Artikelen

Rb Zeeland-West-Brabant 180215

Hoofdcategorie: Publicaties
Categorie: 2015

Rb Zeeland-West-Brabant 180215

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2015/rb-zeeland-west-brabant-180215

vonnis 

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT 

Kanton 

Zittingsplaats: Middelburg 

zaak/rolnr.: 3195428/14-4146 

vonnis van de kantonrechter d.d. 18 februari 2015 

in de zaak van 

X , 
wonende te A, 
eisende partij, 
verder te noemen: X, 
gemachtigde: mr. J.A.M. de Kerf, advocaat te Goes, 

tegen: 

F, 
wonende te C, 
gedaagde partij, 
verder te noemen: F, 
gemachtigde: mr. L.C.W. Wingens, advocaat te Tilburg. 

het verloop van de procedure 

De procedure is als volgt verlopen: 
- dagvaarding van 18 juni 2014, 
- conclusie van antwoord, 
- comparitievonnis, 
- productie van X , 
- verschijning van partijen ter zitting d.d. 11 november 2014, 
- conclusie van repliek, 
- conclusie van dupliek. 

de beoordeling van de zaak 

l.1. In de nacht van 21 op 22 juli 2012 te Renesse is X mishandeld door F. X heeft daarvan aanstonds aangifte gedaan bij de politie. De politie heeft F op 22 juli 2012 aangehouden en een transactie aangeboden ad € 220,- op voorwaarde dat F de materiële schade van X ad € 140,- zou vergoeden. F heeft beide bedragen betaald. 

1.2. X heeft beklag gedaan ex art. 12 van het Wetboek van Strafvordering. Het gerechtshof te Den Bosch heeft F de gelegenheid gegeven stappen te zetten om tot een zinvolle afwikkeling te komen. F heeft vervolgens aan X een kaart met excuses met daarin een VVV-bon toegezonden. Ook heeft F aan X een bedrag van € 412,95 betaald. Dit bedrag bestaat uit € 162,95 als vergoeding van het eigen risico van X en € 250,- ter zake van immateriële schade. Het hof heeft vervolgens bij beschikking d.d. 18 april 2014 het beklag afgewezen. 

2.1. X heeft bij dagvaarding gesteld dat hij door de mishandeling van F zowel immateriële als materiële schade heeft geleden en heeft daarbij aangevoerd: 
X heeft structurele gehoorschade overgehouden aan het voorval. De aanhoudende oorsuizingen (tinnitus) zijn zeer vervelend en hinderlijk voor X. Bovendien zullen die oorsuizingen niet afnemen, maar in de loop der tijden normaliter juist toenemen. Voor dit letsel vordert X op basis van vergelijkbare gevallen in de Smartengeldgids een smartengeld van € 7.500,- 
Van de materiële schade van X zijn de reparatiekosten van zijn bril en zijn eigen risico CZ, tezamen € 302,95, inmiddels vergoed. Maar F is niet bereid gebleken de buitengerechtelijke kosten van X te vergoeden. F is daartoe verplicht ex art. 6:96 BW. X heeft terecht een advocaat ingeschakeld. F heeft een jaar lang niets van zich laten horen. Voorts vergt het rechtsgebied van letselschade als gevolg van geweld de bijstand van een advocaat. Omdat F niet verder wilde gaan dan een smartengeld van € 250,-, waarbij X dan maar zelf de kosten van rechtsbijstand voor zijn rekening moest nemen, is het billijk dat F de buitengerechtelijke uren van de advocaat van X, te weten 5,2 uren à € 200,- excl. BTW, zal moeten vergoeden. 

2.2. Op deze gronden heeft X vergoeding van € 8.758,40 gevorderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. 

2.3. Bij conclusie van antwoord heeft F tot verweer aangevoerd: 
F heeft X mogelijk wel een of twee keer geslagen, maar hij heeft X niet geschopt. Blijkens zijn eigen verklaring is X tegen zijn hoofd geschopt toen beiden, X en F, op de grond lagen. F betwist dat er causaal verband is in de zin van conditio-sine-qua-non-verband tussen de klappen die hij in het gezicht van X heeft gegeven en het gestelde letsel van oorsuizen. Voor de klappen in zijn gezicht is X reeds schadeloos gesteld. 
Het oorsuizen is slechts subjectief vastgesteld. Dat wil zeggen: op basis van de mededeling van X zelf. Het bestaan van oorsuizen wordt primair betwist. Subsidiair wordt betwist dat een smartengeld van € 7.500,- redelijk is, in aanmerking genomen diverse onzekerheden omtrent het oorsuizen. 
Nadat X een advocaat had ingeschakeld is een gesprek tussen partijen afgehouden, hoewel X daartoe eerst wel bereid was. De gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden worden betwist en de gestelde buitengerechtelijke kosten zijn onredelijk en hadden voorkomen kunnen worden. 

2.4. Ter zitting d.d. 11 november 2014 heeft de gemachtigde van F de aangifte van X in het geding gebracht. Vervolgens kwam ter zitting aan de orde of hier mogelijk sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 6:166 BW. In verband daarmee is aan partijen gelegenheid gegeven voor repliek en dupliek. X heeft bij repliek gesteld dat hij is belaagd door F en diens vriend in groepsverband. F heeft bij dupliek betwist dat hij met zijn vriend in groepsverband heeft gehandeld. 

oorsuizen 

3.1. De KNO-arts Y heeft bij brief d.d. 8 november 2012 meegedeeld: dat X zich voor het eerst op de polikliniek KNO op 23 juli 2012 heeft gemeld met de mededeling dat hij twee dagen daarvoor een klap had gehad op zijn linkeroor. De conclusie van de KNO-arts luidt: 
"status na een traumatische trommelvliesperforatie persisterende tinnitus en licht geleidingsverlies links waarbij gezien het links/rechts verschil mag worden aangenomen dat dit toe te schrijven valt aan het trauma." 
De KNO-arts is gevraagd of X wel of niet aanhoudend klachten van oorsuizen heeft. 
Bij brief d.d. 10 maart 2014 heeft hij geantwoord: 
"Ik moet u meedelen dat u [X] dit bij mij aangeeft." en "Ik heb geen subjectieve manier om aan te tonen of hij [X ] wel of niet tinnitus ervaart. Dit is niet na te meten. De aard van uw [X] trauma is dusdanig dat het zeer waarschijnlijk is dat hierdoor een tinnitus zou kunnen ontstaan daar in vergelijkbare gevallen dit ook is gemeld. Als arts kan ik niet verder gaan dan deze constatering." 

3.2. Door een en ander is genoegzaam aangetoond dat door de uitoefening van geweld op/bij het linkeroor in de nacht van 21 op 22 juli 2012 bij X een trommelvliesperforatie van dat oor en oorsuizen is veroorzaakt. Daaraan doet niet af dat het oorsuizen bij X slechts subjectief kan worden vastgesteld. Dat betekent niet dat dat oorsuizen niet bestaat. F heeft overigens niet gesteld dat X het oorsuizen zou simuleren en er is ook geen aanleiding om dat te veronderstellen. Verworpen wordt het primaire verweer van F aangaande het oorsuizen. 

3.3. Het verweer van F slaagt, inhoudende dat er geen csqn-verband bestaat tussen het geweld dat F heeft gebruikt tegen X en het oorsuizen. F heeft slechts toegegeven dat hij X in het gezicht heeft geslagen. X heeft in zijn aangifte hetzelfde verklaard. Niet gebleken is dat F geweld heeft uitgeoefend op/bij het linkeroor van X. In de aangifte van X is vermeld dat hij een paar trappen tegen zijn hoofd kreeg, terwijl hij op de grond lag met de jongen die hem in het gezicht had geslagen, boven op hem. Laatstgenoemde moet F zijn geweest. F kan dus niet degene zijn geweest die X tegen het hoofd heeft geschopt. Dat wordt bevestigd door de letselbeschrijving van de forensisch geneeskundige van GGD Zeeland d.d. 22 juli 2012. Daarin is als informatie van X zelf vermeld: "tegen grond geduwd en door tweede persoon links tegen hoofd geschopt." De geneeskundige heeft links op de behaarde hoofdhuid van X een kneuzing met bloeduitstorting vastgesteld, ontstaan door stomp botsend geweld. Daarbij heeft de geneeskundige gedacht aan een schoen/voet. 

3.4. Uit het voorgaande wordt afgeleid dat het schoppen links tegen het hoofd van X bij hem het letsel heeft veroorzaakt, bestaande uit een trommelvliesperforatie en oorsuizen. F gaat daar ook van uit. F kan echter toch aansprakelijk zijn wegens het letsel van X, indien is voldaan aan de voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid voor handelen in groepsverband ex art. 6:166 BW. 

groepsverband 

4.1. Art. 6:166 lid 1 BW bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans van slagen op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Van deelneming is in dit geval sprake indien F op de een of andere manier een bijdrage heeft geleverd aan de gedragingen die het gevaar voor schade hebben doen ontstaan en tussen die bijdrage en de bijdrage van de andere deelnemer aan die gedragingen een zodanige mate van samenhang bestaat dat de gedragingen van F en de andere deelnemer als gedragingen in groepsverband gekwalificeerd kunnen worden. Deze maatstaf is in een vergelijkbaar geval geformuleerd door het gerechtshof Den Bosch in zijn arrest d.d. 22 oktober 2013 ECLI:NL:GHSHE:2013:5010 r.o. 4.7. 

4.2. Op basis van de aangifte van X, die F niet heeft bestreden en betrouwbaar acht, en op basis van hetgeen over en weer onweersproken is gesteld, stelt de kantonrechter de toedracht van het geweldsincident in de nacht van 21 op 22 juli 2012 te Renesse als volgt vast: 
X was op zaterdag 21 juli 2012 vanaf 23 uur met drie vrienden wezen stappen in Renesse. Op 22 juli 2012 om 2.50 uur wilden zij naar huis gaan. Eén van hen (Z) was dronken en daarom ging de BOB de auto ophalen. X bleef met twee vrienden wachten tot de auto zou arriveren. Op dat moment kwam F aanlopen in gezelschap van één vriend en twee meisjes. F sprak X aan en zocht ruzie met hem. 
F heeft X twee vuistslagen in zijn gezicht gegeven. X kwam daardoor ten val en kwam met zijn rug op de grond te liggen. F kwam boven op X te liggen. X heeft de handen van F vastgepakt, zodat F hem niet kon slaan. X kreeg toen een aantal trappen links tegen zijn hoofd. X heeft vervolgens de handen van F los gelaten. F heeft X vervolgens nog enkele klappen gegeven. F is gestopt nadat hij indringend was aangesproken door een van de meisjes die met hem waren komen aanlopen. F is gevlucht, maar is daarna door de politie aangehouden. 

4.3. F heeft aangevoerd dat voor handelen in groepsverband een bewust gezamenlijk optreden vereist is. Maar voor hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 6: 166 BW is niet vereist dat er sprake is van overleg én/of gecoördineerde handelingen. Evenmin behoeft er sprake te zijn van een gezamenlijk opzet op het toebrengen van de schade. (zo ook: voormeld arrest r.o. 4.7.3.) Het is algemeen bekend dat er in de uitgaansnacht van zaterdag op zondag mede als gevolg van alcoholgebruik een verhoogd risico op geweldsincidenten is. (Terzijde: de zomer te Renesse was hier berucht om.) F heeft ruzie gezocht met X en is begonnen geweld te gebruiken door X twee vuistslagen toe te dienen, waardoor X ten val kwam. Onder de voormelde omstandigheden met een verhoogd risico op geweldsincidenten had F in redelijkheid kunnen voorzien dat dit geweld van hemzelf tegen X geweld van derden tegen X zou uitlokken. Dat die derde daarbij tegen het hoofd van X zou schoppen, die door hem, F, ten val was gebracht, ligt onder die omstandigheden niet zozeer buiten de lijn der verwachtingen dat F daar in redelijkheid geen rekening mee kon houden. F heeft zich vervolgens op geen enkele wijze gedistantieerd van het gepleegde geweld. Integendeel, F heeft X nog enkele klappen gegeven, nadat X de handen van F had losgelaten. Tussen het geweld van F tegen X en dat van de derde tegen X bestaat gelet op het voorgaande een zodanige mate van samenhang dat de gedragingen van beiden als gedragingen in groepsverband kunnen worden gekwalificeerd. Gelet op het voorgaande moet worden gesproken van deelneming in de zin van art. 6: 166 BW. De gezamenlijkheid van het handelen heeft de kans op schade verhoogd, met name door het doen ontstaan van een sfeer die gevaar oproept en vergroot. F had zich om die reden behoren te weerhouden van deelneming aan de bewuste gedragingen in groepsverband. De conclusie is dat F aansprakelijk is voor de letselschade van X als gevolg van het schoppen tegen diens hoofd. 

4.4. Bij het voorgaande heeft de identiteit van de derde die tegen het hoofd van X heeft geschopt, geen rol gespeeld. Van onvoldoende belang is of deze derde al dan niet de vriend van F was die die nacht bij hem was. Daarom wordt voorbij gegaan aan de schriftelijke verklaring van B, volgens F de vriend in kwestie, inhoudende dat hij, B, niets met die vechtpartij te maken heeft. Ook al zou F die derde destijds niet hebben gekend, dan nog heeft F samen met die derde in groepsverband gehandeld in de zin van art. 6: 166 BW, zoals hiervoor is uitgelegd. 

smartengeld 

5.1. F heeft opgemerkt dat niet is gebleken in welke mate X last heeft van oorsuizingen. Mogelijk zijn de suizingen niet constant. De mate waarin het oorsuizen zich voordoet kan immers per persoon verschillen. Daarnaast kan de luidheid van de geluiden verschillen. Bovendien staat niet vast dat de oorsuizingen in de toekomst zullen toenemen. Het kan niet worden uitgesloten dat zij zullen verdwijnen. 

5.2. X heeft vervolgens omtrent zijn letselschade nader gesteld: 
X heeft gehoorschade overgehouden aan het voorval. Die gehoorschade komt erop neer dat X zeer vaak een storend zoemgeluid hoort. Dit is o.a. wanneer hij wakker wordt, maar ook op vele andere momenten wanneer het stil is en/of X weer aan het voorval wordt herinnerd. 
Bovendien hoort X ook minder met zijn linkeroor. In sommige gesprekken moet X zijn rechteroor toewenden om het goed te kunnen verstaan. Omdat de gehoorklachten al meer dan twee jaar spelen, is de kans klein dat deze klachten nog afzullen nemen. Integendeel, de klachten zullen erger worden. De letselschade is dus blijvend van aard. 

5.3. Aangezien oorsuizingen niet zijn te meten of anderszins objectief zijn te kwantificeren, kunnen een aantal van de door F genoemde onzekerheden niet onderzocht worden. Wel wordt ervan uitgegaan dat X last heeft van een persisterende tinnitus, omdat de KNO-arts dat heeft vastgesteld (zie 3.1.) Omtrent de kans dat de oorsuizingen in de toekomst al dan niet zullen toenemen heeft X geen nadere informatie gegeven of aangeboden. Ook deze onzekerheid is niet weggenomen. 

5.4. F wordt gevolgd in zijn standpunt dat X reeds schadeloos is gesteld voor de klappen in zijn gezicht die F hem persoonlijk heeft toegediend. Voor de bepaling van het smartengeld in deze zaak wordt als letsel in aanmerking genomen: 
Door schoppen tegen zijn hoofd heeft X een trommelvliesperforatie van het linkeroor opgelopen en een persisterende tinnitus. De perforatie bleek na tien weken te zijn genezen. Na tien weken bleek er een licht gehoorverlies links te zijn. Het staat niet vast dat het oorsuizen blijvend zal zijn. 
Voorts wordt in aanmerking genomen dat X is mishandeld zonder enige aanleiding. F treft ernstig verwijt voor het feit dat hij geweld van een derde tegen X heeft uitgelokt door tijdens een uitgaansnacht ruzie met X te zoeken en hem vervolgens aan te vallen door hem met twee vuistslagen ten val te brengen.

5.5. Gelet op het voorgaande en na vergelijking van de gevallen in de Smartengeldgids waarop X heeft gewezen, komt een smartengeld van € 5.500,- billijk voor. Dat bedrag zal aan X ten laste van F worden toegewezen. 

kosten 

6.1. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is in deze zaak niet van toepassing. Met de urenspecificatie van zijn gemachtigde beeft X voldoende aangetoond dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn geweest voor deze zaak. Deze worden echter gedekt door de toevoeging die aan X is verleend voor deze procedure. Subsidiair heeft X vergoeding van zijn eigen bijdrage gevorderd ad € 823,-. Het komt billijk voor dat F buitengerechtelijke werkzaamheden ten behoeve van X moet vergoeden. Daaraan doet niet af dat een gesprek tussen partijen is afgehouden, hoewel X daartoe eerst wel bereid was. Wel wordt aangenomen dat X een korting van 53,- had verkregen, wanneer hij eerst langs het Juridisch Loket was gegaan. Voor buitengerechtelijke kosten zal daarom een vergoeding van € 770,- aan X worden toegewezen. 

6.2. F moet worden beschouwd als de partij die in het ongelijk wordt gesteld. F wordt daarom in de proceskosten verwezen. 

de beslissing 

De kantonrechter: 

veroordeelt F om tegen bewijs van kwijting aan X te betalen: 
- een bedrag van € 5.500,- als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag te berekenen vanaf 18 juni 2014 tot de dag van voldoening; 
- een bedrag van € 770,- als vergoeding van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag te berekenen vanaf 18 juni 2014 tot de dag van voldoening; 

veroordeelt F in de kosten van het geding, welke aan de zijde van X tot op heden worden begroot op € 1.062,80, waaronder begrepen een bedrag van € 750,- (3 pt. à € 250,-) wegens salaris van de gemachtigde van X; 

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd. 

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2015 in tegenwoordigheid van de griffier. 

Met dank aan mr. J.A.M. de Kerf, Van Leeuwen & De Waard Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies