Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Zeeland-West-Brabant 040315

Rb Zeeland-West-Brabant 040315

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2015/rb-zeeland-west-brabant-040315

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT 

Handelsrecht 

Breda 

zaaknummer / rekestnummer. C/02/289057 / HA RK 14-213

Beschikking van 4 maart 2015

in de zaak van

1. X pro se en als wettelijk vertegenwoordiger van Y, 
wonende te XX,
2. Z pro se en als wettelijk vertegenwoordiger van Y, 
wonende te XX,
verzoekers,
advocaat mr. N.M.I. Bastiaans

tegen 

naamloze vennootschap 
NV SCHADEVERZEKER1NG MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ, 
statutair gevestigd te Nijmegen, 
verweerster, 
advocaat mr. J.R. Meelker. 

Partijen zullen hierna Y c.s. respectievelijk Bovemij worden genoemd.

1. De procedure 

Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het op 13 november 2014 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met productie 1 tot en met 5; 
- het verweerschrift met een productie; 
- de brieven van 4 februari 2015 zijdens Y c.s.; 
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift gehouden op 11 februari 2015; 

2. Het verzoek 

2.1. Y c.s. verzoeken de rechtbank om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 
I. te bepalen dat Bovemij aansprakelijk is voor het op 14 april 2014 Y overkomen verkeersongeval, en dat Bovemij gehouden is de als gevolg daarvan door Y geleden en nog te lijden schade te vergoeden; 
II. Bovemij te veroordelen tot betaling van een voorschot op zijn schade van € 50.000,- binnen 14 dagen na het nemen van de beschikking in dit deelgeschil; 
III. Bovemij te veroordelen in de kosten voor het voeren van onderhavige deelgeschilprocedure, welke kosten worden begroot op een bedrag van 30 x € 265,00 = € 7.950,00, te vermeerderen met griffiegeld. 

2.2. Bovemij is van mening dat het verzoek niet-ontvankelijk verklaart dient te worden, althans dat het verzochte moet worden afgewezen. 

3. De beoordeling 

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de volgende feiten: 
a. Verzoekers zijn de wettelijk vertegenwoordigers van Y (hierna: Y), die op 14 april 2014 een verkeersongeval heeft gehad. Y stak met zijn snorscooter de kruising over van de Putstraat, Victoriestraat en Mgr. Zwijsenstraat in de bebouwde kom van Waalwijk. Daarbij hij in botsing is gekomen met een Mercedes ML, die werd bestuurd door de heer W (hierna W). Bovemij is de WAM verzekeraar van de W. 
b. Y heeft ten gevolge van voornoemd verkeersongeval ernstig letsel opgelopen. Bovenmij is bij brief van 9 mei 2014 door Y c.s. als WAM-verzekeraar aansprakelljk gesteld. Bovemij heeft aansprakelijkheid bij brief van 15 mei afgewezen. 
c. Door de politie is een proces-verbaal opgemaakt van het onderzoek naar het verkeersongeval, waarbij diverse getuigen zjjn gehoord en W als verdachte is verhoord. Tevens heeft de politie een forensisch technisch onderzoek ingesteld. 
d. De politie heeft onder meer geconcludeerd dat: 
- er geen indicaties zijn de Mercedes van W de maximum snelheid van 50 km/pu heeft overschreden; 
- W zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was; 
- Y zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was; 
- het gedurende het overzoek niet vast te stellen was of één van de voertuigen het rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd. 
e. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 19 augustus 2014 een voorlopig getuigenverhoor gelast, welk voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 12 september 2014. Bij dit voorlopig getuigenverhoor zijn getuigen gehoord die eerder door de politie zijn gehoord. 
f. Bovemij heeft aan Ongevallen Analyse Nederland (hierna: OAN) verzocht een ongevallenanalyse uit te voeren naar het verkeersongeval, OAN heeft op 23 januari 2015 rapport uitgebracht van haar bevindingen en onder meer geconcludeerd, dat vanuit technisch oogpunt niet is aan te tonen dat W met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een voor hem geldend rood verkeerslicht heeft genegeerd. 

3.2. Y c.s. stelt dat Bovemij als WAM-verzekeraar van W aansprakelijk is op grond van een onrechtmatige daad van W en uit dien hoofde gehouden is de schade te vergoeden die Y dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden. Y c.s. stelt daartoe -samengevat- dat W het voor hem geldende rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd toen hij de kruising opreed en dat het voor Y geldende verkeerslicht een groen licht uitstraalde toen hij dezelfde kruising opreed. Voorts meent Y c.s. dat W onvoorzichtig heeft gereden door snelheid te vermeerderen toen hij de kruising opreed, waarbij hij sneller reed dan de 50 km/pu die ter plaatse is toegestaan, althans dat hij harder reed dan in de gegeven situatie verantwoord was. Tenslotte heeft W in de visie van Y c.s. voorts een verkeersfout begaan door Y niet voorafgaand aan de aanrijding waar te nemen. Voorts stellen Y c.s. pro se dat zij zelf wellicht shockschade hebben geleden. 

3.3. Bovemij weerspreekt dat W onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens Bovemij kan op basis van de door de politie opgemaakte processen-verbaal en de afgelegde verklaringen tijdens het voorlopig getuigenverhoor niet met afdoende zekerheid worden vastgesteld dat W het voor hem geldende rode verkeerslicht heeft genegeerd, dat W te hard reed en dat het W te verwijten valt dat hij Y voorafgaand aan de aanrijding niet heeft gezien. Bovemij meent dat het verzochte onder punt 2.1. Sub I. dan ook moet worden afgewezen. Hetzelfde geldt volgens Bovemij derhalve voor het verzochte onder punt 2.1. sub II, terwijl in deelgeschil bovendien geen plaats is voor het toekennen van een voorschot. Zo W al aansprakelijk zou zijn en Bovemij gehouden is tot schadevergoeding, is er volgens haar sprake van eigen schuld aan de zijde van Y. Bovemij gaat er van uit dat Y c.s. q.q. vorderen. Ten slotte bestrijdt Bovemij de omvang van de opgevoerde proceskosten in dit deelgeschil. 

3.3. De eerste vraag die ter beantwoording voorligt bij een aanrijding tussen twee verkeersdeelnemers op een door verkeerslichten beveiligde kruising, is of de verkeersdeelnemer die aansprakelijk wordt gesteld een voor hem geldend rood verkeerslicht heeft genegeerd. In casu dient derhalve als eerste te worden beoordeeld of W door rood is gereden, zulks aan de hand van de diverse getuigenverklaringen en wat uit de processtukken blijkt over de werking van de verkeerslichten. 

3.4. Vast staat dat op de betreffende kruising het verkeer wordt geregeld door middel van verkeerslichten. Tevens staat vast dat de rijrichtingen van W en Y conflicterend waren, in de zin dat deze rijrichtingen elkaar kruisen, Verder staat vast dat de betreffende verkeersregelinstallatie ten tijde van het ongeval daadwerkelijk in werking was, maar dat de gegevens daarvan niet gelogd werden. Voorts is niet in geschil dat de betreffende verkeerslichten op het kruispunt verkeersaanbodafhankelijk werken en dat verkeerslichten voor verkeer uit conflicterende (kruisende) rijrichtingen nooit gelijktijdig groen licht kunnen uitstralen, Dit brengt met zich dat het uitgesloten is dat W en Y ten tijde van het ongeval beiden groen licht hadden bij het passeren van hun stopstreep op de kruising. Overigens geldt, dat verkeerslichten in tegenovergestelde richting niet steeds dezelfde kleur verkeerslicht behoeven uit te stralen, zulks is immers afhankelijk van het verkeersaanbod. Het verkeersaanbod, zoals dat afgeleid kan worden uit de diverse getuigenverklaringen, kan niet met zekerheid de conclusie rechtvaardigen dat de verkeerslichten in tegengestelde rijrichting ten tijde van het ongeval dezelfde kleur licht moeten hebben uitgestraald, alleen al om de reden dat niet helder is geworden wanneer dat verkeersaanbod is ontstaan en wat het daaraan voorafgaande verkeersaanbod is geweest. Reeds om die reden wordt - anders dan door Bovemij is betoogd - een reconstructie op dit punt door de rechtbank niet zinvol geacht. 

3.5 In het kader van het onderzoek van de politie en het voorlopig getuigenverhoor zijn de getuigen die bekend en relevant zijn gehoord. Y heeft geen herinnering aan het ongeval zelf. Niet is gebleken van de mogelijkheid of de noodzaak van concreet nader onderzoek naar de aansprakelijkheidsvraag. De stelling van Bovemij dat het verzoek niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard aangezien een deelgeschilprocedure zich niet leent voor een dergelijke bewijsvoering, dient dan ook te worden afgewezen. 

3.6. Met betrekking tot de diverse afgelegde getuigenverklarlngen geldt het volgende. 
Ten aanzien van de getuigen M.H.J.M. van O (hierna: Van O) en A.M. van C (hierna: Van C) geldt dat zij enkel de kleur van het voor hen geldende verkeerslicht hebben gezien en niet de kleur van de verkeerslichten van W en Y die zich op een andere positie op de kruising bevonden met een andere rijrichting. Om die reden kunnen Van O en Van C dus niets uit eigen waarneming verklaren over de kleur van de verkeerslichten van W en Y op de kruising ten tijde van het ongeval. Uit de verklaring van Van O volgt dat hij destijds op de kruising zelf rood licht had. Zijn veronderstelling dat verkeer uit tegenovergestelde richting (de rijrichting van Y) dan ook rood licht moet hebben gehad, is niet juist gelet op hetgeen onder 3.4. over de werking van de verkeerslichten is overwogen. Hetzelfde geldt voor de verklaring van Van O. Zij heeft - zoals hiervoor is overwegen- evenmin ten tijde van het ongeval de kleur van de verkeerslichten gezien van W en Y die zich op een andere positie op de kruising bevonden met een andere rijrichting. Om dezelfde reden als hiervoor vermeld, kan zij niet in haar redenering worden gevolgd, dat omdat zij rood had, W die een kruisende rijrichting had - groen gehad moet hebben en - Y die een tegenovergestelde rijrichting had - rood gehad moet hebben. Nu ook overigens op basis van de verklaringen van Van O en Van C niet genoegzaam kan worden vastgesteld welke kleur de verkeerslichten van hadden ten tijde van het ongeval, kan op grond van deze verklaringen niet worden geconcludeerd, dat W of Y ten tijde van het ongeval een voor hen geldend rood verkeerslicht hebben genegeerd. Uit de verklaringen van Van O en Van C vloeit wel voort, dat de Mercedes van W optrok en dus snelheid vermeerderde toen hij de kruising opreed vlak voor het ongeval. 

3.7. Uit de verklaring van P.J.G.M. IJ (hierna: IJ) volgt, dat zij lopend de betreffende kruising heeft genaderd en dat het voor haar waarneembare verkeerslicht - zijnde hetzelfde verkeerslicht dat gold voor Van O en Van C - volgens haar een groen licht uitstraalde. Indien veronderstellenderwijs van de juistheid van deze verklaring zou worden uitgegaan, zou dit met zich brengen dat het verkeerslicht dat gold voor de kruisende rijrichting van W op dat moment een rood licht moet hebben uitgestraald, aangezien kruisend verkeer nimmer gelijktijdig groen licht kan hebben (zie r.o..3.4.). Nu echter door Van O en Van C is verklaard, dat het voor hen geldende verkeerslicht ten tijde van het ongeval een rood licht uitstraalde, kan - bij gebreke van objectieve maatstaven om aan de verklaring van IJ meer gewicht toe te kennen dan aan de verklaringen van Van O en Van C voornoemde conclusie niet worden getrokken, temeer niet IJ ook in haar verklaring aangeeft, dat zij ten tijde van het ongeval het verkeerslicht reeds dicht was genaderd en zij niet meer op de kleur van dit verkeerslicht heeft gelet, althans niet meer weet wat voor kleur het verkeerslicht toen had. 

3.8. Uit de getuigenverklaring van de heer L blijkt dat hij ten tijde van het ongeval niet de kleur van de verkeerslichten heeft gezien van W en Y die zich op een andere positie op de kruising bevonden met een andere rijrichting. Hij heeft verklaard dat het verkeerslicht in de tegenovergestelde rijrichting van W direct na het ongeval op rood stond. Ook hier geldt, dat het enkele feit dat het verkeerslicht in de tegenovergestelde rijrichting (volgens L) op rood stond, niet noodzakelijkerwijs met zich brengt dat het verkeerslicht van W in de tegenovergestelde rijrichting eveneens een rood licht moet hebben uitgestraald, gelet op hetgeen onder punt 3.4. over de werking van de verkeerslichten is overwogen.

3.9. De heer J.J.R B (hierna: B) heeft - voor zover thans relevant- verklaard:
"Op (...) 14 april 2014 (....) reed ik op de fiets vanuit de richtitng Vredesplein in de richting van de Putstraat in Waalwijk. Ik zag dat een scooter (...) mij via de linkerkant inhaalde. Ik zag dat het verkeerslicht op groen stond. Ik schat de snelheid van de scooter op ongeveer 25 kilomter per uur (...) . Ik zag een auto van rechts komen. Ik zag dat dit een jeepachtige Mercedes was (...). Ik zag dat de jongen op de scooter rechtdoor reed. Ik zag dat genoemde Mercedes totaal geen vaart minderde. Ik schat dat de Mercedes ongeveer 30 a 40 kilometer per uur reed: Ik zag dat de Mercedes de scooter vol aan de rechterkant raakte. (...) ." 
Tijdens het voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank heeft B- voor zover thans van belang - nog verklaard: 'Toen de scooter mij via de linkerkant inhaalde stond ik in het daarvoor bestemde fiets vak met een rode ondergrond. Ik stond stil. (...). Ik heb even stillgestaan; toen sprong het op groen: Toen het verkeerslicht op groen sprong. zo weet ik zeker, reed de scooter links achter mij. De scooter moest mij toen nog inhalen. Dat weet ik zeker: Wat ik weet is dat toen ons verkeerslicht op groen sprong, ik aanstalten maakte om weer te gaan fietsen. Toen zag ik van rechts de Mercedes oprijden. Die Mercedes heeft nauwelijks stil gestaan. Ik zag de Mercedes versnellen om de kruising over te gaan. Dat hoorde en zag ik. Ik dacht nog: "Ik laat die idioot maar voor gaan." Op dat moment haalde ook de scooter mij links in, waarop de aanrijding volgde. (...) ". 

Indien van de juistheid van de verklaring van B wordt uitgegaan, brengt dit met zich dat het voor W geldende verkeerslicht een rood licht moet hebben uitgestraald op het moment dat hij de kruising opreed. Immers, volgt uit de verklaring B dat het voor hem en Y geldende verkeerslicht groen licht uitstraalde op het moment dat zij de kruising opreden, zodat het met hen kruisend verkeer - waaronder dat uit de rijrichting van W - op dat moment niet gelijktijdig groen licht kan licht kan hebben gehad (zie r.o. 3.4). 

3.10. W heeft verklaard - samengevat - dat hij dertig à veertig kilometer per uur reed en bij het naderen van het kruispunt snelheid verminderde door het gas los te laten en op het moment van het oversteken van de kruising weer gas heeft bijgegeven. Volgens W heeft hij niet voor een rood licht stilgestaan maar kon hij onmiddellijk het kruispunt oprijden en had hij groen licht. 

3.11. Van de gehoorde getuigen zijn B en W de enigen die uit eigen waarneming kunnen verklaren welke kleur de betreffende verkeerslichten uitstraalde op het moment dat W en Y ieder vanuit hun eigen rijrichting de stopstreep passeerden en de kruising opreden waar het ongeval plaatsvond. Nu de rijrichtingen van W en Y elkaar kruisen (conflicteren), volgt uit hetgeen onder r.o. 3.4. is overwogen, dat de voor hen geldende verkeerslichten nimmer gelijktijdig groen licht hebben kunnen uitstralen. De verklaring van B en W staan haaks op elkaar wat betreft de kleur die het voor W geldende verkeerslicht moet hebben gehad op het moment dat hij de kruising opreed. W verklaar immers dat hij op dat moment groen had, terwijl uit de verklaring van B volgt dat hij rood gehad moeten hebben (zie r.o. 3.9.). Dit brengt met zich dat beide verklaringen tegen elkaar afgewogen moeten worden en beoordeeld dient te worden of er objectieve maatstaven zijn om aan één van beide verklaringen meer gewicht toe te kennen.
Vast staat dat B in dit geschil een neutrale positie inneemt, geen betrekkingen heeft met W of Y, noch enig belang heeft bij het afleggen van een verklaring met een bepaalde inhoud, Dit in tegenstelling tot W. Hoewel W niet als partij-getuige kan worden beschouwd in de zin van artikel 164 Rv, geldt dat hij de neutrale positie van B in deze ontbeert, nu hij door de politie als verdachte is aangemerkt en verhoord en in die hoedanigheid in de strafzaak belang had bij de door hem afgelegde verklaring bij de politie. Bovendien geldt dat W als mogelijke veroorzaker van het ongeval ook om andere redenen belang kan hebben bij het afleggen van een verklaring met een bepaalde inhoud, ook tijdens het voorlopig getuigenverhoor. 
Met betrekking tot de inhoud van de door B en W afgelegde verklaringen geldt het volgende. Uit de door B afgelegde verklaring tijdens het voorlopig getuigenverhoor blijkt dat hij met zijn fiets stilstond voor een rood verkeerslicht, vervolgens zag dat dit verkeerslicht op groen sprong en op het moment dat hij voornemens was te vertrekken Y links achter hem heeft waargenomen. Tevens heeft hij de Mercedes en de versnelling van de Mercedes waargenomen en zijn gedachte daarbij verwoordt. Hieruit volgt dat B de verandering van de kleur van het verkeerslicht vanuit stilstaande positie heeft waargenomen, terwijl uit zijn verklaring voorts voortvloeit dat hij op dat moment tevens de positie van Y heeft waargenomen, alsmede die van W, en zulks gedetailleerd heeft beschreven. Daar tegenover staat dat W slechts heeft verklaard, dat hij aan kwam rijden bij de kruising, niet heeft stilgestaan, maar is doorgereden omdat hij groen licht had. Overigens verklaren Van C en Van O dat W wel heeft stilgestaan voor het voor hem geldende verkeerslicht. Nu B heeft aangegeven dat hij stilstond voor rood licht en de verandering van rood naar groen heeft waargenomen en zich bewust was van de posities van W en Y op dat moment op de kruising, hecht de rechtbank om die reden meer waarde aan deze gedetailleerdere verklaring. Daaruit blijkt immers onder meer wanneer het licht voor de rijrichting van Y en B precies groen werd, terwijl de verklaring van W omtrent het voor hem geldende verkeerslicht minder specifiek is - hij verklaart niet hoelang hij groen had - terwijl hij voorts in zijn auto kwam aanrijden, hetgeen een 
dynamisch proces is waarbij de aandacht uitgaat naar meerdere elementen. 
Bovendien geldt dat - anders dan Bovemij beweert - de verklaring van B niet op zichzelf staat. B heeft immers verklaard dat hij de Mercedes zag versnellen, hetgeen door meerdere getuigen wordt bevestigd alsmede door W zelf. Tevens heeft B de auto tegenover hem in de tegengestelde rijrichting waargenomen, waarin Van C en Van O zich bevonden. 

3.12. De conclusie luidt gezien het vorenstaande dan ook, dat de rechtbank de verklaring van B betrouwbaarder acht dan die van W. De rechtbank acht de verklaring van B ook dermate meer betrouwbaar dat zij van oordeel is dat op basis van de verklaring van B genoegzaam is komen vast te staan dat W een voor hem geldend rood verkeerslicht heeft genegeerd op het moment dat hij de stopstreep passeerde en de kruising opreed. Dit behelst een gevaarzettende verkeersovertreding, aan welke fout het ongeval dat Y is overkomen te wijten is. Nu voornoemd handelen van onrechtmatig is en in conditio sine qua non verband staat met het door Y opgelopen letsel, is Bovemij in beginsel aansprakelijk tot vergoeding van de gehele schade die Y ten gevolge van het ongeval heeft geleden, tenzij er sprake is van eigen schuld in dezin van artikel 6: 101 BW zijdens Y die aanleiding geeft tot een andere schadeverdeling. 

3.13. Bovemij voert aan dat er sprake is van eigen schuld zijdens Y nu hij reed op een opgevoerde snorfiets. Volgens haar dient dit voertuig derhalve te worden aangemerkt als bromfiets, waarbij het wettelijk verplicht is om een helm te dragen, terwijl Y zonder helm op aan het verkeer deelnam. Het opgelopen hoofdletsel is volgens Bovenmij dan aan Y zelf toerekenbaar. Bovemij kan niet in dit betoog worden gevolgd. Vast staat dat de toegestane maximum snelheid voor een snorfiets/snorscooter 25 km/pu is en dat het rijden met een helm op deze voertuigen dan geen wettelijke verplichting is. In het midden kan blijven of de snorfiets/snorscooter van Y was opgevoerd (in het proces-verbaal van de politie wordt slechts gesproken over een netto constructie snelheid van 35 km/pu getest op een rollerbank), nu uit de getuigenverklaringen niet blijkt dat Y sneller reed dan tussen de 20 en 25 km/pu, hetgeen geen overschrijding vormt van de maximum snelheid, zodat er evenmin sprake is van een situatie waarin Y ten gevolge van eigen gevaarzettend gedrag een helm had behoren te dragen. 

3.14. Bovemij heeft voorts aangevoerd, dat Y de kruising met onverminderde snelheid en onvoldoende voorzichtigheid is opgereden. Volgens Bovemij was het wel mogelijk om de naderende Mercedes van W tijdig waar te nemen en tijdig tot stilstand te komen, zoals blijkt uit het feit dat B - die zich vóór Y bevond - de kruising niet is opgereden omdat hij zag dat W daar reed. 
De door Bovemij getrokken vergelijking tussen Y en B gaat in die zin niet op, dat B aanvankelijk stilstond voor een rood verkeerslicht en derhalve de verkeerssituatie in zich op heeft kunnen nemen voordat het verkeerslicht op groen sprong, terwijl Y met snelheid de kruising naderde toen het licht reeds op groen was gesprongen. Het vorenstaande neemt echter niet weg, dat Y het kruispunt met meer voorzichtigheid had moeten oprijden. De politie heeft immers geconcludeerd dat Y (evenals W) zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was (zie r.o.. 3.1. sub d.), terwijl de betreffende kruising voorts als onoverzichtelijk moet worden aangemerkt en er sprake is van bosschages die het zicht gedeeltelijk belemmeren. Nu Y het kruispunt met onvoldoende voorzichtigheid heeft benaderd, is er sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6: 101 BW, ten gevolge waarvan naar het oordeel van de rechtbank 25% van de schade in beginsel voor rekening van Y dient te komen. 

3.15. Voornoemde verdeling van de schadevergoedingsplicht kan worden gewijzigd indien de billijkheid dit eist wegens de uiteenlopende ernst valt de gemaakte fouten of andere omstandigheden valt het geval. Y c.s. hebben op voornoemde billljkheidscorrectie een beroep gedaan wegens de gevolgen van het ongeval, die voor Y zeer ernstig en blijvend letsel inhouden. 
Volgens Y c.s. heeft Y ten gevolge van het ongeval vele botbreuken opgelopen, is er sprake van blijvend hersenletsel, persisterende motorische en cognitieve stoornissen, verminderd spraakvermogen, rolstoelafhankelijkheid en de noodzaak tot persoonlijke (medische) verzorging en revalidatie. Ter onderbouwing van voornoemd ernstig en gedeeltelijk blijvend letsel is door Y c.s. verwezen naar het rapport van neuroloog dr. Bernsen, zoals overgelegd bij brief van 4 februari 2015, die het totaal percentage aan functiestoornissen stelt op 54%. Bovemij heeft (de omvang van) het door Y opgelopen letsel in het kader van deze procedure niet bestreden. De aard, ernst en omvang van het (blijvende) letsel vormen aanleiding voor de rechtbank om de schadevergoedingsplicht van W op 100% te stellen, Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat W als bestuurder van de auto verzekerd is. Voorts is meegewogen de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, waarbij geldt dat W een voor hem geldend rood verkeerslicht heeft genegeerd en daarnaast ook overigens onvoldoende voorzichtigheid heeft betracht omdat hij (net als Y) zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was (zie r.o. 3.1, sub d.) op een onoverzichtelijk kruispunt. 

3.16. Al het vorenstaande leidt tot de slotsom, dat het verzochte onder punt 2.1. sub I. toewijsbaar is. Het onder punt 2.1. sub II. verzochte voorschot komt echter (nog) niet voor toewijzing in aanmerking. Hoewel uit de parlementaire geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure blijkt dat het verzoek ook gericht kan zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen de schade dienen te regelen en op de vraag of de aangesprokene het betalen van bepaalde kosten al dan niet kan uitstellen, draagt een bepaling van een voorschot gelet op de stand van de onderhandelingen tussen partijen niet bij aan een minnelijke regeling. Het geschil van partijen heeft zich tot op heden toegespitst op de aansprakelijkheidsvraag en niet op (de omvang van) de schade. Bovendien heeft de raadsman van Bovemij ter zitting aangegeven dat bij vaststelling van aansprakelijkheid het verstrekken van een dergelijk voorschot geen probleem zal zijn. 

3.17. Gelet op de stelling dat mogelijkerwijs sprake is van shockschade volgt de rechtbank Bovemij niet in haar aanname dat Y c.s. uitsluitend q.q, procederen. 

3.18. Met betrekking tot de kosten van het voeren van onderhavige deelgeschilprocedure geldt het volgende. Bovemij heeft in haar verweerschrift bezwaar gemaakt tegen onder meer de omvang van de gespendeerde uren aan de onderhavige zaak door de raadsvrouw van Y c.s.. Naar aanleiding daarvan heeft de raadsvrouw van Y c.s. de omvang van deze uren gematigd en inclusief de nadien verrichte werkzaamheden, bepaald op 30 uur conform de aan haar pleitnota aangehechte brief van 11 februari 2015. Zulks komt de rechtbank, gelet op de inhoud van het dossier en de contacten waarvan is gebleken, niet bovenmatig voor. Ook de uren die bestaan uit de contacten met dr. Bernsen staan in verband met dit deelgeschil nu deze zijn gemaakt om feiten aan te tonen die van belang zijn voor de billljkheidscorrectie. 
Ten aanzien van het specialistische uurtarief van € 265,00 vermeerderd met 6% kantoorkosten, geldt dat de rechtbank dit bovenmatig voorkomt aangezien niet alle opgevoerde werkzaamheden specialistisch van aard zijn en derhalve vergoeding behoeven naar dit specialistische uurtarief. De rechtbank zal derhalve overgaan tot matiging tot een uurtariefvan € 230,00 exclusief kantoorkosten. Dit resulteert in een bedrag van 30 x € 230,00 = € 6.900,00, te vermeerderen met een bedrag van € 282,00 aan griffierecht. 

4. De beslissing 

De rechtbank 

4.1. bepaalt dat Bovenmij aansprakelijk is voor het op 14 apri1 2014 Y overkomen verkeersongeval, en dat Bovenmij gehouden is de als gevolg daarvan door Y geleden en nog te lijden schade te vergoeden; 

4.2. begroot de kosten als bedoeld in art. 1019aa Rv op een bedrag van € 6.900,00, te vermeerderen met een bedrag van € 282,00 aan griffierecht, en veroordeelt Bovemij tot betaling van deze bedragen aan Y c.s.. 

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M.M. van den Heuvel en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2015.

Met dank aan mr. J.F. Roth, SAP Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies