Zoeken

Inloggen

Artikelen

SFG 020916

SFG 020916

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2016/SFG-020916

Uitspraak 

De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven 

Zaaknummer: 217745 

Datum uitspraak: 2 september 2016 

De civiele kamer van de Commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna ook te noemen: de Commissie) geeft op grond van het statuut voor de buitengerechtelijke afhandeling van civiele vorderingen tot schadevergoeding in verband met seksueel misbruik van minderjarigen in instellingen en pleeggezinnen (hierna ook te noemen: het Statuut) het volgende oordeel naar aanleiding van de aanvraag tot schadevergoeding door: 

Mevrouw X 
geboren op xx-xx-xxxx 
wonende te D 
hierna te noemen: aanvraagster 
gemachtigde mr. M.C.O. van Gerven 

tegen: 

Stichting Y 
gevestigd te R. 
vertegenwoordigd door A 
hierna te noemen: instelling 
gemachtigde mr. U. Altintas-Gümüs 

Beslissing 

De Commissie vindt aannemelijk dat aanvraagster in de periode 1972-1983 tijdens haar verblijf in een pleeggezin slachtoffer is geworden van seksueel misbruik door de pleegvader. 
De rechtsvoorganger van de instelling was destijds verantwoordelijk voor aanvraagster. 

Aanvraagster ontvangt op grond van het Statuut € 101.750,00 van de instelling. 

Het oordeel van de Commissie is bindend voor partijen en is niet vatbaar voor enige vorm van bezwaar of beroep. 

1. Verloop van de procedure 

De Commissie heeft het dossier met bijlagen ontvangen op 30 september 2015. 

Het dossier is op 10 december 2015 doorgestuurd naar de instelling. De Commissie ontving op 23 februari 2016 de schriftelijke reactie van de instelling. 

Aanvraagster en de instelling zijn op 3 juni 2016 gehoord door de Commissie. Aanvraagster werd vergezeld door haar zus en advocaat. Namens de instelling is verschenen mr. U. Altintas-Gümüs. 

Op 3 juni 2016 heeft de Commissie de aanvraag behandeld in de raadkamer. 

2. De aanvraag 

Aanvraagster werd op haar 4e jaar samen met haar oudere zus in een pleeggezin geplaatst. 
Het misbruik door de pleegvader begon al snel daarna. Aanvraagster werd gedwongen om haar pleegvader manueel te bevredigen. Dit gebeurde dagelijks. Aanvraagster heeft aangegeven dat zij een paar keer per maand door pleegvader werd verkracht. De zus van aanvraagster is ook op soortgelijke wijze misbruikt door de pleegvader. 
Aanvraagster heeft verklaard dat zij door beide pleegouders ook geestelijk en lichamelijk werd mishandeld. 
Aanvraagster is op haar 15e jaar weggelopen bij het pleeggezin en in een opvanggezin terecht gekomen. Ook in dat opvanggezin werd aanvraagster misbruikt door die pleegvader.

Aanvraagster heeft samen met haar zus aangifte gedaan bij de politie. 

Aanvraagster geeft aan dat zij als gevolg van het misbruik geen normale carrière heeft kunnen maken. Aanvraagster heeft wel gewerkt maar ook veel thuisgezeten. Sinds augustus 2014 is aanvraagster volledig ziekgemeld in verband met een burn out. 

3. Reactie instelling 

De instelling is van mening dat niet zij maar Z aangemerkt dient te worden als rechtsopvolger. 

De instelling heeft getracht het hulpverleningsdossier te achterhalen maar dat is niet gelukt. De instelling kan dus alleen de door aanvraagster overgelegde stukken beoordelen. 

De instelling vindt aannemelijk dat aanvraagster misbruikt is door pleegvader. De instelling betreurt dit ten zeerste en heeft waardering voor de wijze waarop aanvraagster in het leven staat. 
De instelling is van mening dat op basis van het dossier, de aard en omvang van het misbruik niet duidelijk wordt. Volgens de instelling blijkt het door aanvraagster gestelde misbruik niet uit het door haar overgelegde steunbewijs. 

De instelling geeft aan dat de toenmalige voogd de pleegvader geconfronteerd heeft met de anonieme brief en het telefoontje aan de Raad voor de Kinderbescherming, er een gesprek is geweest met de tante van aanvraagster, een psychiater is geraadpleegd en de bezoekfrequentie van het pleeggezin is verhoogd. Volgens de voogd ontkenden aanvraagster en haar zus destijds het misbruik. Volgens de instelling werd pas in 1983 voor de voogd duidelijk dat aanvraagster slachtoffer was geworden van misbruik door de pleegvader. Uit het proces-verbaal is niet duidelijk geworden welke concrete actie de voogd toen heeft ondernomen naar aanvraagster toe. 

De instelling concludeert dat de vermoedens die in 1981 door de tante en de Raad voor de Kinderbescherming naar voren zijn gebracht concreter zijn geworden in 1983. De voogd had wetenschap van de uitlatingen over het misbruik en heeft die informatie proberen te staven via gesprekken met het pleeggezin. De instelling is van mening dat, met de wetenschap die de instelling nu heeft over de aanpak van misbruik, niet met zekerheid het standpunt ingenomen kan worden dat de rechtsvoorganger effectief heeft opgetreden. 

De voogd heeft passend binnen de toen geldende tijdgeest actie ondernomen en de uitlatingen proberen te onderzoeken, maar uit het proces-verbaal blijkt niet of, en welke, concrete acties de voogd heeft ondernomen toen hij ermee bekend werd dat aanvraagster pleegvader moest bevredigen tijdens het uitlaten van de hond. 
De instelling acht het bevredigen van pleegvader tijdens het uitlaten van de hond aannemelijk. Voor het overige misbruik vindt de instelling dat niet met zekerheid is vast te stellen dat het is gebeurd. 

De instelling is van mening dat er geen steunbewijs is voor een causaal verband tussen het gestelde misbruik en het gederfde levensonderhoud. Als er een bedrag als vermogensschade toegekend zal worden, dan moet er volgens de instelling rekening gehouden worden met de meerdere oorzaken daarvan. 

4. Beoordeling steunbewijs 

Aannemelijkheid misbruik 

De Commissie vindt aannemelijk dat aanvraagster in de periode 1972-1983 verbleef bij het pleeggezin. De Commissie vindt op basis van het dossier voldoende aannemelijk dat de rechtsvoorganger van de instelling in die periode verantwoordelijk is geweest voor aanvraagster. 

De Commissie vindt aannemelijk dat aanvraagster tijdens haar verblijf bij het pleeggezin slachtoffer is geworden van seksueel misbruik door de pleegvader. De Commissie merkt hierbij op dat de aannemelijkheidstoets bij het Statuut anders is dan de toets van een rechter in het strafrecht. De Commissie vindt dat uit het dossier voldoende is gebleken dat er niet alleen sprake is geweest van manueel bevredigen van pleegvader maar dat aanvraagster ook stelselmatig en langdurig verkracht is door de pleegvader. Dit in tegenstelling tot hetgeen de instelling in haar schriftelijke reactie heeft aangegeven. 

Feitelijke wetenschap 
Om voor een uitkering op grond van het Statuut in aanmerking te komen moet uit het dossier blijken dat er sprake was van feitelijke wetenschap van het seksueel misbruik bij de instantie die verantwoordelijk was voor de plaatsing en/of begeleiding in het pleeggezin. Daarnaast moet de instelling vervolgens niet effectief hebben opgetreden. 

Uit het dossier is gebleken dat de voogd al in 1981 van verschillende bronnen de eerste signalen had gekregen dat aanvraagster misbruikt werd door haar pleegvader. Het misbruik van aanvraagster duurde toen nog 2 jaar voort. De Commissie is van mening dat uit het dossier voldoende aannemelijk is geworden dat de rechtsvoorganger niet adequaat en effectief heeft gehandeld toen de eerste signalen van het misbruik bekend werden. 

De Commissie baseert zich bij deze beoordeling. onder andere, op de bevestiging van de aangifte bij de politie. de verklaring van de voogd en de voogdij registerkaart. 

5. Tegemoetkomingscategorie 

Op basis van het Statuut kan naar billijkheid een tegemoetkoming in de schade, die ontstaan is door seksueel misbruik, toegekend worden. De tegemoetkoming heeft het karakter van smartengeld met als doel erkenning van het gepleegde seksueel misbruik. Het is bedoeld om een materiële vergoeding te bieden ter verzachting van het psychische leed, de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde. Daarnaast is het toegekende bedrag bedoeld als een tegemoetkoming voor onkosten die het gevolg zijn geweest van het misbruik. 

De Commissie is van oordeel dat er sprake is van een uitzonderlijk geval van seksueel misbruik die overeenkomt met categorie e van artikel 6 lid 1 van het Statuut. 
De Commissie kent hiervoor € 75.000,00 toe. 

De Commissie komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden. 
Aanvraagster is gedurende haar verblijf van ongeveer elf jaar bij het pleeggezin stelselmatig en frequent misbruikt door haar pleegvader. Het misbruik bestond uit manuele bevrediging en vaginaal binnendringen met het geslachtsdeel. Bij het bepalen van de hoogte van de 
tegemoetkoming houdt de Commissie er ook rekening mee dat aanvraagster nog zeer jong was toen het misbruik begon en dat zij langdurig letsel heeft opgelopen als gevolg van het misbruik. 

Vermogensschade 
Volgens artikel 6 lid 1 onder f van het Statuut kan in gevallen bedoeld in categorieën c, d en e waarin de vermogensschade van een aanvrager door het misbruik substantieel is en het causaal verband en doie schade voldoende aannemelljk is een bedrag worden toegekend. 
De Commissie kent aanvraagster € 25.000,00 toe voor vermogensschade. Hieronder licht de Commissie dit nader toe. 

Aanvraagster heeft aangegeven dat zij door alle klachten die zij heeft nooit een normale baan heeft kunnen vinden. De psychische klachten van aanvraagster hebben haar belemmerd om actief te zijn op de arbeidsmarkt. Als gevolg daarvan zou aanvraagster ermogensschade hebben geleden. 

De Commissie dient op grond van het Statuut te beoordelen of er een causaal verband is tussen het seksueel misbruik en eventuele vermogensschade. 

Aanvraagster geeft aan dat zij als gevolg van het misbruik geen normale carrière heeft kunnen maken. Aanvraagster heeft wel gewerkt maar ook veel thuisgezeten. Sinds augustus 2014 is aanvraagster volledig ziekgemeld in verband met een burn out. 

De Commissie is van mening dat het misbruik in het pleeggezin heeft bijgedragen aan de langdurige psychische klachten van aanvraagster. Dit blijkt uit medische informatie die aanvraagster heeft overgelegd. 
De Commissie is het met de instelling eens dat het misbruik in het pleeggezin niet de enige oorzaak is geweest voor de klachten van aanvraagster. Hetgeen aanvraagster na het verblijf in het tehuis heeft meegemaakt hebben naar alle waarschijnlijkheid ook invloed gehad op de psychische gesteldheid van aanvraagster. Daarnaast is gebleken dat aanvraagster nadat zij haar eerste kind heeft gekregen minder is gaan werken en dat zij wegens werkgerelateerde problemen een periode niet/minder heeft kunnen werken en onder behandeling is geweest. Het is voor de Commissie dus niet mogelijk om te beoordelen op welke wijze aanvraagster op de arbeidsmarkt gefunctioneerd zou hebben, en welke inkomenspositie aanvraagster zou hebben gehad, als zij geen slachtoffer zou zijn geweest van bet seksueel misbruik in het pleeggezin.

De Commissie kan dus niet beoordelen of, en in welke mate, er bij aanvraagster sprake is geweest van inkomstenverlies als gevolg van het misbruik in het pleeggezin. Omdat de Commissie wel aannemelijk vindt dat aanvraagster als gevolg van het ernstige misbruik langdurige psychische klachten heeft en als gevolg daarvan bij aanvraagster substantiële vermogensschade is, stelt de Commissie in redelijkheid een bedrag vast. 
De Commissie vindt € 25.000,00 passend voor de situatie van aanvraagster.

6. Advocaatkosten

Aanvraagster heeft van de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging gekregen. Het bedrag dat hiervoor wordt uitgekeerd zal omstreeks € 1.250,00 zijn. Op grond van artikel 15 van het Statuut kan aanvraagster een aanvulling krijgen voor de advocaatkosten tot € 2.000,00. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan de Commissie afwijken van dit maximum. De Commissie vindt het redelijk een totaalbedrag van € 3.000,00 toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand. 
De Commissie houdt hierbij rekening met de zwaarte en omvang van de zaak en dat twee opvolgend advocaten betrokken zijn geweest bij de zaak. 
Het bedrag dat aanvraagster vanuit de Raad voor Rechtsbijstand zal krijgen, zal verrekend worden met de kosten voor rechtsbijstand van € 3.000,00. Dit betekent dat er € 1.750,00 resteert voor de advocaatkosten die de Commissie toekent aan aanvraagster.

7. Betaling

De Commissie draagt de instelling op € 101.750,00 te betalen aan aanvraagster. 
Dit bedrag wordt binnen 30 dagen na ontvangst van de uitspraak van de Commissie door de instelling betaald.

De tegemoetkoming wordt betaald zonder dat van aanvraagster finale kwijting met betrekking tot het seksueel misbruik wordt verlangd. Dit betekent dat het voor aanvraagster mogelijk blijft om de instelling in de toekomst aansprakelijk te stellen.

De uitspraak is gedaan door de civiele kamer van de Commissie en is ondertekend door de voorzitter.

Voorzitter: Prof. mr. J.J.M. van Dijk 

Met dank aan mr. J.F. Roth, SAP Letselschade Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies