Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Zeeland-West-Brabant 060515

Rb Zeeland-West-Brabant 060515

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2015/rb-zeeland-west-brabant-060515

beschikking 

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT 
Kanton 
Tilburg 
zaaknummer / rekestnummer: 3764311 OV VERZ 15-280 

Beschikking van 6 mei 2015 

in de zaak van 

X, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige Y, 
wonende te T, 
verzoekster, 
advocaat mr. A.M. van Schaick, 

tegen 

Z, 
wonende te T, 
verweerster, 
advocaat mr. C.M.V.M. Ketelaars. 

Verzoekster zal hierna X worden genoemd, haar minderjarige dochter zal Y worden genoemd en verweerster zal Z worden genoemd. 

1. De procedure 

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift als bedoeld in artikel 1019w lid 1 Rv, met producties 1 tot en met 15; 
- de op 16 maart 2015 ter griffie ontvangen kostenbegroting, met twee producties, zijdens X; 
- het verweerschrift met een tweetal producties; 
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift d.d. 25 maart 2015 en de door mr. Van Schaick ter zitting voorgedragen pleitaantekeningen. 

2. Het geschil 

2.1. X verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: 
a. voor recht te verklaren dat Z gehouden is de schade die X heeft geleden en nog zal lijden door het ongeval op 19 mei 2014 tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vergoeden en Z te veroordelen tot betaling van die schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2014, althans vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening; 
b. Z te veroordelen om aan X, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en ten titel van voorschot op de uiteindelijk te betalen schadevergoeding, te betalen een bedrag van € 2.500,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; 
c. de (buiten)gerechtelijke kosten (waaronder behandeling van het onderhavige verzoek) zijdens X te begroten en Z te veroordelen in de kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van de in dezen te wijzen beschikking door Z zal zijn betaald. 

2.2. Z voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair om als voorschot op de schadevergoeding een bedrag vast te stellen van € 1.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en de kosten van rechtsbijstand te begroten op eveneens € 1.000,-. 

3. De beoordeling 

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten. 
a. Z is gecertificeerd gastouder en verzorgt sinds 1 maart 2014 kinderopvang. 
b. Door bemiddeling van gastouderbureau "Welkom Kind" heeft X ten behoeve van de vierjarige Y een overeenkomst van gastouderschap gesloten met Z. Uit dien hoofde is Z van 7 april tot en met 1 juli 2014 de gastouder geweest van Y. X is daarbij met Z onder meer overeengekomen dat Z Y van de crèche naar school zou brengen en zou ophalen. 
c. Op 19 mei 2014 heeft Z Y achterop haar fiets naar school gebracht. Z heeft daarbij Y in een fietsstoeltje achter op de bagagedrager van haar fiets geplaatst. Het fietsstoeltje zelf bevat geen spaakbeschermers. schoudergordels en/of kruisgordels, noch heeft zitje zijwaartse voetsteunen. Aan het frame van de fiets zelf zijn voetsteunen aangebracht, zonder riempjes/klittenband. 
d. Y heeft tijdens deze fietstocht letsel opgelopen aan haar linkervoet, bestaande uit weke delen letsel en een fractuur van de distale tibia van de linkervoet/-enkel. 
e. Z heeft van het ongeval melding gemaakt op een ongevallen registratieformulier. Op dit formulier staat onder punt 2 "nauwkeurige omschrijving van de toedracht" vermeld: "achter op de fiets met kinderzitje: jasbeschermers aanwezig. Daaronder is ze met haar voetje tussen de spaken gekomen" 
Op dit formulier staat onder punt 8 "wat is de vermoedelijke oorzaak is van het ongeval" vermeld: 
"niet stilzttten, door wiebelen (maar ja is en blijft natuurlijk een kind) is ze tussen de spaken geschoten. Bij de eerste geluid meteen gestopt ... "
Op dit formulier staat onder punt 9 "waardoor kon het ongeval ontstaan" vermeld: 
"geen idee, geen bevestigingsmiddelen aan de steuntjes (nu wel extra!). 
Dit formulier is op 20 mei 2014 door Z ondertekend en op 10 juni 2014 door X. 
f. Op 28 oktober 2014 is Z namens X voor het eerst aansprakelijk gesteld voor de letselschade van Y. 
g. Z heeft niet op deze aansprakelijkstelling, noch op de twee daarop volgende, gereageerd. 

3.2. X legt aan haar verzoek ten grondslag dat Z Y op onveilige wijze heeft vervoerd. Zij stelt daartoe dat Z op grond van artikel 1.49 van de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: WKO) gedurende de opvang van een kind verantwoordelijk is voor de veiligheid van dat kind. Het kinderzitje achterop de fiets van Z voldoet echter niet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen, aldus X. X beroept zich in dat verband op artikel 58a lid 3 RVV 1990 en de Europese NEN norm 14344 (2004). X geeft aan dat het betreffende fietsstoeltje waarin Y werd vervoerd geen zijwaartse voetsteunen had, geen veiligheidsgordels en geen spaakafscherming. De voetsteuntjes die op de fiets zelf waren gemonteerd, waren te laag voor Y om daar met haar voetjes bij te kunnen en deze steunen waren voorts niet voorzien van riempjes waarin de voeten kunnen worden vastgezet, aldus X. Volgens X ontbraken er voorts jasbeschermers op de fiets van Z. X stelt dat wegens het inadequate fietszitje de beentjes van Y tijdens de fietstocht naar beneden bungelden waardoor haar linkervoet tussen de spaken van het achterwiel is gekomen en er letsel is veroorzaakt. In de visie van X heeft Z wegens de onveilige wijze van vervoer van Y niet aan haar zorgplicht voldaan, althans een voor Y gevaarlijke situatie in het leven geroepen, zonder (passende) veiligheidsmaatregelen te treffen. Naar de mening van X is Z derhalve toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de overeenkomst van gastouderschap, althans heeft zij onrechtmatig gehandeld, en is zij mitsdien aansprakelijk voor de schade. X verzoekt dan ook voor recht te verklaren dat Z gehouden is de geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval te vergoeden en Z te veroordelen tot betaling van die schade, te vermeerderen met rente. Voorts verzoekt zij om een voorschot op de te betalen schadevergoeding, ten bedrage van € 2.500,-. Volgens X is sprake van materiële schade van in totaal € 224,70 (bestaande uit kledingschade ten bedrage van € 7,50, reis- en parkeerkosten ten bedrage van € 37,- respectievelijk € 15,-, en extra kinderopvanguren ten bedrage van € 165,-). Voorts stelt X dat er sprake is van immateriële schade van € 2.000,-. X geeft in dat verband aan, dat Y veel pijn heeft ondervonden aan de wond en de breuk in haar linkervoet, niet of nauwelijks kon lopen gedurende de periode dat haar voet in het gips zat, de wond aan de buitenzijde van haar linkervoet nog klachten veroorzaakt en een litteken heeft achtergelaten, terwijl er voorts nog geen sprake is van een medische eindsituatie. Ten slotte verzoekt X haar (buiten)gerechtelijke kosten te begroten op een bedrag van € 6.987,49. 

3.3. Z verweert zich door aan te voeren dat het ongeval te wijten is aan het feit dat Y zat te wiebelen op de fiets. Z geeft aan dat kinderen vanaf vier jaar achterop de fiets mogen zitten en dat het door haar gebruikte kinderstoeltje daarvoor geschikt was. Naar beste weten van Z voldeed het fietszitje aan de geldende veiligheidsvoorschriften en heeft zij voldaan aan de basisregels voor veilig vervoer. Z betwist dat Y met haar voet tussen de spaken is gekomen, stellende dat zij met haar voet tussen de jasbeschermer en de stang van de bagagedrager bekneld is geraakt. De jasbeschermer - die in tegenstelling tot hetgeen X beweert wel aanwezig was op de fiets - is tegen de spaken aangekomen terwijl de fiets nog reed en daardoor stuk gegaan, aldus Z. In de visie van Z dienen de verzoeken van X dan ook te worden afgewezen. Subsidiair betwist Z de omvang van de beweerdelijk geleden immateriële schade en de opgevoerde (buiten)gerechtelijke kosten en verzoekt zij het voorschot op de schadevergoeding te begroten op een bedrag van € 1.000,- en de kosten van rechtsbijstand eveneens op een bedrag van € 1.000,-. 

3.4. Allereerst ligt ter beoordeling voor, of de wijze waarop Z Y heeft vervoerd, een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de overeenkomst van gastouderschap behelst, althans een onrechtmatige daad, doordat daarbij niet de vereiste veiligheidsnormen in acht zijn genomen. In artikel 58a lid 3 RVV 1990 is bepaald dat kinderen jonger dan acht jaar op fietsen alleen mogen worden vervoerd indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige voorziening met voldoende steun voor rug, handen en voeten, Het op andere wijze vervoeren is verboden (artikel 58a lid 4 RVV). Krachtens de Europese NEN norm 14344 behoren fietszitjes steun te geven aan rug, handen en voeten van het kind en te zijn voorzien van spaakafscherming en, indien deze ontoereikend is, moet een jasbeschermer bij het fietszitje worden geleverd. Voorts dienen er schoudergordels en een kruisgordel in het fietszitje aanwezig te zijn en dienen de voetsteunen te zijn voorzien van spaakafscherming en riempjes waar de voeten in kunnen worden vastgezet Indien een fietszitje niet voldoet aan deze norm mag ervan worden uitgegaan dat geen sprake is van een doelmatige en veilige voorziening, dit tenzij het gebruikte fietszitje een gelijkwaardige veiligheid biedt. 

3.5. Vast staat dat het fietsstoeltje waarin Z Y ten tijde van het ongeval heeft vervoerd, niet was voorzien van spaakbeschermers, schoudergordels en/of kruisgordels, of zijwaartse voetsteunen. Voorts heeft Z niet bestreden, dat de voetsteuntjes die op de fiets zelf waren gemonteerd, niet waren voorzien van riempjes of klittenband waarin de voeten konden worden vastgezet. Evenmin heeft Z betwist dat de beentjes van Y tijdens deze fietstocht los naar beneden bungelden langs het draaiende achterwiel. Er was slechts sprake van een jasbeschermer. Een dergelijke wijze van vervoeren is in strijd met het bepaalde in artikel 58a lid 3 RVV 1990 en dient als onveilig en gevaarscheppend te worden aangemerkt. Het fietszitje voldeed niet aan de Europese NEN norm 14344. Z kan dan ook niet in haar betoog worden gevolgd, dat het fietszitje - naar haar weten - voldeed aan de geldende veiligheidsvoorschriften en dat zij heeft voldaan aan de basisregels voor veilig vervoer. Evenmin kan het verweer worden gehonoreerd, dat het ongeval te wijten is aan het feit dat Y met haar beenties zat te wiebelen op de fiets. Zulks gedrag is immers inherent aan kinderen met een leeftijd van vier jaar en redengevend voor het adequaat moeten kunnen vastzetten van (de voeten van) een kind in een fietszitje ten einde veilig vervoer te kunnen bewerkstelligen. 

3.6. Vast staat dat het voetje van Y ten gevolge van voornoemde wijze van vervoeren bekneld is geraakt en letsel heeft opgelopen, waarbij niet van belang is of zulks het gevolg is van beknelling tussen de spaken, of tussen de jasbeschermer en de stang van de bagagedrager. Bij gebreke van feiten en omstandigheden die tot een andersluidend oordeel nopen, dient voornoemde onveilige wijze van vervoeren te worden aangemerkt als onzorgvuldig handelen zijdens Z. Zij heeft aldus niet haar werkzaamheden als gastouder met de zorg verricht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelende beroepsgenoot in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Mitsdien is Z in haar hoedanigheid van gastouder door voornoemde handelwijze toerekenbaar tekort geschoten in de op haar rustende verbintenis uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van gastouderschap en aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade. De verzochte verklaring voor recht als vermeld onder punt 2.1. sub a komt dan ook voor toewijzing in aanmerking met dien verstande dat de veroordeling tot betaling van wettelijke rente vanaf 19 mei 2014 niet wordt toegewezen omdat niet op voorhand duidelijk is dat de schade vanaf die datum is geleden. 

Voorschot schadevergoeding 

3.7. X heeft in dit deelgeschil een voorschot op de schadevergoeding gevorderd. Zij stelt dat zij daartoe een belang heeft nu zij in het geheel geen reactie heeft gekregen op de aansprakelijkstelling. De raadsman van Z heeft zich niet op procedurele gronden verzet tegen de toewijzing van een voorschot maar heeft de omvang van de bij wijze van voorschot gevorderde immateriële schadevergoeding betwist en gewezen op de slechte financiële positie van zijn cliënte. Ter zitting is aan de orde gekomen dat gelet op de omvang van de proceskosten ten opzichte van de overige schade zoals die zich thans aandient, het de voorkeur heeft het voorschot op de schade op basis van de thans beschikbare informatie zo nauwkeurig mogelijk te begroten. 

3.8. Bij wijze van voorschot zal de materiele schade tot het gevorderde bedrag van € 224,70 worden toegewezen nu X deze schade toereikend heeft onderbouwd en Z deze schade niet heeft betwist. Nu de bedragen op verschillende data zijn betaald zal de kantonrechter bepalen dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift. 

3.9. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die letsel heeft opgelopen als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. Uitgaande van een volledig herstel van de breuk in de linkervoet van Y zonder dat nog sprake is van beperkingen in het bewegen, de pijn, smart en hinder die Y heeft ondervonden en een resterend litteken aan de buitenzijde van de linkervoet begroot de kantonrechter de door Y geleden immateriële schade op € 1.500,-, welk bedrag de kantonrechter bij wijze van voorschot zal toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente als gevorderd. 

3.10. Bij de begroting van deze kosten van rechtsbijstand ex artikel 1019aa Rv, dient te worden beoordeeld of het gaat om redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. X verzoekt haar (buiten)gerechtelijke kosten te begroten op een bedrag van€ 6.987,49. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft zij een factuur met specificatie van Schaderegelaar Nostimes in het geding gebracht tot een bedrag van € 2.086,91 alsmede een specificatie van de door haar raadsman aan de zaak bestede tijd met opgave van het uurtarief. De kosten van de werkzaamheden worden begroot op € 3.315,52 tot aan het indienen van het verzoekschrift, € 78,- aan griffierecht en € 1.507,06 aan kosten in verband met de bestudering van het verweerschrift en de behandeling ter zitting. De kosten zijn naar behoren gespecificeerd. Z heeft de redelijkheid van de omvang van de tijdsbesteding als gespecificeerd niet betwist noch de redelijkheid van het gehanteerde uurtarief. Wel heeft Z gewezen op de wanverhouding tussen de omvang van de kosten van rechtsbijstand en de omvang van de overige schade. 
De kantonrechter is het met Z eens dat sprake is van naar verhouding hoge kosten van rechtsbijstand maar dat enkele feit maakt niet dat de kosten zoals die gevorderd worden niet redelijk zijn. Ook in zaken met een relatief gering procesbelang moeten de belangen van de benadeelde adequaat worden behartigd. Daarnaast is Z door niet in gesprek te gaan met de schadebemiddelaar en een minnelijke regeling te bereiken zelf ook debet aan de omvang van de kosten van rechtsbijstand. 
De kantonrechter zal de kosten in verband met het deelgeschil begroten als verzocht nu het redelijke kosten betreffen die in redelijkheid zijn gemaakt en Z veroordelen tot betaling van deze kosten vermeerderd met wettelijke rente als gevorderd. 

4. De beslissing 

4.1. verklaart voor recht dat Z gehouden is de schade die verzoekster heeft geleden en nog zal lijden door het ongeval op 19 mei 2014 te vergoeden met veroordeling van Z tot betaling van die schade; 

4.2. veroordeelt Z om aan X tegen behoorlijk bewijs van kwijting en ten titel van voorschot te betalen een bedrag van € 224,70 te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 13 januari 2015 tot aan de dag der betaling in verband met materiële schade en een bedrag van € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2014 tot aan de dag der betaling in verband met smartengeld; 

4.3. begroot de kosten van de buitengerechtelijke kosten en de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van X op € 6.987,49 en veroordeelt Z tot betaling van deze kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2015 tot aan de dag der betaling. 

4.4. verklaart de veroordelingen in 4.2 en 4.3 uitvoerbaar bij voorraad; 

4.5. wijst af het meer of anders gevorderde. 

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M.M. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.

Met dank aan mr. A.M. van Schaick, Linssen Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Mr Van Schaik:

Cliënte heeft ten behoeve van haar destijds 4 jarige dochter een overeenkomst van gastouderschap gesloten. De gastouder brengt de dochter van cliënte op haar fiets naar school. Zij plaatst de dochter van cliënte achterop haar fiets op een (gewoon) fietsstoeltje. Een spaakafscherming ontbreekt. Wel heeft de gastouder voetsteuntjes aan de spijlen van haar fiets gemonteerd maar die zijn te laag geplaatst en bovendien ontbreekt klittenband om de voetjes vast te zetten. De voetjes bengelen dus zonder enige bescherming langs het ronddraaiende achterwiel. Op enig moment komt het voetje van de dochter tussen de spaken met een enkelbreuk en weke delen letsel tot gevolg.

Tussen mijn cliënte en de gastouder is sprake van een overeenkomst van opdracht. Art. 7:400 e.v. BW is van toepassing. Art. 1.49 Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen peuterspeelzalen (WKO) bepaalt dat de gastouder verantwoordelijk is voor de veiligheid van het kind (er is evenwel niets geregeld over vervoer). Art. 58a lid 3 RVV 1990 bepaalt slechts dat kinderen jonger dan 8 jaar op fietsen alleen mogen worden vervoerd indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige voorziening met voldoende steun voor rug, handen en voeten. Het op andere wijze vervoeren is verboden (art. 58a lid 4 RVV 1990). Dit zijn enigszins vage normen. Ik heb geen jurisprudentie kunnen vinden over wat doelmatig of wat veilig is. Een verplichting tot een spaakafscherming o.i.d. is dus niet bij wet geregeld. NEN norm 14344 is specifieker: een fietsstoeltje dient volgens die norm te zijn voorzien van spaakafscherming en, indien deze ontoereikend is, moet een jasbeschermer bij het fietszitje worden geleverd. De voetsteunen dienen te zijn voorzien van spaakafscherming en riempjes waar de voeten in kunnen worden vastgezet.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat er sprake is geweest van onveilig vervoer door de gastouder en dat dit vervoer als onzorgvuldig handelen moet worden aangemerkt en de gastouder dus niet de zorg heeft verricht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. De kantonrechter acht de gastouder aansprakelijk voor de letselschade van de dochter van cliënte en veroordeelt haar tot betaling van een voorschot. 

Deze website maakt gebruik van cookies