Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Overijssel 040516

Rb Overijssel 040516

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2016/rb-overijssel-040516

RECHTBANK OVERIJSSEL 

Team kanton en handelsrecht 

Zittingsplaats Zwolle 

zaaknummer / rekestnummer: C/08/180704 / HA RK 15-269 

Beschikking van 4 mei 2016 

in de zaak van 

X , 
wonende te A, 
verzoeker, 
advocaat mr. N.T.G. Greven te Leeuwarden, 

tegen 

1 . de vereniging 
Y, 
gevestigd en kantoorhoudende te Z, 
2. de naamloze vennootschap naar buitenlands recht 
BELGISCHE MAATSCHAPPIJ VOOR LUCHTVAARTVERZEKERINGEN, 
tevens handelende onder de naam 
DE NEDERLANDSE LUCHTVAARTPOOL, 
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, 
verweersters, 
advocaat mr. M. Verheijden te Rotterdam. 

Partijen zullen hierna X, Y en Luchtvaartpool worden genoemd. 

1. De procedure 

Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift 
- het verweerschrift 
- de mondelinge behandeling 
- de pleitnota van X. 

2. De feiten 

2.1. Op 10 juli 2005 is te Lemelerveld een zweefvliegtuig van Y, waarin X als leerling samen met een instructeur zat, meteen na de start vanaf een hoogte van 70-80 meter neergestort. Blijkens onderzoek van De Onderzoeksraad voor Veiligheid was dit het gevolg van het op geringe hoogte inzetten van een rechterbocht met lage snelheid bij een verkeerd gebruikt breukstuk. Bij het ongeval is de instructeur om het leven gekomen en is X zwaar gewond geraakt. 

2.2. X heeft Y aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade (zowel materieel als immaterieel) als gevolg van het ongeval. Y heeft aansprakelijkheid erkend. Verzekeraar van Y is Luchtvaartpool. 

2.3. X is door het ongeval blijvend (klasse 80-100%) arbeidsongeschikt. Voor de gehele persoon is functionele invaliditeit op neurologisch gebied van 20% en een blijvende invaliditeit op orthopedisch gebied van 30% vastgesteld. 

2.4. Partijen zijn het eens over (de uitgangspunten voor) een berekening van het verlies aan verdienvermogen van X . 

2.5. Luchtvaartpool heeft aan het UWV als regresnemer betalingen verricht tot het totaalbedrag van € 67.369,09, te weten op 29 juli 2011 € 30.101,45, op 29 december 2011 € 20.186,25, op 20 november 2012 € 11.556,98 en op 7 mei 2013 € 5.527,41. 

2.6. Luchtvaartpool heeft voorts aan X een voorschotbedrag betaald van € 245.000,00 en daarnaast kosten voor medische- en arbeidsdeskundige kosten en buitengerechtelijke kosten betaald van in totaal € 390.800,34. 

2.7. Op verzoek van partijen heeft Groot Letselschade Experts B.V. blijkens een rapport van 23 september 2014 de door X geleden schade wegens verlies aan verdienvermogen berekend op het bedrag van € 716.922,00. 

2.8. Luchtvaartpool heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de verzekerde som op grond van de verzekeringspolis van Y € 900.000,00 is. Partijen zijn hieromtrent niet in confesso. 

2.9. Luchtvaartpool is niet bereid om ter finale afwikkeling van de schade aan X méér te vergoeden dan een bedrag van € 509.199,66, zijnde het verschil tussen de reeds betaalde bedragen als hiervoor genoemd en de verzekerde som van € 900.000,00. 

3. Het geschil 

3.1. X verzoekt dat de rechtbank oordeelt dat: 
I. op de verzekerde som niet in mindering mag worden gebracht de re-integratiekosten, kosten voor medische en arbeidsdeskundige expertise en overige buitengerechtelijke kosten, waaronder de advocaatkosten, 
II. op de verzekerde som niet in mindering mag worden gebracht de betaling aan het UWV ad € 67.369,09, 
alsmede dat zij: 
III. de kosten van deze procedure begroot en toewijst. 

3.2. Tussen partijen is in geschil de hoogte van de verzekerde som. Gelet op de inhoud van voormelde verzoeken is dit geschilpunt in deze procedure evenwel niet aan de orde. 

3.3. Luchtvaartpool heeft in het verweerschrift alsook ter ziting verklaard, ter bevordering van de afwikkeling van de schade, de kosten van juridische bijstand als buitengerechtelijke kosten van X niet in mindering te zullen brengen op de verzekerde som. Aangezien X ter zake van eventuele andere buitengerechtelijke kosten niet op deze erkenning heeft gereageerd, acht de rechtbank daarmee aan het betreffende voorgelegd geschilpunt tegemoetgekomen en behoeft hieromtrent niet meer te worden beslist. 

3.4. Luchtvaartpool voert gemotiveerd verweer en heeft zich primair beroepen op niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot het beslissen in een deelgeschilprocedure. Zij stelt zich, onder verwijzing naar jurisprudentie, op het standpunt dat het geschil een verzekeringskwestie betreft, te weten een geschil over de polisdekking, en daarmee niet ligt op het toepassingsgebied van personenschade, zodat het geen deelgeschil in de zin van de wettelijke regeling omvat. 

3.5. Luchtvaartpool heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de door X aangevoerde kosten voor re-integratie, medische en arbeidsdeskundige kosten niet kwalificeren als bereddingskosten in de zin van artikel 7:957 van het Burgerlijk Wetboek (BW), die voor vergoeding in aanmerking komen, ook als de verzekerde som wordt overschreden. Voor die kwalificatie is, gelet op de parlementaire geschiedenis van genoemd artikel, nodig dat kosten zijn gemaakt ter afwending van onmiddellijk dreigend gevaar, hetgeen hier niet aan de orde is. De betreffende kosten vallen volgens Luchtvaartpool dus onder de verzekerde som. 

3.6. Wat betreft de betaling aan UWV heeft Luchtvaartpool aangevoerd dat zij te goeder trouw die betaling heeft gedaan, omdat zij ten tijde van die betaling op grond van de stellingen van X en het re-integratietraject geen aanleiding zag om te vermoeden dat de verzekerde som zou worden overschreden. Partijen zijn het eens dat een vordering van de benadeelde in zijn algemeenheid voorrang heeft op een vordering van een partij als UWV. Die betaling kan haar echter in dit geval niet worden tegengeworpen, zo stelt zij. X zal zich volgens Luchtvaartpool tot het UWV moeten wenden om het aan het UWV betaalde bedrag terug te krijgen bij overschrijding van de verzekerde som. 

3.7. Luchtvaartpool betwist de hoogte van de door X opgevoerde kosten van het deelgeschil, gelet op het voortraject (eerder ingetrokken deelgeschilverzoek) en op de afgebakende, niet ingewikkelde aard van het geschil. Zij acht (matiging tot) een bedrag van maximaal € 1.250,00 (inclusief btw) ofwel tijdsbesteding van circa 4 uur alleszins redelijk. 

4. De beoordeling 

4.1. Anders dan Luchtvaartpool heeft bepleit, acht de rechtbank het verzoek om te beslissen in een deelgeschil ontvankelijk. 
Deze zaak betreft naar haar oordeel geen dekkingsgeschil tussen X en Luchtvaartpool waarbij het gaat een vordering uit hoofde van een contractuele rechtsverhouding tussen beiden, bepaald door (verbintenissen uit) een tussen hen gesloten verzekeringsovereenkomst. Zodanige rechtsverhouding is in dit geval niet aan de orde. Luchtvaartpool is in deze zaak de verzekeraar van de op haar aansprakelijkheid voor personenschade uit hoofde van onrechtmatige daad aangesproken Y, op welke situatie de leden 1 en 3 van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zien en in welk kader toepassing kan worden gegeven aan artikel 7:954 lid I BW. In de door Luchtvaartpool genoemde jurisprudentie betrof het vorderingen van de eerstgenoemde categorie en is voor de tweede categorie de toepasselijkheid van de deelgeschilprocedure juist bevestigd . 

4.2. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of sprake is van een deelgeschil dat zich leent voor behandeling in de deelgeschilprocedure in de zin van de artikelen 1019w-l 019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De deelgeschilprocedure is bedoeld om een op bepaalde geschilpunten - omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel - vastgelopen buitengerechtelijk onderhandelingstraject tussen partijen weer vlot te trekken. 
Doordat in rechte op die geschilpunten wordt beslist, kunnen partijen op basis van die beslissing vervolgens verder onderhandelen om alsnog, ter beëindiging van hun geschil, te komen tot een vaststellingsovereenkomst ter zake van de schaderegeling. Dit toetsingskader brengt mee dat beoordeeld dient te worden of de door X gevraagde beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Indien datonvoldoende het geval kan zijn, dient het verzoek te worden afgewezen. 

4.3. De rechtbank is van oordeel dat kosten van medische expertise moeten worden aangemerkt als kosten tot het vaststellen van de schade in de zin van artikel 7:959 lid 1 BW. Voor de kosten van de arbeidsdeskundige en van de door deze ingeschakelde psycholoog geldt dat eveneens. Deze kosten zijn immers gemaakt met geen ander doel dan vast te stellen in welke mate het ongeval tot schade, zoals verlies aan verdienvermogen, bij X heeft geleid. 
Datzelfde geldt voor de kosten van het re-integratietraject, hoewel re-integratie uiteindelijk geen succesvolle optie is gebleken. Deze kosten hebben te gelden als kosten van maatregelen die niet alleen tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden, maar tevens erop waren gericht de resterende verdiencapaciteit van X en daarmee de omvang van de schade te bepalen. Daarmee acht de rechtbank de discussie of de genoemde kostensoorten bereddingskosten zijn in de zin van artikel 7:957 lid 1 BW, in verband met de vraag of in dit geval onmiddellijke dreiging hierbij aan de orde was, niet relevant. De kosten van het re-integratietraject moeten wel c.q. tevens worden aangemerkt als kosten tot voorkoming of vermindering van schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub a BW en daarmee als vermogensschade. 

4.4. Op grond van artikel 7:959 lid 1 BW komen gemaakte redelijke kosten tot het vaststellen van de schade ten laste van de verzekeraar, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden. Voor zover de re- integratiekosten slechts zouden moeten gelden als kosten ter voorkoming of vermindering van de schade, is de rechtbank, in navolging van het Gerechtshof Arnhem (ECLI:NL:GHARN:2005:AU0822), van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om die kosten, gelet op haar aard, in mindering te brengen op de verzekerde som. 

4.5. Bij het voorgaande geldt dat de door X gemaakte kosten waarover dit geschil gaat en bij partijen bekend worden verondersteld, bij het ontbreken van verweer op dit punt aan de zijde van Luchtvaartpool, geacht moeten worden de dubbele redelijkheidstoets te doorstaan. 

4.6. Wat betreft de betaling van Luchtvaartpool aan het UWV beroept Luchtvaartpool zich erop dat zij, ten tijde van de betaling, niet het vermoeden had dat de verzekerde som door de schade van X zou worden overschreden en dat zij die betaling dus te goeder trouw heeft gedaan, dit in de zin van artikel 7:954 lid 5 BW. Aldus zou zij jegens X tot niet meer gehouden zijn dan tot uitkering van het na aftrek van die betaling resterende beloop van de verzekerde som. 
Uitgangspunt is - waarover partijen het eens zijn - dat het slachtoffer van het ongeval als benadeelde in het licht van betalingen aan andere benadeelden ten laste van de verzekerde som prioriteit moet genieten. De verschuldigde vergoeding dient naar evenredigheid (pro rata) toegerekend te worden aan de schade van elk der benadeelden, en, indien er naast personenschade andere schade is, dan ook evenredig aan de respectievelijke schadesoorten. Indien de precieze hoogte van te verwachten claims onduidelijk is (bijvoorbeeld omdat de medische eindtoestand nog niet is ingetreden), zal een inschatting moeten worden gemaakt waarbij met goede en kwade kansen wordt gerekend. Ook de nog niet ingediende maar wel verwachte claims moeten, waar mogelijk, zo nauwkeurig mogelijk worden geschat en meegerekend. Met lid 5 van voormeld wetsartikel heeft de verzekeraar een opschortingsrecht voor zover door hem 'op redelijke gronden kan worden betwijfeld' welk bedrag ingevolge deze regeling dient te worden betaald. 

4.7. De rechtbank is van oordeel dat Luchtvaartpool in het licht van wat van haar mag worden verlangd zoals hiervoor uiteengezet niet voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beslissing om aan UWV, als benadeelde, een substantiële geldsom te betalen, zodat Luchtvaartpool niet te goeder trouw heeft gehandeld. Aan de goede trouw van de verzekeraar mogen hoge eisen worden gesteld indien hij kan worden geacht bekend te zijn geweest met de mogelijkheid van meerdere vorderingen die de verzekerde som kunnen overtreffen. 
Reeds in juli 2007 was (het ook Luchtvaartpool) duidelijk dat X volledig arbeidsongeschikt was verklaard door het ondervonden ernstig letsel waarmee een forse schade, waaronder verlies aan verdienvermogen, in de rede lag. Luchtvaartpool heeft toen bij brief van S van 26 september 2007 X in kennis doen stellen van de bereidheid van Luchtvaartpool om de schade van X volledig te vergoeden. Naar Luchtvaartpool heeft betoogd, moet deze verklaring worden verstaan, als gewoon in dit soort zaken, namelijk dat dit wel tot het maximum van de verzekerde som gold. Gelet op het re-integratieproject dat aan de orde was, zag Luchtvaartpool geen reden om een overschrijding van de verzekerde som te vermoeden bij de betaling aan het UWV. Dit re-integratietraject is evenwel uiteindelijk niet geslaagd. 
Vaststaat dat Luchtvaartpool wist dat een re-integratietraject aan de orde was, waaraan doorgaans hoge kosten verbonden zijn, zodat zij extra claims had mogen verwachten. Daarnaast had zij ten tijde van de betaling geen enkel zicht op de omvang van de schade en te verwachten claims nu een schadebegroting pas laat tot stand is gebracht (uiteindelijk eerst in 2014), sluitend op een substantieel bedrag afgezet tegen de verzekerde som waarvan partijen in dit geschil zijn uitgegaan. De ter verdediging aangevoerde omstandigheid dat het Luchtvaartpool in 2011 (nog) niet duidelijk was dat de verzekerde som zou worden overschreden, omdat zij nog niet voldoende inzicht had in de finale schadebegroting van X, moet haar worden tegengeworpen als verwijt dat zij bij die omstandigheid niet voldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen en te lichtzinnig en zonder het belang van X in het oog te houden aan het UWV heeft betaald. Gesteld noch gebleken is dat Luchtvaartpool zich voor het doen van de betalingen rekenschap heeft gegeven van de hoogte van de mogelijk door X en andere benadeelden geleden schade en eventuele claims op dit punt, terwijl over de exacte hoogte van de verzekerde som onduidelijkheid bestond. 

4.8. De rechtbank is van oordeel dat het nemen van een beslissing in deze deelgeschil- procedure om de vastgelopen onderhandelingen tussen partijen vlot te trekken, nieuwe perspectieven kan openen wat betreft het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst tussen hen. Luchtvaartpool heeft dit, uitgaande van ontvankelijkheid van het verzoek, onvoldoende weersproken. 

4.9. De rechtbank komt tot de conclusie dat het verzoek van X sub 3.1 onder I, behoudens wat betreft de buitengerechtelijke kosten waaronder advocaatkosten, ten aanzien waarvan Luchtvaartpool zich reeds bereid heeft verklaard die kosten niet ten laste te brengen van de verzekerde som, alsmede het verzoek sub 3.1 sub II moeten worden toegewezen. 

4.10. De rechtbank zal de kosten van het deelgeschil als volgt begroten. De onderhavige zaak ziet naar het oordeel van de rechtbank op een tweetal afgebakende juridische onderwerpen van een niet al te complexe aard. Met inbegrip van de zitting en een pleitnota acht de rechtbank het daarom redelijk om uit te gaan van 15 uren in plaats van 21 uren zoals door X verzocht, tegen een uurtarief van € 200,00 exclusief btw. De opslag wegens 6% kantoorkosten is niet weersproken evenmin als de vergoeding van het griffierecht. Luchtvaartpool zal dienovereenkomstig tot betaling aan X worden veroordeeld. 

5. De beslissing 

De rechtbank 

5.1. bepaalt dat op de verzekerde som niet in mindering mogen worden gebracht de re integratiekosten en de kosten voor medische- en arbeidsdeskundige expertise, 

5.2. bepaalt dat op de verzekerde som niet in mindering mag worden gebracht de betaling aan het UWV ad € 67.369,09, 

5.3. bepaalt de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van X op € 4.132,80, 

5.4. veroordeelt Luchtvaartpool tot betaling van het onder 5.3 bepaalde bedrag aan X, 

5.5. wijst het meer of anders verzochte af. 

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.

Met dank aan mr. N.T.G. Greven, Keuning Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.