Artikelen

Rb Oost-Brabant 210814

Hoofdcategorie: Publicaties
Categorie: 2015

Rb Oost-Brabant 210814

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2015/rb-oost-brabant-210814

vonnis 

RECHTBANK OOST-BRABANT 

Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch 

Zaaknummers : 2309578 en 2629917 / 317 
Rolnummers : 13-8317 en 13- 11972 
Uitspraak : 21 augustus 2014 

in de hoofdzaak met zaaknummer 2309578 en rolnummer 13-8317 van: 

X, 
wonende te Y , 
eiseres, 
procederend met rechtsbijstand ingevolge toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand d.d. 14 december 2012, nr. 1GC9507, 
gemachtigde: mr. J.P.C. van den Bogaard, 

tegen: 

P, h.o.d.n, Salon Q , 
wonende te R, 
gedaagde, 
gemachtigde: mr. E.J.M. Lorié, 

als vervolg van het tussen partijen gewezen vonnis van 21 november 2013, 

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer 2629917 en rolnummer 13-11972 van: 

P, h.o.d.n. Salon Q , 
wonende te R . 
eiser, 
gemachtigde: mr. E.J.M. Lorié, 

tegen: 

Aegon Schadeverzekering N.V., 
statutair gevestigd te Den Haag, 
gedaagde, 
gemachtigde: mr. V. Oskarn, 

Partijen zullen verder worden aangeduid als 'X ", 'P' en 'Aegon '. 

1. Het vervolg van de procedure 

Bij voormeld vonnis heeft de kantonrechter toegestaan dat P Aegon in vrijwaring dagvaardt en de hoofdzaak verwezen naar de rol voor antwoord. P heeft in de hoofdzaak geantwoord. Vervolgens zijn in de hoofdzaak de conclusie van repliek tevens wijziging van eis en een akte in het geding brengen productie gewisseld. Daarop heeft P een conclusie van dupliek genomen. 
In de vrijwaringszaak heeft P Aegon gedagvaard. Aegon is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens zijn de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek gewisseld. 
Tenslotte is (andermaal) vonnis bepaald. 

2. Het geschil in de hoofdzaak 

2.1. 
X vordert, na wijziging van eis bij repliek: 
a) voor recht te verklaren dat P op grond van schending van het goed werkgeverschap en met het oog op de redelijkheid en billijkheid aansprakelijk is voor de schade die door X is geleden en die zij in de toekomst nog zal lijden als gevolg van het niet afsluiten van een behoorlijke verzekering ter dekking van de schade die kan voortvloeien uit het bijzondere risico dat deelname aan het verkeer in opdracht van de werkgever met zich meebrengt; 
b) P te veroordelen deze schade te voldoen, op te maken bij staat. 

Voor hetgeen zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, wordt verwezen naar hetgeen in het incidentele vonnis onder 2.2. is overwogen. 

2.2. 
P heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zijn verweer zal, indien en voor zover relevant, in het navolgende aan de orde komen. 

3. De beoordeling in de hoofdzaak 

3.1.
Aangenomen wordt dat bedoeld is te vorderen voor recht te verklaren dat P aansprakelijk is voor de schade die door X als gevolg van het ongeval van 6 maart 2010 is geleden en die zij in de toekomst nog zal lijden als gevolg van het niet afsluiten van een behoorlijke verzekering ter dekking van de schade die kan voortvloeien uit het bijzondere risico dat deelname aan het verkeer in opdracht van de werkgever met zich meebrengt. 

3.2. 
P heeft aangevoerd dat X niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, aangezien in de ontbindingsbeschikking d.d. 16 mei 2011 alle met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst samenhangende aspecten geacht moeten worden te zijn meegewogen bij de beoordeling en de hoogte van de vaststelling van de vergoeding, en in die beschikking niet is aangegeven dat sommige aspecten van de arbeidsovereenkomst door de rechter buiten beschouwing zijn gelaten of een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de schade als gevolg van het ongeval op 6 maart 2010, zodat de bij die beschikking toegekende vergoeding ook heeft te zien op de door het ongeval geleden schade en die schade niet daarna nogmaals, in deze procedure, aan de orde kan worden gesteld. 
Dit verweer moet worden verworpen. De schade als gevolg van het ongeval is in de beschikking van 16 mei 2011 in het geheel niet genoemd en nergens uit blijkt dat in de ontbindingsprocedure tussen partijen een debat is gevoerd over (de vergoeding van) de schade als gevolg van het ongeval en de vraag of en zo ja op welke wijze deze zou moeten worden meegewogen in de ontbindingsvergoeding, en nergens uit blijkt dat de bij die beschikking toegekende vergoeding tevens zou zien op de schade die X als gevolg van het ongeval heeft geleden. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de toegekende vergoeding in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tevens ziet op de schade die X als gevolg van het ongeval heeft geleden. 
Dit verweer kan derhalve niet worden aanvaard. 

3.3. 
Voor toewijzing van de vordering is vereist dat het ongeval van 6 maart 2010 heeft plaatsgevonden tijdens werkverkeer dan wel tijdens vervoer dat op een lijn dient te worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. De werkgever is immers op grond van artikel 7:611 BW in beginsel alleen gehouden de niet door een verzekering gedekte schade te dragen die de werknemer lijdt doordat hij tijdens werkverkeer of daaraan gelijk te stellen woon-werkverkeer bij een verkeersongeval betrokken raakt. Dit behoudens opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer, wat hier geen rol speelt. 

3.4.
X heeft primair gesteld dat er sprake is van werkverkeer. De kantonrechter volgt haar niet in dit standpunt. X was op het moment dat het ongeval plaatsvond onderweg vanaf haar gebruikelijke woon-werk route naar het huis van P, met de bedoeling hem daar op te halen om samen naar het werk te rijden. Dit betreft geen werkverkeer. Dat X van haar gebruikelijke woon-werkverkeer route is afgeweken in opdracht of op verzoek van P, laat dat onverlet. 

3.5. 
Subsidiair heeft X aangevoerd dat het vervoer gelijk gesteld dient te worden aan werkverkeer, aangezien het plaatsvond krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Zij verwijst in dat kader naar het arrest HR 19 december 2008, JAR 2009/17 en 18 (Mulder/Gündogdu). 
De kantonrechter oordeelt als volgt. 
Of sprake is van vervoer dat op één lijn te stellen is met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van hel geval. 
P heeft weersproken dat hij X heeft opgedragen om hem op 6 maart 2010 te komen ophalen. Volgens hem betrof het slechts een verzoek daartoe. Wat daar van zij, ook indien P X in min of meer dwingende termen zou hebben verzocht hem te komen ophalen, is er geen sprake van vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Het ongeval vond plaats tijdens gewoon woon-werkverkeer van X waarbij zij een andere route reed omdat zij (wellicht dringend of zelfs dwingend) was verzocht om P op te halen. Het op diens (dringende of dwingende) verzoek op weg naar het werk eenmalig ophalen van haar werkgever staat echter in zo ver verwijderd verband met het verrichten van de werkzaamheden uit hoofde van de arbeidsovereenkomst dat het onderhavige ongeval niet kan worden aangemerkt als een ongeval in de uitoefening van de werkzaamheden. Op P rustte derhalve niet de verplichting om zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering ter dekking van schade als de onderhavige. Dat X zich niet vrij heeft gevoeld om het verzoek van P te weigeren - gelet op de gestelde toon ervan -, maakt dat niet anders. 

3.6. 
Aangezien het ongeval niet heeft plaatsgevonden tijdens werkverkeer dan wel tijdens vervoer dat op een lijn dient te worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, zal de vordering worden afgewezen. 
De overige verweren van P behoeven daarom geen bespreking. 

3.7. 
X zal, als de in de hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in de hoofdzaak.

4. Het geschil in de vrijwaringszaak

4.1.
P heeft in de vrijwaringszaak gevorderd veroordeling van Aegon tot betaling aan P of aan X rechtstreeks - met toepassing van artikel 7:942 BW - van al hetgeen waartoe P in de hoofdzaak zal worden veroordeeld aan X te betalen, dan wel eventuele regresnemers, te vermeerderen met wettelijke rente, met inbegrip van de kostenveroordeling, te vermeerderen met nakosten.

P heeft daaraan, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat Aegon op grond van de met hem gesloten verzekeringsovereenkomst gehouden is de door P als gevolg van het ongeval van X geleden schade te vergoeden.

4.2. 
Aegon beeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het gevorderde.

5. De beoordeling in de vrijwaringszaak

5.1. 
Nu de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen komt de vordering in vrijwaring niet meer aan de orde. De vordering wordt daarom afgewezen.

5.2. 
Aangezien de procedure in vrijwaring in het belang van P en dus op zijn risico is gestart, zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in de vrijwaringszaak.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak:

wijst de vordering af:

veroordeelt X in de kosten van de procedure. aan de zijde van P begroot op € 400.- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast):

in de vrijwaringszaak:

wijst de vordering af:

veroordeelt P in de kosten van de procedure, aan de zijde van Aegon begroot op € 400.- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak:

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers. kantonrechter. en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 augustus 2014. 

Met dank aan mr. E.J.M. Lorié, SRK Rechtsbijstand, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies