Artikelen

Rb Gelderland 111215

Hoofdcategorie: Publicaties
Categorie: 2015

Rb Gelderland 111215

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2015/rb-gelderland-111215

in naam van de Koning 

beschikking 

RECHTBANK GELDERLAND 

Team kanton en handelsrecht 

Zittingsplaats A 

zaakgegevens 4355859 \ AZ VERZ 15-56 \ 406 \ 529 
uitspraak van 

beschikking 

in de zaak van 

1. X en 
2. Y, 
in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige Y 
allen wonende te A 
verzoekende partijen 
gemachtigde mr. F.A. Janse 

en 

de naamloze vennootschap N.V. Univé Schade 
gevestigd te Assen 
verwerende partij 
gemachtigde mr. G. Loman 

Partijen worden hierna Y en Univé genoemd. 

1. 
De procedure 

Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift van 10 augustus 2015 met producties 1 t/m 10; 
- het verweerschrift met producties 1 t/m 5; 
-de door de gemachtigde van Y bij e-mail van 25 november 2015 overgelegde aanvullende productie; 
- het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling op 26 november 2015. 

2. 
De feiten 

2.1. 
Op 22 december 2011 vindt een ongeval plaats, waarbij de destijds vierjarige dochter van Y (zittend in een kidcar, gevestigd achter de fiets van haar vader) wordt aangereden door een tegenligger, rijdend op een bromfiets. De tegenligger is verzekerd bij Univé. 

2.2. 
Als gevolg van het ongeval heeft de dochter letsel in haar gezicht opgelopen met fracturen rond het linkeroog. Tevens is sprake van letsel aan het traansysteem. 

2.3. 
Op 20 februari 2012 stelt de gemachtigde van Y Univé aansprakelijk voor de reeds door de dochter geleden schade en nog te lijden schade voortvloeiend uit het ongeval van 22 december 2011. 

2.4. 
Op 22 februari 2012 erkent Univé de aansprakelijkheid. 

2.5. 
De exacte omvang van de fysieke en psychische schade kan pas worden beoordeeld op het moment dat de dochter volgroeid is, op zijn vroegst in oktober 2023. 

3. 
Het verzoek en het verweer 

3.1. 
Y verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, 
a) Univé te veroordelen tot vergoeding van de tot op heden gemaakte buitengerechtelijke kosten, door betaling van de declaraties 1000005881, 1000006029, 1000006201,1000006291,1000006488 en 1000007056 door overmaking van € 3.220,47 te vermeerderen met de wettelijke rente op bankrekeningnummer XXX t.n.v. Janse Advocaten; 
b) Op grond van artike1019aa Rv de kosten van Y te begroten op € 3.097,48 nog te verhogen met de griffiekosten en Univé te bevelen dit bedrag binnen 7 dagen na de datum van deze beschikking te vergoeden door overmaking op bankrekeningnummer XXX t.n.v. Janse Advocaten. 

3.2. 
Ter onderbouwing van haar vordering stelt Y dat Univé op.grond van artikel 6:96 BW gehouden is de redelijke buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en ter vaststelling van de schade te vergoeden. Ondanks herhaalde verzoeken heeft Univé nagelaten de onder 3.1 sub a genoemde declaraties te voldoen. 

3.3.
Univé voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. 
Op dit verweer wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan. 

4. 
De beoordeling 

4.1. 
Het onderhavige verzoek is gegrond op artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.). Dat artikel biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. 
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij geldt dat de investering in tijd, geld en moeite moet worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. 

4.2. 
Voor de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek in het kader van de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade geldt op grond van artikel 1019x 1 id 1 Rv dat de rechter bevoegd is die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien 
deze ten principale aanhangig wordt gemaakt. 

4.3.
Y maakt aanspraak op vergoeding van € 3.220,47 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente. Op grond van artikel 7:954 BW is Y bevoegd om rechtstreeks van Univé - de aansprakelijkheidsverzekeraar van de tegenligger, zoals bedoeld in r.o.. 2.1. - betaling te vorderen van hetgeen deze 'tegenligger' van Univé uit hoofde van het ongeval te vorderen heeft. Op grond van de artikelen 99 lid 1 juncto artikel 93 sub a Rv zou de rechtbank Gelderland; locatie Arnhem, kamer voor kantonzaken, bevoegd zijn indien de zaak in een bodemprocedure in eerste aanleg aanhangig zou worden gemaakt. De kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem , is dus ook bevoegd om op het verzoek in deze deelgeschilprocedure te beslissen. 

4.4. 
Anders dan Univé heeft betoogd is de kantonrechter van oordeel dat een beslissing op het verzoek tot toewijzen van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten op zichzelf kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w Rv), omdat daarmee een belemmering kan worden weggenomen voor de voor de totstandkoming van een reële vaststellingsovereenkomst noodzakelijke verdere rechtshulpverlening. Dat een vaststellingsovereenkomst naar alle waarschijnlijkheid niet op korte termijn zal worden gesloten, maar pas nadat sprake is van een medische eindtoestand van de dochter, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat de wetgever de weigering van de verzekeraar advocaatkosten tussentijds te betalen expliciet als voorbeeld van een deelgeschil heeft aangeduid (TK 2007-2008,31 518 nr. 3, pagina 16). 

4.5. 
Vast staat dat Univé op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW de buitengerechtelijke kosten van Y aan haar moet vergoeden, voor zover die kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen. Over de hier bedoelde redelijkheid is tussen partijen een geschil gerezen. 

4.6. 
Voor de beoordeling of de declaraties van mr. Janse, waarvan Y een veroordeling tot betaling heeft verzocht, zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid c.q. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, is de aard en omvang van de schade en de complexiteit van de zaak van belang. Daarnaast komt betekenis toe aan de verhouding tussen de schade en de kosten, met dien verstande dat ook indien uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden aanspraak op vergoeding van deze kosten kan bestaan (HR 11 juli 2003, NJ 2005/50). De verhouding die verzekeraars als zijnde redelijk hanteren, de zogenoemde PIV -staffel, vormt bij de beoordeling niet het uitgangspunt, maar wel één van de factoren. Ook de opstelling van partijen kan van invloed zijn op de redelijkheid van het maken van kosten en de omvang ervan. 

4.7. 
Uit de stellingen van partijen en de door Univé overgelegde productie 1 leidt de kantonrechter af dat Univé reeds een voorschot op het smartengeld (tot 7 mei 2012) heeft betaald van € 2.500,00, alsmede een voorschot op de materiële schade van € 2.654,05. 
Partijen zijn het er over eens dat Univé daarnaast de vijf declaraties ter zake buitengerechtelijke kosten, zoals genoemd in punt 8 van het verzoekschrift, van in totaal € 5.612,85 heeft voldaan. De vraag is of Univé gehouden is in aanvulling daarop de declaraties betreffende buitengerechtelijke kosten te voldoen, zoals opgesomd in r.o. 3.1 sub a. Deze declaraties, van in totaal € 3.220,47, hebben betrekking op werkzaamheden in de periode 18 februari 2013 tot en met 4 mei 2015 en zijn voorzien van een declaratiespecificatie. Daarmee zou het totale bedrag aan buitengerechtelijke kosten tot 4 mei 2015 uitkomen op € 8.833,32. 

4.8. 
Univé heeft aangevoerd dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten volstrekt bovenmatig zijn en in strijd met de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW. 
Volgens Univé is sprake van een wanverhouding tussen de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten. Zij heeft er op gewezen dat geen sprake is van een bewerkelijke of complexe zaak, nu Univé de aansprakelijkheid direct heeft erkend en bijvoorbeeld geen arbeidsdeskundige of re-integratie activiteiten hebben plaatsgevonden. Univé wijst er op dat uit de door mr. Janse overgelegde declaratiespecificaties blijkt dat de door hem bestede tijd slechts voor een beperkt deel betrekking heeft op correspondentie met Univé. Het is Univé niet duidelijk waarop de overige correspondentie ziet, waarbij zij er op wijst dat van een gespecialiseerd letselschade advocaat mag worden verwacht dat deze de correspondentie zoveel mogelijk clustert om de kosten niet te hoog op te laten lopen. Voorts wijst Univé er op dat het door Y gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten de PIV-staffel ver te boven gaat. Op grond van de PIV -staffel behoort bij een bedrag van € 5.612,94 aan buitengerechtelijke kosten een schadebedrag van € 23.000,00. Volgens Univé zal de schade 
in de onderhavige zaak niet zo hoog zijn. 

4.9. 
Ten aanzien van de vraag of de door Y gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid c.q. redelijke kosten, oordeelt de kantonrechter als volgt. 
Uit de door Y als productie 3 overgelegde declaratiespecificaties leidt de kantonrechter af dat mr. Janse een aanzienlijke hoeveelheid tijd aan het onderhavige dossier heeft besteed. Ter zitting heeft mr. Janse verklaard dat de zaak een enorme impact heeft op de heer X en mevrouw Y en dat hij veel contact met hen onderhoudt, onder meer om de tussentijdse kosten van de ouders te inventariseren. Mr. Janse heeft voorts verklaard dat hij correspondentie voert met verschillende medische instanties om zodoende de tussentijdse schade te kunnen monitoren en dat al deze informatie bij de uiteindelijke vaststelling van de schade dient te worden betrokken. Volgens mr. Janse zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten te beschouwen als redelijke kosten en zou afwijzing van de vordering er toe leiden dat de ouders de rechtsbijstand voor de komende acht jaren zelf zouden moeten betalen, hetgeen zeer onwenselijk is. 
Weliswaar heeft Univé gesteld dat sprake is van een wanverhouding tussen de in rekening gebrachte buitengerechtelijke kosten en het schadebedrag (tot en met mei 2014), maar daarbij miskent Univé dat het uiteindelijke schadebedrag naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijk hoger zal uitvallen, nu een medische eindtoestand rond 2023 wordt verwacht en pas dan zal kunnen worden bepaald hoe het medische vervolgtraject er uit zal zien. Nu de hoogte van de uiteindelijke schade op dit moment volstrekt onduidelijk is, is de kantonrechter van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitenrechtelijke kosten redelijk zijn de PIV-staffel geen handvat biedt. 
De kantonrechter overweegt voorts dat voldoende is komen vast te staan dat de complexiteit van de zaak beperkt is, nu Univé direct aansprakelijkheid heeft erkend. De kantonrechter volgt Univé waar zij stelt dat van een gespecialiseerd letselschadeadvocaat mag worden 
verwacht dat hij de contactmomenten met onder meer client en medici, zoveel mogelijk clustert, teneinde excessieve buitengerechtelijke kosten te voorkomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Y echter (vooralsnog) genoegzaam aannemelijk gemaakt dat 
de kosten van rechtsbijstand voldoen aan de daaraan te stellen eisen en had het op de weg van Univé gelegen ter zake concreet en onderbouwd aan te geven welke door mr. Janse verrichte werkzaamheden haars inziens niet redelijk zouden zijn. Dat heeft Univé onvoldoende gedaan. Y heeft onweersproken gesteld dat Univé pas voor het eerst in deze procedure vraagtekens heeft gezet bij de werkzaamheden die aan de declaraties ten grondslag liggen, terwijl Univé zich er eerder slechts op beriep dat de buitengerechtelijke kosten niet in verhouding zouden staan tot de schade onder verwijzing naar de PIV-staffel en de gestelde wanverhouding tussen de buitengerechtelijke kosten en de schade. De enkele stelling van Univé dat mr. Janse tot en met 10 juli 2015 'maar liefst 29,25 uur' aan de zaak heeft besteed, hetgeen volgens Univé een onredelijk fors aantal uren is, heeft zij niet voldoende concreet onderbouwd. Univé heeft ten aanzien van een aantal declaraties - waarvan slechts twee declaraties onderwerp van geschil zijn - aangevoerd dat slechts een beperkt aantal uren betrekking heeft op correspondentie met Univé. De kantonrechter begrijpt dat Univé zich - ook ten aanzien van de facturen waarvan thans betaling wordt gevorderd - op het standpunt stelt dat het voor haar niet duidelijk is waarop de correspondentie met derden betrekking heeft. Gelet op het feit dat in de declaratiespecificaties (die ten grondslag liggen aan de facturen en waarvan thans betaling wordt gevorderd) bij de omschrijving 'correspondentie met derde' in de laatste kolom veelal is beschreven wie deze derde is en gelet op het feit dat eerdere declaraties door Univé zijn aanvaard zonder dat mr. Janse er concreet op is gewezen welke werkzaamheden haars inzien niet als redelijke kosten in de zin van artikel 6:961id 2 BW konden worden aangemerkt, is de kantonrechter van oordeel dat Univé onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat de door Y gevorderde buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW niet zouden kunnen doorstaan. 

4.10. 
Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot de conclusie dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 3.220,47 toewijsbaar zijn. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten zal daarentegen worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald. 

4.11. 
De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid I Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij ook de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen (ook indien een verzoek niet wordt toegewezen). Bij de begroting daarvan dient de kantonrechter ook de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten dus redelijk zijn. 
Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is, zodat de kosten kunnen worden begroot. 

4.12. 
Y maakt aanspraak op een bedrag van € 3.097,48, te vermeerderen met het griffierecht van € 221,00. In haar berekening gaat Y uit van 10 bestede uren á € 297,00 te vermeerderen met 6% kantoorkosten en 21% btw. 
Door Univé is niet bestreden dat het redelijk is dát kosten zijn gemaakt ten behoeve van de onderhavige procedure, zodat daarvan wordt uitgegaan. Univé heeft aangevoerd dat het in rekening gebrachte uurtarief van € 297,00 te hoog is en dat een uurtariefvan € 230,00 zou 
moeten worden gehanteerd. Univé wijst er op dat dit lagere uurtarief voorheen steeds werd gehanteerd door de gemachtigde van Y. Univé acht de in rekening gebrachte kosten van rechtsbijstand bovenmatig en niet in verhouding met de gestelde schade. 
De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de kantonrechter een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de kantonrechter niet in 
overeenstemming. De kantonrechter ziet daarom aanleiding de in rekening gebrachte kosten te matigen en de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW te begroten op 8 uur tegen een uurtariefvan € 230,00. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom een uurtarief van € 297,00 in rekening wordt gebracht, nu Univé onweersproken heeft gesteld dat voorheen een uurtarief van € 230,00 werd gehanteerd. 
De met de opstelling van hetverzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter in totaal worden begroot op 8 uur x € 230,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW, derhalve € 2.359,98 inclusief kantoorkosten en BTW, te vermeerderen met een bedrag van € 221,00 aan griffierecht. In totaal derhalve € 2.580,98. Univé zal tot betaling daarvan aan Y worden veroordeeld, 

4.13. 
Y heeft verzocht om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Univé heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De kantonrechter overweegt als volgt. 
Alhoewel artikel 288 Rv bepaalt dat eindbeschikkingen uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard, is de kantonrechter van oordeel dat de aard van de deelgeschilprocedure zich verzet tegen het verzoek. Artikel 1019bb Rv bepaalt immers dat tegen de beschikking 
op het verzoek geen voorziening openstaat, omdat het openstellen van zo'n voorziening niet strookt met de ratio van de deelgeschilprocedure, kort gezegd beslissen op een geschilpunt dat partijen verdeeld houdt om ze in staat te stellen de onderhandelingen weer op te pakken. 
Het verzoek van Y zal daarom worden afgewezen. 

5. 
De beslissing 

De kantonrechter, 

5.1. 
veroordeelt Univé tot vergoeding van de tot op heden gemaakte buitengerechtelijke kosten, door betaling van de declaraties 1000005881, 1000006029, 1000006201, 1000006291, 1000006488 en 1000007056 door overmaking van € 3.220,47 op bankrekeningnummer XXX t.n.v. Janse Advocaten; 

5.2. 
begroot de kosten in de zin van artikel 1019aa Rvop € 2.580,98 en veroordeelt Univé tot betaling van dit bedrag aan Y binnen zeven dagen na deze uitspraak, door overmaking op bankrekeningnummer XXX t.n.v. Janse Advocaten; 

5.3. 
wijst het meer of anders verzochte af. 

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2015. 

Met dank aan de heer mr. F.A. Janse, Janse Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies