Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Noord-Holland 150715

Rb Noord-Holland 150715

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2015/rb-noord-holland-150715

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND 

Afdeling privaatrecht 
Sectie Handel & Insolventie 
Zittingsplaats Alkmaar 
HvE/JB/JR

zaaknummer / rolnummer. C/14/135153 / HA ZA 12-56 

Vonnis van 15 juli 2015 

in de zaak van 

zaaknummer / rolnummer. C/14/135153 / HA ZA 12-56 van 
(toev.nr.: 4GL1387; 4GL1390; 4GL1391; 4GL1392; 4GL1393; 4GL1394) 
X, 
wonende te H, 
EISER, 
advocaat mr. E.F. Klungers te Alkmaar,

tegen

toev. nr. 4JD9118 
I. A 
wonende te H, 
gedaagde, 
advocaat mr. M. Westerveld te Amsterdam, 

toev. nr. 4JD8005 
2. B 
wouende te H. 
gedaagde, 
advocaat mr. G.E. Helder te Grootebroek. 

toev. nr. 4JC2362 
3 C 
wonende te H. 
gedaagde. 
advocaat mr. N. van der Knik te Zwaag. 

toev. nr. 4JF5728 
4 D 
gedetineerd te V. 
gedaagde. 
advocaat mr. J. Kluivers te Haarlem. 

GEDAAGDEN 

Eiser zal hierna X worden genoemd. Gedaagden zullen tezamen 'gedaagden' worden genoemd en ieder afzonderlijk A, B, C en D.

1. De procedure 

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het tussenvonnis van 8 oktober 2014; 
- de akte uitlating overlegging producties, alsmede akte vermeerdering van eis van X: 
- de antwoordakte producties/vermeerdering van eis van D; 
- het rolbericht van 13 januari 2015 zijdens B, waarin afstand wordt gedaan van het nemen van een antwoordakte: 
- de antwoordakte van A; 
- het rolbericht van 27 januari 2015 zijdens C, waarin wordt afgezien van het nemen van een antwoordakte. 

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 

2. De verdere beoordeling 

verlies arbeidsvermogen 

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij in het tussenvonnis van 8 oktober 2014 heeft overwogen en beslist. In voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank beslist op de door X gevorderde posten smartengeld, verlies zelfwerkzaamheid. medische- en herstelkosten, reiskosten en diverse kosten. Ten aanzien van de begroting van het verlies aan arbeidsvermogen heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen, teneinde X de gelegenheid te geven zich uit te laten over zijn inkomen zonder ongeval met inachtneming van de door de rechtbank onder 2.13. van het tussenvonnis gegeven uitgangspunten. Deze uitgangspun ten houden kortgezegd in dat aangesloten moet worden bij de beloningen en de beloningsstructuur die wordt gehanteerd in de Landelijkecollectieve arbeidsovereenkomst voor de afbouw, rekening houdend met een rekenrente van 2% voor een periode van 20 jaar en 3% voor de resterende periode. 

2.2. X heeft hiertoe een akte genomen en daarbij een tweetal rapporten van Het Rekenbureau overgelegd, waaruit volgt dat het totale verlies aan arbeidsvermogen, rekening houdend met cao-verhogingen, vakantiebonnen en pensioenschade. EUR 441.702.- bedraagt. Vervolgens heeft X zijn eis vermeerderd in die zin dat hij thans van gedaagden betaling vordert van een bedrag van EUR 596.375,23 (zijnde EUR 441.702.- vermeerderd met het gestelde in het tussenvonnis reeds toegewezen bedrag van EUR 154.673,23), nog te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede veroordeling in de proceskosten, daaronder begrepen een bedrag van EUR 2.192,52 voor de werkzaamheden van Het Rekenbureau.

2.3. Alleen D en A hebben hierop inhoudelijk geantwoord. Zij hebben erop gewezen dat het thans gevorderde bedrag meer is dan wat de beoogde compagnon van X in de eigen onderneming zou hebben verdiend en wat oorspronkelijk aan de vordering van X ten grondslag was gelegd. 

Volgens D is het rapport op verkeerde uitgangspunten gestoeld, omdat de rechtbank heeft aangenomen dat X als beginnend stukadoor niet hetzelfde zou hebben verdiend als zijn ervaren compagnon. De pensioenschade dient voorts buiten beschouwing te blijven, omdat niet is gebleken dat X ten tijde van het voorval een pensioenvoorziening had afgesloten. D is van mening dat aangeknoopt zou moeten worden bij het inkomen dat X bij Hertog Personeelsdiensten verdiende, nu dit het laatst bekende inkomen was. Daarvan uitgaande komt D op een totale schade wegens verlies aan verdiencapaciteit van EUR 120.811,08 inclusief wettelijke rente. 
A heeft aangevoerd dat een ondernemer geen vakantiebonnen krijgt en dat alleen werknemers in loondienst onder het Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid vallen, terwijl zzp-ers (wat X als stukadoor zou zijn) over het algemeen geen pensioenvoorziening plegen te hebben. Volgens A zou X - indien het rapport zou worden gevolgd - in een gunstiger positie komen te verkeren dan zonder het schadevoorval het geval zou zijn geweest, omdat hij dan geen vakantiebonnen en pensioenrechten zou hebben gekregen. Tot slot is A van mening dat er rekening moet worden gehouden met huur- en zorgtoeslag, waarvoor X in verband met zijn lagere inkomen thans in aanmerking moet komen. X dient dit alsnog inzichtelijk te maken, aldus A. 

2.4. Gedaagden hebben eerder gemotiveerd betwist dat X als zelfstandig stukadoor inkomen zou gaan genereren. De rechtbank heeft in voornoemd tussenvonnis overwogen dat zij niet meegaat in de stelling dat X hetzelfde zou hebben verdiend als zijn beoogde compagnon en dat, gelet op het feit dat X nog moest beginnen als zelfstandig stukadoor, evenmin aangesloten kon worden bij hetgeen hij reeds als stukadoor had verdiend. Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat bij het bepalen van de hoogte van zijn hypothetische inkomen zonder ongeval aangesloten moet worden bij de beloningen en de beloningsstructuur die wordt gehanteerd in de Landelijke collectieve arbeidsovereenkomst voor de afbouw. De rechtbank is er daarbij dus van uitgegaan dat X zou verdienen hetgeen een (beginnend) stukadoor in loondienst zou verdienen. 

2.5. Uit de door X overgelegde berekening van Het Rekenbureau blijkt dat de totale inkomensschade van X als werknemer, uitgaande van een kapitalisatiedatum van 1 januari 2011, EUR 441.702,- bedraagt. Dat is meer dan hetgeen oorspronkelijk door hem was begroot, onder meer omdat in die oorspronkelijke begroting geen rekening was gehouden met vakantiegeld en pensioenschade. Nu de rechtbank echter heeft aangesloten bij hetgeen een werknemer in loondienst verdient, behoren deze posten tot de te lijden schade. De berekening is dus in overeenstemming met de uitgangspunten van de rechtbank. De rechtbank heeft voorts gemotiveerd aangegeven waarom zij aansluit bij de beloningen die worden gehanteerd in de Landelijke collectieve arbeidsovereenkomst voor de afbouw. Hieruit volgt reeds dat niet aangeknoopt wordt bij hetgeen X bij Hertog Personeelsdiensten verdiende. In hetgeen D thans aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen. Nu gedaagden ook verder geen bezwaar hebben gemaakt tegen de eisvermeerdering. zal de rechtbank deze toelaten. 

2.6. A heeft voor het eerst bij antwoordakte aangevoerd dat in de schadeberekening mee moet worden genomen dat X thans in verband met zijn inkomen recht moet hebben op huur- en zorgtoeslag. Dit verweer is tardief aangevoerd en zal de rechtbank om die reden buiten beschouwing laten. 

2.7. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de door X overgelegde schadeberekening overneemt en tot.de hare maakt. 

diverse kosten

2.8. De rechtbank merkt op dat in het tussenvonnis nog niet is beslist op de onder 2.3. f) tussenvonnis genoemde post Diverse kosten ad EUR 850,-. De rechtbank zal dat alsnog doen. De door X gevorderde kosten bestaan uit een bedrag van EUR 370,- voor rijlessen om ineen aangepaste auto te kunnen rijden en een bedrag van EUR 480,- in verband met als gevolg van het voorval beschadigde kleding. Gedaagden hebben deze posten niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. De bedragen, clie cle rechtbank aannemelijk en redelijk voorkomen, zullen worden toegewezen. 

totale schade 

2.9. In het tussenvonnis van 8 oktober 2014 heeft de rechtbank overwogen dat X een immateriëleschadevergoeding van EUR 130.000,- toekomt. Ten aanzien van verlies voor zelfwerkzaamheid heeft de rechtbank per kapitalisatiedaturn 1 januari 2011 een bedrag van EUR 8.904,- toewijsbaar geacht. De medische- en herstelkosten heeft de rechtbank in voornoemd tussenvonnis tot een bedrag van EUR 12.419,23 toewijsbaar geacht. De gevorderde reiskosten ad. EUR 2.500,- zijn integraal toewijsbaar geacht. Tezamen met de thans toegewezen bedragen, bedraagt de totale schade van X, exclusief de wettelijke rente, het thans gevorderde bedrag van EUR 596.375,23. Hierop dienen de uitkeringen van het Schadefonds Geweldmisdrijven nog in mindering te worden gebracht. 

uitkeringen Schadefonds Geweldsmisdrljven en wettelijke rente 

2.10. X heeft EUR 130.000,- aan immateriële schade geleden. De immateriële schadevergoedingsvordering is opeisbaar per datum mishandeling, zodat de wettelijke rente daarover overeenkomstig de primaire vordering ingaat per 20 februari 2007. De door het Schadefonds Geweldmisdrijven reeds aan X ten titel van immateriële schade omstreeks 13 november 2008 betaalde uitkering van EUR 9.100,- zal met inachtneming van artikel 6:44 BW eerst op de verschenen rente en vervolgens op de immateriële schadevergoeding in mindering worden gebracht. De wettelijke rente over EUR 130.000,00 in de periode 20 februari 2007 t/m 13 november 2008 beloopt EUR 13.851,12, zodat de totale vordering op die datum EUR 143.851.12 bedroeg. Het op die dag door het Schadefonds betaalde bedrag van EUR 9.100.- wordt op de rente in mindering gebracht. Derhalve resteert een bedrag aan immateriële schade van EUR 134.751,12 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2008. 

2.11. X heeft in totaal EUR 466.375,23 aan materiële schade geleden. De wettelijke rente over de toegewezen toekomstige materiële schadeposten (verlies aan arbeidsvermogen en zelfredzaamheid, totaal E 450.606,-) zal met ingang van de kapitalisatiedatum van 1 januari 2011 worden toegewezen. De wettelijke rente over de reeds verschenen materiële schade (totaal E 15.769.23) zal - enerzijds bij gebreke aan specificaties wanneer deze kosten zijn gemaakt, anderzijds uit proceseconomische overwegingen - worden toegekend vanaf datum dagvaarding. De door het Schadefonds Geweldmisdrijven reeds aan X ten titel van materiële schade betaalde uitkeringen van EUR 13.924,- omstreeks 13 november 2007 en EUR 8.776,- omstreeks 10 december 2009 zullen eerst op de verschenen schade en vervolgens om de toekomstige schade in mindering worden gebracht. Derhalve resteert een bedrag aan materiële (toekomstige) schade van EUR 443.675,23, te vermeerderen met de wetlelijke rente daarover vanaf 1 januari 2011.

2.12. Gedaagden zijn voor de aldus berekende bedragen en de wettelijke rente hoofdelijk aansprakelijk, met inachtneming van het feit dat iedere gedaagde uit hoofde van zijn strafrechtelijke veroordeling echter reeds tot betaling van schadevergoeding is veroordeeld. Niet gebleken is overigens dat aan die veroordelingen (deels) al is voldaan. 

matiging 

2.13. B heeft een beroep gedaan op matiging van de aan X toe te kennen schadevergoeding. Hij wenst dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat hij, als gevolg van een ernstig ongeval, altijd afhankelijk zal zijn van een uitkering. Dit beroep faalt. Gelet op de wijze waarop de schade aan X is toegebracht, leidt het toerekenen van een volledige schadevergoeding, ook indien B afhankelijk blijft van een uitkering, niet tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen.

proceskosten 

2.14. Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van X. Gedaagden hebben ervoor gekozen zich ieder door een eigen advocaat te laten bijstaan. Dit heeft ertoe geleid dat X vier verschillende conclusies van repliek heeft moeten nemen. De kosten van Het Rekenbureau ad EUR 2.192,52 komen eveneens voor vergoeding in aanmerking, nu het inschakelen van een deskundige voor het maken van een complexe berekening als het verlies van arbeidsvermogen redelijk is te noemen en ook de hoogte van de kosten de rechtbank niet onredelijk voorkomen. 
De kosten aan de zijde van X worden daarom begroot op: 
. explootkosten EUR 181.28 (waarvan 75% = EUR 135.96 in debet gesteld) 
- kosten deskundigen 2,192.52 
betaald griffierecht 73.00 
- salaris advocaat 16,770.00 (6.5 punten x factor 1.0 x tarief E 2.580.00) 
Totaal EUR 19,216.80 

Aangezien aan X een toevoeging is verleend, dienen de in debet gestelde explootkosten te worden voldaan aan de griffier, omdat deze kosten door de rechtbank aan de deurwaarder zijn of worden voldaan. 

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk - des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - om aan X te betalen een bedrag van EUR 578.426,35 (zegge: vijfhonderd-achtenzeventig duizend vierhonderdzesentwintig euro en vijfendertig cent), met dien verstande dat indien en voor zover een hunner reeds aan de tegen hem in de strafrechtelijke procedure uitgesproken civiele veroordeling heeft voldaan, dit in mindering komt op het hierboven genoemde bedrag; 

3.2. veroordeelt gedaagden hoofdelijk- des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van EUR 134.751,12 vanaf 14 november 2008 en de wettelijke rente over een bedrag van EUR 443,675,23 vanaf 1 januari 2011;

3.3. veroordeelt gedaagden hoofdelijk - des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd- in de proceskosten, aan de zijde van X tot op heden begroot op EUR 19.216,80, waarvan een bedrag van EUR 135,96 na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak dient te worden overgemaakt op het daarop vermelde rekeningnummer onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer:

3.4. wijst af het meer of anders gevorderde;

3,5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid. mr. J. Blokland en mr. H. E. van Erp-van Harten en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

Met dank aan mr. E.F. Klungers, Boddaert Verweel Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies