Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBMNE 071118

Vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4863609 UC EXPL 16-3630 MAR/1217

Vonnis van 7 november 2018

in de zaak van

[ eiser ] , 
wonende te Utrecht, 
eisende partij, 
gemachtigde: mr. I.H.T. van Beekhuizen

tegen

I. de vennootschap onder firma [ gedaagde ] V.O.F., 
gevestigd te [ vestigingsplaats ] , 
2. [ gedaagde A ] , 
vennoot van gedaagde sub 1, 
wonende te Utrecht 
3. [ gedaagde B ] , 
vennoot van gedaagde sub 1, 
wonende te Utrecht, 
gedaagde partij, 
gemachtigde: mr. M.C. Franken-Schoemaker.

Partijen worden hierna als volgt aangeduid. Eisende partij wordt [ eiser ] genoemd. De gedaagde partij wordt [ gedaagde ] genoemd en voor zover nodig worden beide vennoten aangeduid met de voorletter en achternaam.

1. De procedure

1.1. 
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit 
- het tussenvonnis van 20 juni 2018; 
- de akte houdende uitlating van 22 augustus 2018 met productie 1 en 2 van [ gedaagde ] : 
- de antwoordakte van 19 september 2018 van [ eiser ] .

1.2. 
Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1. 
[ eiser ] houdt [ gedaagde ] , waar hij in dienst was, aansprakelijk voor het ongeval dat hem tijdens zijn werk op 14 november 2012 is overkomen, waarbij hij een snijwond aan zijn linkerhand heeft opgelopen. [ eiser ] vordert daarom - kort gezegd- een 
verklaring voor recht dat [ gedaagde ] aansprakelijk is en vergoeding van zijn schade, De kantonrechter heeft de vordering van [ eiser ] helemaal weergegeven onder 2.2. van het tussenvonnis van 20 juni 2018. 

2.2.
In het tussenvonnis van 13 december 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [ gedaagde ] in principe aansprakelijk is ten opzichte van [ eiser ] en dat dit alleen anders is als blijkt dat [ gedaagde ] heeft voldaan aan de zorgplicht die op grond van het eerste lid van 
artikel 7:658 BW op haar rust 

2.3. 
Over die zorgplicht gaat het nu nog. In het tussenvonnis van 20 juni 2018 heeft de kantonrechter de standpunten van partijen daarover weergegeven (2.8. en 2.9.). [ gedaagde ] vindt onder andere dat de veiligheidshandschoenen die zij verstrekt heeft bij uitstek geschikt zijn voor het verrichten van glaszetterswerkzaamheden, terwijl [ eiser ] meent dat de TOWA PowerGrap Plus handschoenen onvoldoende bescherming bieden tegen snijgevaar. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat voor het antwoord op de vraag of voldaan is aan de zorgplicht (ook) van belang is of de veiligheidshandschoenen die [ gedaagde ] aan [ eiser ] had gegeven deugdelijk waren. Omdat [ eiser ] dat gemotiveerd beeft betwist en [ gedaagde ] nog niet heeft kunnen reageren op de laatste producties (19 en 20) van [ eiser ] , heeft de kantonrechter de zaak naar de rol verwezen om [ gedaagde ] daartoe in de gelegenheid stellen. 

2.4. 
In haar akte reageert [ gedaagde ] dan als volgt. Het enkele feit dat er veiliger handschoenen bestaan betekent niet per definitie dat die altijd moeten worden gebruikt. De snijbestendigheid van de handschoenen die [ gedaagde ] ter beschikking heeft gesteld was 
voldoende om schade zoals [ eiser ] stelt (het met veger en blik opvegen van glas c.q. het tegenhouden van omvallend glas) te voorkomen. Als onderbouwing van dit standpunt heeft [ gedaagde ] het certificaat van de PowerGrab Plus handschoenen overgelegd. Hieruit volgt volgens [ gedaagde ] dat deze handschoenen voldoen aan NEN-normen. Volgens [ gedaagde ] hebben de handschoenen een snijweerstand van 2,5, wat betekent dat meerdere keren op exact dezelfde plek een snijbeweging moet worden gemaakt om de stof te 
doorklieven, [ gedaagde ] wijst op productie 2 bij haar akte houdende uitlating van 22 augustus 2018. [ gedaagde ] vindt dat hiermee vaststaat dat de handschoenen voldoende bescherming boden tegen het snijiucident zoals [ eiser ] stelt dat dat heeft plaatsgevonden. 
[ gedaagde ] wijst er ook nog op dat de handschoenen voldoen aan de criteria die door de overheid aan veiligheidshandschoenen worden gesteld en zoals die volgen uit de website van Arboportaal. 

2.5. 
In zijn antwoordakte heeft [ eiser ] hierop gereageerd. Zijn reactie komt hierop neer dat hij betwist dat [ gedaagde ] hem handschoenen van het type PowerGrab Plus ter beschikking heeft gesteld. 

2.6. 
De kantonrechter overweegt als volgt Het standpunt van [ gedaagde ] zoals de kantonrechter dat hiervoor onder 2.4, heeft weergegeven, veronderstelt dat het volgens [ gedaagde ] om PowerGrab Plus handschoenen (van TOWA) gaat. [ eiser ] betwist in feite dat 
déze handschoenen daadwerkelijk aan hem zijn verstrekt. In principe betekent dit dat [ gedaagde ] zou moeten bewijzen dat het om déze PowerGrab Plus handschoenen gaat. Dit ligt in dit geval echter anders. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat [ eiser ] met zijn betwisting dat het om die handschoenen gaat een standpunt inneemt dat tegenstrijdig is met zijn eerdere standpunt hierover. Dit wordt als volgt toegelicht. 

2.7. 
Bij zijn akte wijziging van eis van 2 november 2016 heeft [ eiser ] productie 16 overgelegd; een beschrijving met foto en specificaties van de PowerGrab Plus handschoenen. In punt 24 van die akte van 2 november 2016 stelt [ eiser ] daarover dat dit de handschoenen zijn die door [ gedaagde ] zijn verstrekt. Tijdens het getuigenverhoor op 7 juni 2017 heeft [ eiser ] over (de foto op) deze productie 16 verklaard dat het klopt dat dit de handschoenen zijn die hij (en iedereen) droeg tijdens het voorval. Door nu het tegenovergestelde te beweren, maakt dat de kantonrechter het standpunt van [ eiser ] dat hem geen handschoenen van het type PowerGrab Plus ter beschikking zijn gesteld, volstrekt ongeloofwaardig vindt. 
De kantonrechter wijst in dit kader ook nog op het volgende. In de akte van 22 augustus 2018 noemt [ gedaagde ] pas voor het eerst dat het om de PowerGrab Plus handschoenen gaat. In een eerder stadium in deze procedure heeft [ gedaagde ] geen naam, type of 
specificaties van de handschoen genoemd. [ eiser ] heeft dit zelf ook in zijn antwoordakte van 25 april 2018 benoemd, zie laatste alinea van bladzijde 2. Dit is door [ eiser ] vervolgd met de opmerking: "In de eerdere bodemprocedure tussen partijen heeft [ gedaagde ] aangegeven dat de handschoenen TOWA PowerGrab Plus werden gebruikt", met een verwijzing naar de vindplaats in die procedure. [ eiser ] vervolgt zijn betoog - bladzijde 3 bovenaan, antwoordakte van 25 april 2018 - met de stelling: "De door [ gedaagde ] ter beschikking gestelde handschoenen (TOWA PowerGrab Plus) bieden onvoldoende bescherming tegen snijgevaar" Dit standpunt heeft [ eiser ] vervolgens verder uitgewerkt en onderbouwd, waarbij hij ook weer heeft gewezen op een aantal producties. [ eiser ] heeft dus steeds het standpunt ingenomen dat hij van mening is dat het om TOW A PowerGrab Plus handschoenen gaat. Aan het betoog in zijn antwoordakte van 19 september 2018 dat geenszins vaststaat dat die handschoenen ook daadwerkelijk door [ gedaagde ] ter beschikking werden gesteld ten tijde van het ongeval, gaat de kantonrechter, nu het in strijd is met zijn eerdere stellingname, dan ook voorbij. Dit betekent dat er vanuit moet worden gegaan dat het gaat om TOWA PowerGrab Plus handschoenen. 

2.8. 
Dan terug naar de vraag waarvan de kantonrechter heeft geoordeeld dat die voor de beoordeling of[ gedaagde ] voldaan heeft aan haar zorgplicht van belang is (zie 2.3.): zijn de veiligheidshandschoenen, de TOWA PowerGrab Plus handschoenen, deugdelijk of niet. 
Zoals de kantonrechter hiervoor onder 2.4. heeft weergegeven is [ gedaagde ] van mening dat deze handschoenen voor de werkzaamheden die [ eiser ] verrichtte deugdelijk waren, omdat de snijbestendigheid voldoende was. Volgens [ gedaagde ] betreft het een snijweerstand van 2,5, wat betekent dat meerdere keren op exact dezelfde plek een snijbeweging moet worden gemaakt om de stof te doorklieven. In zijn antwoordakte van 19 september 2018 is [ eiser ] hier niet op ingegaan. De consequentie hiervan is dat de kantonrechter er vanuit moet gaan dat de door [ gedaagde ] ter beschikking gestelde veiligheidshandschoenen deugdelijk waren. Dit betekent dat de kantonrechter het er voor moet houden dat [ gedaagde ] op dit punt aan haar zorgplicht heeft voldaan. 

2.9. 
De kantonrechter zal nu ingaan op de overige standpunten van partijen over (de schending van) de zorgplicht, zoals ook is overwogen in het tussenvonnis van 20 juni 2018 onder punt 2.11.) 

2.10.
[ eiser ] heeft aangevoerd dat [ gedaagde ] onvoldoende heeft toegezien op de naleving van de veiligheidsmaatregelen, waaronder het dragen van de veiligheidshandschoenen. Dit volgt volgens hem uit de eerder in deze procedure afgelegde getuigenverklaringen. 
[ gedaagde ] voert aan dat [ eiser ] de veiligheidshandschoenen droeg tijdens het voorval, waarmee niet alleen vaststaat dat [ eiser ] over het dragen van zijn handschoenen door [ gedaagde ] is geïnstrueerd maar ook dat die instructie is nageleefd. 
Aan het standpunt van [ eiser ] dat [ gedaagde ] op dit punt de zorgplicht heeft geschonden, gaat de kantonrechter voorbij. Dat er mogelijk niet is toegezien op naleving van de instructie handschoenen te dragen, wat daar verder ook van zij, is hier nu namelijk niet van belang, omdat [ eiser ] zelf stelt dat hij de handschoenen wel droeg ten tijde van het ongeval (punt 9 van de antwoordakte van 25 april 2018). 

2.11. 
Dit ligt anders waar het gaat over instructies over de manier waarop glaszetterswerkzaamheden veilig moeten worden uitgevoerd. Dit wordt als volgt toegelicht. 
[ eiser ] heeft in de dagvaarding gezegd dat [ gedaagde ] geen of in ieder geval onvoldoende aanwijzingen, (veiligheids)instructies of voorschriften heeft gegeven over het afvoeren van glas(scherven). 
In het vonnis van 14 september 2016 (punt 4.6.) heeft de kantonrechter overwogen dat [ gedaagde ] haar stellingen over (onder meer) de instructies nader moet onderbouwen en eventueel moet bewijzen. 
Tijdens het getuigenverhoor aan de zijde van [ eiser ] op 7 juni 2017 heeft de kantonrechter, naar aanleiding van het bezwaar van mr. Van Noort, beslist dat de getuigen niet worden bevraagd over de veiligheidsmaatregelen en instructies. 
Bij vonnis van 13 december 2017 (punt 2.7.) is vervolgens, onder verwijzing naar punt 4.6. in het vonnis van 14 september 2016, overwogen dat het op de weg ligt van [ gedaagde ] te onderbouwen en eventueel te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, en is [ gedaagde ] in de gelegenheid gesteld bij akte die nadere onderbouwing te geven en aan te geven of en zo ja hoe zij bewijs van haar stellingen kan leveren. 
De kantonrechter constateert echter dat [ gedaagde ] geen onderbouwing heeft gegeven over eventuele aanwijzingen, veiligheidsmaatregelen en instructies over het veilig afvoeren van glas (akte van 28 februari 2018). [ gedaagde ] is, wat de zorgplicht betreft, alleen ingegaan op de deugdelijkheid van de ter beschikking gestelde veiligheidshandschoenen en de op dat punt gegeven instructies. Het gevolg hiervan is de kantonrechter er vanuit moeten gaan dat over het (veilig) afvoeren van glasïscherven) geen instructies zijn gegeven of 
veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Omdat [ gedaagde ] de nadere onderbouwing waar de kantonrechter bij herhaling om heeft gevraagd, niet heeft gegeven, wordt aan het leveren van bewijs over eventuele instructies ofveiligheidsmaatregeJen niet toegekomen. 
Wat de kantonrechter hiervoor heeft overwogen betekent dat [ gedaagde ] , waar het gaat om het geven van (veiligheids)instructies over het afvoeren van glas(scherven), niet aan de zorgplicht heeft voldaan. [ gedaagde ] is daarom op grond van artikel 7:658 BW 
aansprakelijk voor de schade die [ eiser ] door het arbeidsongeval lijdt. 

2.12. 
Voor de vordering van [ eiser ] , zie 2.2. van het tussenvonnis van 20 juni 2018, betekent dit het volgende. 
De gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen. 
Voor de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade geldt het volgende. Op dit moment kan de kantonrechter de schadeomvang niet vaststellen. Er is onvoldoende informatie om de schade nu al te kunnen begroten. [ eiser ] heeft geen concrete bedragen en 
schadeposten genoemd. Daarnaast is het debat over de schade in deze procedure onvoldoende gevoerd, terwijl de schade zich ook niet op eenvoudige wijze laat vaststellen. Gelet op de bijzondere situatie met meervoudige problematiek bij [ eiser ] sluit de kantonrechter namelijk niet uit dat daarvoor diverse onderzoeken door deskundigen nodig zullen zijn. Een medisch deskundigenonderzoek, een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek en zo nodig een onderzoek door een rekenkundige zijn mogelijk noodzakelijk. De kantonrechter ziet daarin, en ook omdat het aannemelijk is dat [ eiser ] mogelijk schade heeft geleden, aanleiding om [ gedaagde ] te veroordelen tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 
De gevorderde hoofdelijkheid is, niet alleen omdat dit niet betwist is, maar ook op grond van de wet (artikel 6:7 BW) toewijsbaar.

2.13. 
De kantonrechter geeft partijen gelet op het complexe karakter van de schade tot slot nadrukkelijk in overweging om te onderzoeken of zij in onderling overleg tot een schade- afwikkeling kunnen komen.

2.14. 
[ gedaagde ] zal als dein het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de door de griffier voorgeschoten explootkosten niet 
mogelijk. De kosten aan de zijde van [ eiser ] worden zodoende begroot op: 
- griffierecht € 79,00 
- salaris gemachtigde € 1.400 00 (7 punten x tarief € 200,00) 
Totaal € 1.479,00

3. De beslissing

De kantonrechter:

3.1. 
verklaart voor recht dat [ gedaagde ] en/of [ gedaagde A ] en/of [ gedaagde B ] , hoofdelijk, ieder voor zich en tezamen, aansprakelijk is/zijn voor de door [ eiser ] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 14 november 2012;

3.2. 
veroordeelt [ gedaagde ] en/of'[ gedaagde A ] en/of'[ gedaagde B ] , hoofdelijk, ieder voor zich en tezamen, tot betaling van alle door [ eiser ] geleden en nog te lijden schade die in causaal verband staat met het ongeval van 14 november 2012, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3.3. 
veroordeelt [ gedaagde ] en/of [ gedaagde A ] en/of [ gedaagde B ] , hoofdelijk, ieder voor zich en tezamen, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [ eiser ] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.479,00, waarin begrepen €1400 aan salaris gemachtigde, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis;

3.4. 
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

3.5. 
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J .P. Killian, kantonrechter, en is in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier; in het openbaar uitgesproken op 7 november 2018.

Met dank aan mr. H. Zandijk, Zandijk Letselschade Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak. Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2018/rbmne-071118

Deze website maakt gebruik van cookies