend door de gemachtigde namens zichzelf en ongegrond voor zover ingediend namens eiseres. In het advies is overwogen dat de rechtsbijstandverlener geen belanghebbende in de zin van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 1:2 van de Awb bij een beslissing op een toevoegingsaanvraag is. Ten aanzien van het bezwaar dat namens eiseres is ingediend is in het advies overwogen dat in dit stadium van het geschil nog geen noodzaak bestaat tot bijstand van een advocaat en daarom geen aanleiding wordt gezien reeds nu een toevoeging te verstrekken. Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld.

3.
Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhefen onder g, van de Wet op de rechtsbijstand wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

4. 
Verweerder heeft zijn beleid op grond van de artikelen voor aanvragen om een dergelijke toevoeging nader uitgewerkt in de interne werkinstructie O010. In die werkinstructie is opgenomen dat de aanvraag om toevoeging voor enkel het aansprakelijk stellen in principe wordt afgewezen. Ook voor het aanvragen van een schadevergoeding bij het Waarborgfonds wordt geen toevoeging verstrekt. Van rechtzoekende mag verwacht worden dat hij dat zelf doet. Als er sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid of van zwaarwegende belangen van de rechtzoekende, wordt daarvoor wel een toevoeging verstrekt, aldus de werkinstructie. Een mogelijke reden om wel voor aansprakelijkstelling toe te voegen is bijvoorbeeld bij ernstige letselschade, zedendelict of mensenhandel. Bovendien wordt een advocaat toegevoegd, wanneer de aansprakelijkheid door de veroorzaker van het ongeval wordt afgewezen.

5.
Eiseres heeft aangevoerd dat het evident is dat zij juridische hulp nodig heeft bij het vaststellen van de aansprakelijkheid en de schade die het gevolg is van het ongeval. Het vaststellen hiervan is in de juridische wereld een erkend specialisme en het is buitengewoon ongewenst dat eiseres in deze fase van de aansprakelijkheidskwestie verstoken zou blijven van een toevoeging, zodat zij in haar eentje tegen de aansprakelijke partij en/of het Waarborgfonds Motorverkeer zou moeten opnemen. Hierdoor zou eiseres haar eigen zaak niet kunnen opbouwen, terwijl de aansprakelijke wederpartij of het Waarborgfonds kan werken aan verweer. Het vaststellen van de schade na een ongeval is een zo complexe zaak dat het naar zijn aard redelijk is dat eiseres hulp zoekt bij een advocaat. Het andersluidende standpunt van verweerder ridiculiseert de specialisatieverenigingen die binnen de advocatuur bestaan. Dit is niet anders wanneer sprake is van een claim ten opzichte van het Waarborgfonds. Dat eiseres geacht wordt zelf het verzoek bij het Waarborgfonds te kunnen doen is onverenigbaar geacht met de uitlatingen van het Waarborgfonds zelf in de informatiefolder op haar website. Tot slot is het feit dat eiseres verstoken zal blijven van juridische hulp in strijd met de doelstellingen van de Wrb. Tevens wordt daarmee de uit artikel 18 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende verplichting tot verstrekking van rechtsbijstand geschonden.

6.
De rechtbank overweegt als volgt. Het recht op een eerlijk proces is specifiek neergelegd in artikel 6 van het EVRM. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 27 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL0716, verwerpt de rechtbank de stelling dat het weigeren van de toevoeging in strijd is met het EVRM. Artikel 6 van het EVRM beoogt weliswaar de toegang tot de rechter te waarborgen maar geeft geen onbeperkt recht op door de overheid gefinancierde toegang tot de rechter. Het toegepaste beleid beperkt immers op zichzelf niet de toegang tot de rechter, maar leidt alleen tot een beperking van de subsidiëring van rechtsbijstand. Artikel 18 van de Grondwet correspondeert met artikel 6 van het EVRM.

7.
De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat verweerder bij zijn beoordeling beleidsvrijheid heeft. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de wetgeschiedenis dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb tot doel heeft te voorkomen dat voor elk probleem met juridische aspecten dat een rechtzoekende stelt te hebben gefinancierde rechtsbijstand wordt verleend. Van belang is dat de verzochte rechtskundige bijstand gelet op de omstandigheden van het geval noodzakelijk is. In de memorie van antwoord ter toelichting op dit artikel is in dit verband erop gewezen dat "voorkomen dient te worden dat zaken in de sfeer van de rechtsbijstand belanden, terwijl andere, meer geëigende vormen van hulpverlening zoals gemeentelijke of andere overheidsinstellingen, sociale raadslieden of maatschappelijk werk, openstaan. (...) Rechtsbijstandverleners kunnen, wanneer zij met dergelijke zaken tijdens het spreekuur worden geconfronteerd, zich beperken tot het aangeven van de instanties of personen tot wie men zich moet wenden". Ook is hierin aangegeven dat "de rechtzoekende zelf het nodige behoort te hebben ondernomen alvorens rechtsbijstand kan worden verleend". In dat licht is de rechtbank van oordeel dat verweerders beleid, zoals neergelegd in werkinstructie O010, redelijk is. 

8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in dit stadium van het geschil juridische bijstand van een advocaat nodig was. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, blijkt dat de dader nog niet bekend was ten tijde van de aanvraag. Hierdoor was het aansprakelijk stellen en een verzoek tot schadevergoeding nog niet aan de orde. Als uiteindelijk een verzoek bij het Waarborgfonds zal worden ingediend omdat de dader niet traceerbaar is, wordt de indiener tevens geacht dit zelf te kunnen doen, gelet op het beleid van verweerder. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat sprake is van bijzondere juridische feitelijke of juridische ingewikkelde dan wel zwaarwegende belangen.

9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Sumer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2014.

Deze website maakt gebruik van cookies