Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Midden-NL 250614

Rb Midden-NL 250614

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2014/rb-midden-nl-250614

Beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht 
kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 2978081 AE VERZ 14-87 MAR/1217

Beschikking van 25 juni 2014

inzake

X
wonende te H, 
verzoekster, 
gemachtigde: mr. E.G.P. Ridder,

tegen

1. de stichting Y, 
gevestigd te Amersfoort, 

2. de naamloze vennootschap GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V., 
gevestigd te Gouda, 
verweersters, 
gemachtigde: mr. M. van der Bent. 

Partijen zullen hierna X, Y en Goudse worden genoemd.

1. 
De procedure

1.1 
Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoek tot een beslissing in een deelgeschil ex artikel 1019w Rv; 
- het verweerschrift van Y en Goudse; 
- het faxbericht van 3 juni 2014, waarbij namens X de producties 28 tot en met 39 zijn overgelegd; 
- de mondelinge behandeling op 4 juni 2014, waarvan aantekening is gehouden; 
- de pleitnotities van X.

1.2. 
Tot slot is uitspraak bepaald op heden.

2. 
De feiten

2.1. 
X is vanaf 1 augustus 2002 voor onbepaalde tijd in dienst geweest bij Y in de functie van huishoudelijk medewerkster. Vanaf medio 2009 was haar functie "helpende plus". Sinds januari 2010 ondervond X klachten aan haar schouders. Zij was voor 5% arbeidsongeschikt en verrichtte aangepaste werkzaamheden.

2.2. 
Goudse is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Y.

2.3. 
De algemene schoonmaakwerkzaamheden in haar panden, waaronder de locatie A liet Y verrichten door schoonmaakbedrijf Gom Schoonhouden B.V.

2.4. 
Op 11 mei 2011 heeft X zich bij de receptie van haar werkgever gemeld, locatie A, in verband met een afspraak met de arboverpleegkundige. De receptioniste gaf aan dat X kon plaatsnemen in de gang bij de spreekkamer.

2.5. 
Terwijl X de gang inliep, gleed zij uit op een (net) gedweilde vloer en viel zij, X had niet gezien dat de vloer nat was. Er stond geen bord om te waarschuwen voor het feit dat de vloer glad kon zijn als gevolg van schoonmaakwerkzaamheden. Tijdens de val probeerde X zichzelf op te vangen. Zij brak daarbij haar linkerpols en ging door haar rechterenkel. 

2.6. 
Bij brief van 31 januari 2012 heeft X Y aansprakelijk gesteld.

2.7. 
Goudse wijst, namens Y, aansprakelijkheid van de hand. 

2.8. 
De arbeidsovereenkomst tussen Y en X is met ingang van 1 mei 2014 ontbonden. 

3. 
Het deelgeschil 

3.1. 
X verzoekt de kantonrechter: 
a) een beslissing te nemen over de schuldvraag met betrekking tot het bedrijfsongeval van 11 mei 2011 en te oordelen dat Y en Goudse ieder voor zich, maar ook hoofdelijk, aansprakelijk zijn voor alle gevolgen van het bedrijfsongeval en gehouden zijn de als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade van X te vergoeden; 
b) te beslissen dat een voorschot op het smartengeld van € 5.000,00 alsmede de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 4.428,10 aan X moet worden betaald; 
c) te beslissen dat Y en Goudse in de kosten van het deelgeschil worden veroordeeld.

3.2. 
Aan dit verzoek legt X het volgende ten grondslag. X is een ongeval overkomen tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden waardoor zij schade heeft geleden. Primair acht X Y aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW en subsidiair op grond van artikel 7:611 BW. Y heeft niet aan haar zorgplicht voldaan die ingevolge artikel 7:658 BW op haar rust en/of er is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het ongeval als werkgerelateerd moet worden aangemerkt en om die reden valt onder de reikwijdte van artikel 7:611 BW. Z is volgens X aansprakelijk primair op grond van artikel 7:658 BW en subsidiair op grond van artikel 7:611 BW gelezen in samenhang met artikel 7:954 BW.

3.3 
Y en Z zijn van mening dat Y niet aansprakelijk is voor het X overkomen bedrijfsongeval. Zij voeren daartoe aan dat in artikel 7:658 BW geen risicoaansprakelijkheid is neergelegd. Daarnaast is Y zorgvuldig geweest bij het selecteren van schoonmaakbedrijf GOM. Indien een medewerker van het schoonmaakbedrijf tegen de gangbare praktijk in een keer vergeet een waarschuwingsbordje te plaatsen, dan valt Y daarvan in redelijkheid geen verwijt maken. Er is dan ook geen sprake van tekortschieten in de zorgplicht volgens Y en Z. Verder voeren Y en Z aan dat artikel 7:611 BW in dit geval niet van toepassing is. Wanneer door een werknemer wordt gesteld dat hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden een bedrijfsongeval is overkomen, moet dat worden afgedaan op basis van artikel 7:658 BW. Indien een daarop gebaseerde vordering wordt afgewezen, vormt artikel 7:611 BW in zo'n geval geen alternatieve of aanvullende grondslag voor aansprakelijkheid. 

3.4. 
De kantonrechter zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan.op de standpunten van partijen.

4. 
De beoordeling

4.1. 
Tussen partijen is de toedracht van het bedrijfsongeval dat X op 11 mei 2011 is overkomen niet in geschil. Evenmin is in discussie dat X daardoor schade heeft geleden. Partijen verschillen van mening over de vraag of Y aansprakelijk is voor de door X geleden schade als gevolg van het ongeval. 

4.2. 
De vraag die daarmee derhalve beantwoord moet worden is of sprake is van aansprakelijkheid van Y vanwege de omstandigheid dat zij niet aan de ingevolge artikel 7:658 BW op haar rustende zorgplicht heeft voldaan en of Y (en daarmee Goudse op de voet van artikel 7:954 BW) gehouden is tot schadevergoeding.

4.3. 
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Artikel 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (Hoge Raad 11 april 2008, NJ 2008/465). Y is als werkgever van X op grond van artikel 7:658 BW dus gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen, die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 
Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

4.4. 
De kantonrechter is van oordeel dat Y door niet te (laten) waarschuwen voor het feit dat een vloer in haar pand glad kan zijn als gevolg van schoonmaakwerkzaamheden (dweilen), niet heeft voldaan aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht. Een vloer die (net) gedweild is en daardoor nat is, kan glad zijn. Voor de gevaren daarvan dient gewaarschuwd te worden. De gladheid van de vloer als gevolg van de dweilwerkzaamheden in combinatie met het ontbreken van een waarschuwing (in de vorm van een waarschuwingsbordje) hebben het ongeval veroorzaakt. De omstandigheid dat Y de schoonmaakwerkzaamheden uitbesteedt (en om die reden niet aansprakelijk zou kunnen worden gehouden), kan aan X niet worden tegengeworpen, omdat het niet relevant is in de verhouding tussen X als werkneemster en Y als werkgever. Het betreft hier immers een keuze van Y en komt zodoende voor haar rekening. Ook de omstandigheid, wat daarvan verder ook zij, dat "een keer is vergeten" een (uitklapbaar) waarschuwingsbordje te plaatsen, kan niet tot de conclusie leiden dat Y wel aan haar zorgplicht heeft voldaan.

4.5. 
Hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen betekent dat het verzoek zoals hiervoor onder 3.1. en onder a) is weergegeven in zoverre toewijsbaar is dat Y aansprakelijk is voor de gevolgen van het X op 11 mei 2014 overkomen bedrijfsongeval en dat Y en Z gehouden zijn de dientengevolge door X geleden en nog te lijden schade te vergoeden. De gevorderde hoefdelijkheid ten aanzien van de aansprakelijkheid wordt afgewezen. Artikel 7:954 levert geen zelfstandige grond op voor aansprakelijkheid van een verzekeraar ten opzichte van een benadeelde. Aan het artikel kan slechts de bevoegdheid van een benadeelde worden ontleend om rechtstreeks van de verzekeraar betaling te vorderen van datgene dat degene die voor de schade aansprakelijk is uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst van de verzekeraar te vorderen zou hebben.

4.6. 
X verzoekt daarnaast een voorschot op haar immateriële schade van € 5.000,00. Hoewel er nog geen medische expertise heeft plaatsgevonden is de kantonrechter van oordeel dat op basis van de medische stukken die zijn overgelegd kan worden geconcludeerd dat X als gevolg van de val haar pols heeft gebroken en letsel heeft opgelopen aan haar rechterenkel. De pols geeft momenteel geen klachten meer, dit in tegenstelling tot de enkel waarvan X pijnklachten ondervindt. In verband met deze pijnklachten is X in ieder geval tot en met februari 2014 onder behandeling geweest van de huisarts en een orthopedisch chirurg. Gelet hierop en op de aard van de procedure acht de kantonrechter in dit stadium voldoende aannemelijk dat Y en Z uiteindelijk gehouden zullen zijn een vergoeding voor immateriële schade te voldoen. 
Ten aanzien van de omvang van het voorschot overweegt de kantonrechter als volgt. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, (lichamelijk) letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 BW). Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel, de aard van de verweten gedraging. de aard van de aansprakelijkheid en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. 
X stelt dat haar huidige klachten bestaan uit pijn aan de rechtervoet, waardoor zij altijd pijn heeft bij het lopen, traplopen. zitten en liggen, met ofzonder fysieke belasting. Zo kan zij geen deken over haar been verdragen en kan ze slechts met tussenpozen anderhalve kilometer lopen. X draagt een brace en voelt het osteosynthesemateriaal dat is ingebracht. In verband met de polsfractuur heeft zij drie weken gips gedragen. terwijl zij in verband met haar enkel drukverband en tape heeft gekregen, fysiotherapie heeft ondergaan en uiteindelijk de diagnose fractuur van het hielbeen rechts is gesteld, waaraan zij is geopereerd. Na de operatie heeft zij moeten revalideren, waarbij een aantal maal opnieuw gips is aangebracht en de voet gefixeerd is geweest. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat ter zake van smartengeld tenminste een bedrag van € 5.000,00 toewijsbaar geoordeeld zal worden. Het gevraagde voorschot zal daarom worden toegewezen. 

4.7. 
Het derde verzoek ziet op buitengerechtelijke incassokosten. X vraagt vergoeding van een bedrag van € 4.428,10. Y en Goudse zijn van mening dat deze vordering de dubbele redelijkheidstoets niet kan doorstaan, omdat het door X overgelegde schadeoverzicht voor wat betreft de materiële schade sluit op € 2.460,24. 
De kantonrechter overweegt als volgt. Het is redelijk dat X gezien het haar overkomen ongeval kosten maakt, waaronder kosten van rechtsbijstand. Hoewel de omvang van de schade op dit moment nog niet vaststaat, beperkt deze zich niet tot een bedrag van € 2.460,24. De schadeopstelling bevat een tweetal PM posten, te weten het verlies arbeidsvermogen en kosten voor huishoudelijke hulp. Ondanks dat Y een bedrag van € 3.205.87 aan door X gemaakte kosten heeft vergoed aan haar, is geen overeenstemming bereikt over de aansprakelijkheid. Duidelijk is dat daartoe in ieder geval buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. De kantonrechter acht deze kosten niet zodanig hoog, in aanmerking genomen het toewijsbaar geoordeelde voorschot op het smartengeld, het reeds door Y betaalde bedrag, alsmede de nog te bepalen omvang van het verlies aan verdienvermogen en kosten van huishoudelijke hulp, dat deze niet redelijk zijn. De kantonrechter zal'de gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen.

4.8. 
De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. 
X maakt aanspraak op een bedrag van € 5.626,72 (26:48 uur, blijkens de overgelegde declaraties deels tegen een uurtarief van € 206,80 en deels tegen een uurtarief van € 211,20, nog te vermeerderen met 21% BTW). 
Y en Goudse zijn van mening dat enige matiging op zijn plaats is. Zij hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren en het uurtarief. 
De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de kantonrechter een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de kantonrechter niet in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 20 uren tegen het in het verzoekschrift genoemde tarief van € 206,80, te vermeerderen met 21% BTW, derhalve op € 4.136,00 te vermeerderen met 21% BTW en met het door X betaalde griffierecht van € 77,00. Y en Goudse zullen tot betaling daarvan aan X worden veroordeeld.

5. 
De beslissing

5.1. 
bepaalt dat Y aansprakelijk is voor het X op 11 mei 2011 overkomen bedrijfsongeval en dat Y en Goudse, hoofdelijk, gehouden zijn de als gevolg daarvan door X geleden en nog te lijden schade te vergoeden;

5.2. 
bepaalt dat aan X een bedrag van € 5.000,00 ter zake van een voorschot op de immateriële schade en een bedrag van € 4.428,10 ter zake van buitengerechtelijke kosten dient te worden betaald; 

5.3. 
begroot de kosten van het deelgeschil op € 4.136,00 te vermeerderen met 21% BTW en met het door X betaalde griffierecht van € 77,00;

5.4. 
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014. 

Met dank aan mr. E.G.P. Ridder, Letselschadebureau Kloppenburg, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies