Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Amsterdam 200614.2

Rb Amsterdam 200614.2

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2014/rb-amsterdam-200614-2

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/6038

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2014 in de zaak tussen

X, te A, eiseres 
(gemachtigde mr. E.J. Dennekamp),

en

Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder 
(gemachtigde mr. E.J.W. Reijnders).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 29 augustus 2013, verzonden op 6 september 2013, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.
Op 16 mei 2013 heeft mr. E.J. Dennekamp namens eiseres bij verweerder een verzoek ingediend tot afgifte van een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand voor het vaststellen van de aansprakelijkheid en de schade na een verkeersongeval op 2 mei 2013, waarbij eiseres is aangereden op de fiets. Hierbij heeft zij een hernia en/of een discusbeschadiging opgelopen. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb afgewezen, omdat eiseres op dat moment geen advocaat nodig had.

2. 
Bij het bestreden besluit heeft verweerder - onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand van 28 augustus 2013 - het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hierin is overwogen dat in dit stadium van het geschil nog geen noodzaak bestaat tot bijstand van een advocaat. Eiseres wordt geacht zelf dan wel met advies en informatie van bijvoorbeeld het Juridisch loket de wederpartij, zijnde de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval, aansprakelijk te stellen. 

3. 
Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

4. 
Verweerder heeft zijn beleid op grond van de artikelen voor aanvragen om een dergelijke toevoeging nader uitgewerkt in de interne werkinstructie O010. In die werkinstructie is opgenomen dat de aanvraag om toevoeging voor enkel het aansprakelijk stellen in principe wordt afgewezen. Van rechtzoekende mag verwacht worden dat hij dat zelf doet. Een mogelijke reden om wel voor aansprakelijkstelling toe te voegen is bijvoorbeeld bij ernstige letselschade, zedendelict of mensenhandel. Bijstand van een advocaat is dan noodzakelijk vanwege het grote belang. Bovendien wordt een advocaat toegevoegd, wanneer de aansprakelijkheid door de veroorzaker van het ongeval wordt afgewezen. In andere gevallen wordt de aanvraag om toevoegen voor het vaststellen van schade en aansprakelijkheid afgewezen.

5. 
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het vaststellen van de aansprakelijkheid en schade in de juridische wereld een erkend specialisme is en het buitengewoon ongewenst is dat eiseres in deze fase van de aansprakelijkheidskwestie verstoken zou blijven van een toevoeging, zodat zij in haar eentje tegen de aansprakelijke partij zou moeten opnemen. Hierdoor zou eiseres haar eigen zaak niet kunnen opbouwen, terwijl de aansprakelijke wederpartij kan werken aan verweer. Er is bij de aanvraag al duidelijk gemaakt dat het niet enkel gaat om aansprakelijkheidsstelling. Het is dan ook onbegrijpelijk dat verweerder verwijst naar de werkinstructie O010. Voorts is het vaststellen van de schade na een ongeval een zo complexe zaak dat het naar zijn aard redelijk is dat eiseres hulp zoekt bij een advocaat. Het andersluidende standpunt van verweerder ridiculiseert de specialisatieverenigingen die binnen de advocatuur bestaan. Tot slot is het feit dat eiseres verstoken zal blijven van juridische hulp in strijd met de doelstellingen van de Wrb. Tevens wordt daarmee de uit artikel 18 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende verplichting tot verstrekking van rechtsbijstand geschonden.

6. 
De rechtbank overweegt als volgt. Het recht op een eerlijk proces is specifiek neergelegd in artikel 6 van het EVRM. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 27 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL0716, verwerpt de rechtbank de stelling dat het weigeren van de toevoeging in strijd is met het EVRM. Artikel 6 van het EVRM beoogt weliswaar de toegang tot de rechter te waarborgen maar geeft geen onbeperkt recht op door de overheid gefinancierde toegang tot de rechter. Het toegepaste beleid beperkt immers op zichzelf niet de toegang tot de rechter, maar leidt alleen tot een beperking van de subsidiëring van rechtsbijstand. Artikel 18 van de Grondwet correspondeert met artikel 6 van het EVRM.

7. 
De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat verweerder bij zijn beoordeling beleidsvrijheid heeft. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de wetgeschiedenis dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb tot doel heeft te voorkomen dat voor elk probleem met juridische aspecten dat een rechtzoekende stelt te hebben gefinancierde rechtsbijstand wordt verleend. Van belang is dat de verzochte rechtskundige bijstand gelet op de omstandigheden van het geval noodzakelijk is. In de memorie van antwoord ter toelichting op dit artikel is in dit verband erop gewezen dat "voorkomen dient te worden dat zaken in de sfeer van de rechtsbijstand belanden, terwijl andere, meer geëigende vormen van hulpverlening zoals gemeentelijke of andere overheidsinstellingen, sociale raadslieden of maatschappelijk werk, openstaan. (...) Rechtsbijstandverleners kunnen, wanneer zij met dergelijke zaken tijdens het spreekuur worden geconfronteerd, zich beperken tot het aangeven van de instanties of personen tot wie men zich moet wenden". Ook is hierin aangegeven dat "de rechtzoekende zelf het nodige behoort te hebben ondernomen alvorens rechtsbijstand kan worden verleend". In dat licht is de rechtbank van oordeel dat verweerders beleid, zoals neergelegd in werkinstructie O010, redelijk is.

8. 
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in dit stadium van het geschil juridische bijstand van een advocaat nodig was. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, moet eiseres - zelf dan wel met informatie van het Juridisch loket - in staat worden geacht de wederpartij aansprakelijk te stellen, haar schade, zoals bijvoorbeeld medische kosten en reparatiekosten van de fiets, te laten vaststellen en het contact met de verzekeraar van de wederpartij te kunnen aangaan om schadevergoeding te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiseres zelf de nodige stappen heeft ondernomen om dit in gang te zetten.

9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Sumer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2014. 

Deze website maakt gebruik van cookies