Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBOBR 101018

RBOBR 101018

vonnis 

RECHTBANK OOST-BRABANT 

Civiel Recht 
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch 

zaaknummer / rolnummer: C/01/271546 / HA ZA 13-872 

Vonnis van 10 oktober 2018 

in de zaak van 

1. [ eiser 1 ] , 
wonende te [ woonplaats ] , 
2. de naamloze vennootschap 
LOYALIS SCHADE N.V., 
gevestigd te Heerlen, 
eisers, 
advocaat mr. Q te [ vestigingsplaats ] , 

tegen 

[ gedaagde ] , 
wonende te [ woonplaats ] , 
gedaagde, 
advocaat mr. R te [ vestigingsplaats ] 

Partijen zullen hierna [ eiser 1 ] c.s. en [ gedaagde ] genoemd worden. Waar nodig zullen eisers afzonderlijk respectievelijk [ eiser 1 ] en Loyalis worden genoemd. 

1. De procedure 

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het tussenvonnis van 13 december 2017; 
- de akte uitlating na tussenvonnis tevens houdende producties van [ eiser 1 ] c.s. van 18 apri12018; 
- de antwoord-akte houdende uitlating na tussenvonnis en producties van [ gedaagde ] van 31 mei 2018; 
- het proces-verbaal van comparitie van 3 I mei 2018; 
- de brief van 7 juni 2018 van de zijde van [ eiser 1 ] c.s. met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal; 
- de brief van 12juni 2018 van de zijde van [ gedaagde ] met betrekking tot de inhoud van het proces- verbaal. 

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 

2. De verdere beoordeling 

2.1. Aan de orde is de begroting van de schade die [ eiser 1 ] als gevolg van het incident op 5 mei 2007 heeft opgelopen. De omvang van de schade wordt volgens vaste rechtspraak in beginsel vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de feitelijke situatie na de normschending en de hypothetische situatie zoals die zou zijn geweest als de normschending zou zijn uitgebleven. 

Kansschade 
2.2. Het in het kader van de schadebegroting door [ gedaagde ] gedane beroep op het leerstuk van de kansschade gaat niet op. Met [ eiser 1 ] c.s. is de rechtbank van oordeel dat in deze casus dat leerstuk niet speelt. Kansschade ziet immers op situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een op zichzelf vaststaande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op een beter resultaat zich in werkelijkheid zou hebben gerealiseerd. Een dergelijke situatie doet zich in dit geschil niet voor. 

Predispositie 
2.3. Voorts brengt [ gedaagde ] als verweer naar voren dat rekening moet worden gehouden met de medische predispositie van [ eiser 1 ] . [ eiser 1 ] had voor het ongeval immers al het teken van chilaiditi, zodat de mogelijkheid bestaat dat hij op den duur ook zonder het incident arbeidsongeschikt zou zijn geworden en buikklachten zou hebben gekregen. Volgens [ gedaagde ] dient een deskundige bevraagd te worden ten aanzien van de mate van waarschijnlijkheid dat [ eiser 1 ] , het incident weggedacht, vergelijkbare klachten zou hebben ontwikkeld. In ieder geval dient de looptijd van de schade beperkt te worden. Ook stelt [ gedaagde ] dat een onzekerheidscorrectie moet worden toegepast, inhoudende dat de schadevergoeding wordt beperkt met een daartoe vast te stellen percentage. 

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank faalt ook dit verweer van [ gedaagde ] . De rechtbank ziet geen redenen om een deskundige nadere vragen te stellen ten aanzien van genoemde predispositie, nu die vraag al aan Z is gesteld. Z heeft in zijn rapportage van 10 juni 2015 deze vraag ook beantwoord. Z concludeert dat de kans dat [ eiser 1 ] , het incident op 5 mei 2007 weggedacht, op enig moment dezelfde klachten zou hebben ontwikkeld als de klachten die hij thans heeft, zeer klein is. De rechtbank heeft in de vraagstelling aan Z uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor het feit dat [ eiser 1 ] voor het ongeval al met het teken van chilaiditi was belast. Uit de beantwoording van de vraag blijkt dat Z daarmee rekening heeft gehouden. 

De verwijzing door [ gedaagde ] naar de gevaarlijke sporten die [ eiser 1 ] beoefent ([ gedaagde ] wijst op duiken en fietsen), kan hem niet baten. Dat [ eiser 1 ] door een andere geweldsinwerking en/of sportieve activiteit ook zonder het incident de klachten zou hebben gekregen die hij nu heeft, is speculatief. 

De rechtbank ziet daarom geen reden om op de door [ gedaagde ] voorgestane wijze bij de schadebegroting rekening te houden met de omstandigheid dat [ eiser 1 ] vóór het ongeval al het teken van chilaiditi had. 

Mate van arbeidsongeschiktheid 
2.5. [ gedaagde ] heeft als verweer aangevoerd dat het bewijs omtrent arbeidsongeschiktheid ontbreekt en dat is gesteld noch gebleken dat [ eiser 1 ] niet meer kan werken in een aangepaste functie. 

2.6. Naar het oordeel van de rechtbank kan in deze stand van de procedure echter als voldoende vaststaand worden aangenomen dat [ eiser 1 ] als gevolg van het ongeval volledig arbeidsongeschikt is geworden en dat hij dat tot zijn pensioengerechtigde leeftijd zal blijven. De rechtbank ziet, rekening houdend met de omstandigheden van dit geval, geen aanleiding (meer) om op dit punt een verzekeringsgeneeskundige en/of een arbeidsdeskundige in te schakelen en zij overweegt daartoe als volgt. Aan [ gedaagde ] kan worden toegegeven dat het klachten- en beperkingen patroon van [ eiser 1 ] deels nagenoeg alleen wordt ondersteund door het relaas van [ eiser 1 ] zelf. De door hem gestelde continue pijn, het bestaan en de intensiteit van de overige buikklachten en het medicijngebruik van [ eiser 1 ] zouden daarom in beginsel een nadere objectivering behoeven. Uit de aanwezige informatie komt echter in voldoende mate naar voren, dat deze klachten en beperkingen reëel aanwezig zijn. Zo is onder meer vast komen staan dat [ eiser 1 ] een aantal malen is geopereerd en dat hij continu medische hulp heeft gezocht om zijn beperkingen te verminderen. Nader onderzoek vindt de rechtbank in deze zaak daarom niet nodig. Dat nadere onderzoek zou op onderdelen tot een verfijning kunnen leiden, maar het belang daarvan acht de rechtbank minder groot dan het belang dat zowel [ eiser 1 ] als [ gedaagde ] hebben om op korte termijn klaarheid te krijgen in deze al zo lang lopende zaak, terwijl nader onderzoek veel tijd en geld zal kosten. Ter zitting op 31 mei 2018 hebben beide partijen hun belang bij duidelijkheid binnen overzienbare tijd uitdrukkelijk naar voren gebracht. 

2.7. De rechtbank zal de schade van [ eiser 1 ] begroten op basis van hetgeen uit de stukken en uit het verhandelde tijdens de zittingen naar voren komt. 

Verlies verdienvermogen 
2.8. [ eiser 1 ] stelt deze post in zijn schadestaat op een bedrag van in totaal € 254.511,-, conform een berekening die hij door het NRL heeft laten maken (vgl. dv prod. 6). Deze schade valt in drie hoofdsommen uiteen: 
(1) inkomen uit dienstbetrekking (normale actieve dienst én vrijwilligerswerk) over de periode van 5 mei 2007 tot 6 november 2025, zijnde de datum waarop [ eiser 1 ] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, zijnde een bedrag van € 155.274,-; 
(2) (zwart) inkomen als duikinstructeur over de periode van 5 mei 2007 tot 6 november 2018, zijnde een schadebedrag van € 29.050,-; 
(3) (ouderdoms-) pensioenschade vanaf 6 november 2025, zijnde een bedrag van € 70.186,- 

2.9. Ad (1) inkomen uit dienstbetrekking 
2.9.1. Niet in geschil is dat [ eiser 1 ] ten tijde van het incident fulltime werkte als beheerder operationele computersystemen bij de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. [ gedaagde ] stelt zich kennelijk op het standpunt dat deze functie zou vervallen althans, zo begrijpt de rechtbank onderdeel 16 van zijn akte van [ gedaagde ] van 31 mei 2018. 
Ter zitting van 31 mei 2018 geeft [ eiser 1 ] op het punt van zijn vaste dienstbetrekking een nadere toelichting (pleitnota, p. 3, tweede alinea). Tegen die achtergrond kan het verweer van [ gedaagde ] over het voortbestaan van de vaste dienstbetrekking niet slagen. Hierin is geen grond gelegen om deze schade lager te begroten dan het NRL heeft gedaan. 

2.9.2. [ gedaagde ] betwist voorts het uitgangspunt dat [ eiser 1 ] in de hypothetische situatie zonder ongeval € 3.000,- aan inkomsten per jaar zou hebben kunnen genereren als vrijwilliger bij de politie. Daarbij heeft [ gedaagde ] erop gewezen dat die inkomsten in de jaren 2003-2006 slechts circa € 700,- per jaar bedroegen. 
De rechtbank overweegt als volgt. [ eiser 1 ] stelt dat hij gemiddeld 8 uur per week gedurende 52 weken per jaar besteedde aan vrijwilligerswerk en daarmee genoemd bedrag aan inkomen genereerde. Mede gelet op het gemotiveerde venveer van [ gedaagde ] , heeft [ eiser 1 ] die stelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. In de jaren voorafgaande aan het incident heeft [ eiser 1 ] aanzienlijk minder als vrijwilliger gewerkt. Weliswaar stelt [ eiser 1 ] ter zitting dat dat verband hield met zijn specifieke functie en ter vermindering van het risico van uitval, dat - zo begrijpt de rechtbank - kennelijk aan het werk als vrijwilliger is verbonden. Zonder nadere toelichting echter, die [ eiser 1 ] niet heeft gegeven, kan dan niet zonder meer worden aangenomen dat het werk als vrijwilliger voor [ eiser 1 ] tot aan zijn 67e levensjaar beschikbaar én uitvoerbaar zou zijn. Bij dat laatste weegt de rechtbank mee dat [ eiser 1 ] stelt dat hij gelijktijdig én een fulltime baan uitoefende én gemiddeld 8 uur per week vrijwilligerswerk verrichtte én op zaterdagen en zondagen duikcursussen- en reizen verzorgde. De enkele stelling van [ eiser 1 ] dat hij voor het vrijwilligerswerk en de duikreizen verlof opnam en dat hij een stuwmeer aan verlof had, acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen aannemen dat hij het vrijwilligerswerk náást zijn fulltime baan zou kunnen volhouden tot zijn 67e. De rechtbank zal daarom ten aanzien van het wegvallen van de mogelijkheid om vrijwilligerswerk te verrichten de schade ex aequo et bono begroten op de helft van het gevorderde bedrag. 

2.9.3. De schade ten aanzien van het vrijwilligerswerk heeft het NRL verdisconteerd in het genoemde schadebedrag van € 155.274,- voor het totale verlies aan inkomen uit dienstbetrekking. Het staat echter niet als aparte post vermeld in het schadeoverzicht van het NRL. De rechtbank begroot de schade daarom op de volgende wijze met gebruikmaking van de gegevens uit het NRL-rapport. 
Het totaalbedrag van € 155.274,- hangt samen met een gemiddeld totaalbedrag aan verlies van jaarinkomen uit dienstbetrekking over de periode van 2007 tot en met 2025 van afgerond € 11.500,- per jaar (vgl. bijlage "Jaarschade, Gereduceerdejaarschade en Contante waarde" bij het NRL-rapport). Daarin zit een bedrag aan verlies van jaarinkomen in verband met vrijwilligerswerk van € 3.000,-. Dit brengt het schadebedrag in verband met het vrijwilligerswerk op 3.000/11.500e deel van € 155.274,- is afgerond€ 40.500,-. 
Uit het voorgaande volgt dat de helft van dit bedrag (dus € 20.250,-) moet worden afgewezen. Resumerend bedraagt de schade van [ eiser 1 ] wegens verlies aan inkomen uit dienstbetrekking dus € 135.024,- (€ 155.274,- minus € 20.250,-). 

2.10. Ad (2) inkomen uit duikwerkzaamheden 
2.10.1. Bij de berekening van zijn schade, neemt [ eiser 1 ] mee dat hij inkomen genereert met het geven van duikcursussen en het begeleiden van duikvakanties. Weliswaar beperkt hij de periode waarover hij deze schade vordert tot zijn 60e levensjaar, maar ook die periode acht de rechtbank te lang, mede gelet op de hiervoor beschreven cumulatie van verschillende werkzaamheden. Ter zitting is bovendien gebleken dat het om zwarte inkomsten gaat, zodat het gevorderde bedrag in ieder geval moet worden omgerekend naar een netto-bedrag. 
Alles overziende, begroot de rechtbank het bedrag aan netto gemiste inkomsten uit duikwerkzaamheden op € 10.000,-. 

2.11. Ad (3) pensioenschade 

2.11.1. Het gevorderde bedrag op dit punt van € 70.186,- hangt samen met een vordering wegens verlies aan inkomen uit dienstbetrekking van € 155.274,-. Nu van dat laatste bedrag slechts € 135.024,- toewijsbaar is, begroot de rechtbank de pensioenschade op een evenredig deel van het gevorderde bedrag. Dat komt uit op afgerond € 61.000,- (135.024/l55.274e deel van € 70.186,-). 

2.12. Resumerend begroot de rechtbank de schade van [ eiser 1 ] wegens verlies verdienvermogen op € 206.024,- (€ 135.024 + € 10.000,- + € 61.000,-). 

Verlies zelfwerkzaamheid 
2.13. [ eiser 1 ] vordert op dit punt een bedrag van € 20.580,- aan schade. Hij gaat daarbij uit van een bedrag van € 1.080,- per jaar tot zijn 70e levensjaar. Dit is conform de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad. Volgens [ eiser 1 ] verrichtte hij voor het incident diverse klussen in en om zijn woning zelf. 

2.14. De rechtbank stelt vast dat [ eiser 1 ] met de genoemde € 1.080,- per jaar het normbedrag hanteert dat de Letselschaderaad koppelt aan de situatie dat álle onderhoud aan een hoekwoning met tuin zelf werd uitgevoerd. Op dat punt schieten de stellingen van [ eiser 1 ] tekort. Hij stelt enkel dat hij "diverse" klussen in en om zijn woning zelf uitvoerde. 
Gelet bovendien op de vele betaalde werkzaamheden die [ eiser 1 ] uitvoerde (fulltime baan én structureel vrijwilligerswerk én duikcursussen/-reizen) ligt het ook niet voor de hand dat hij (nagenoeg) alles in en om het huis en de tuin zelf deed. De rechtbank ziet hierin aanleiding om bij de schadebegroting op dit punt uit te gaan van het door de Letselschaderaad in dezelfde tabel vastgestelde normbedrag van € 540,- per jaar voor de situatie dat niet al het onderhoud zelf werd uitgevoerd. [ gedaagde ] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat bij de begroting van deze schade de normbedragen van de Letselschaderaad niet gebruikt kunnen worden. 
De schade van [ eiser 1 ] moet derhalve worden begroot op de helft van het gevorderde bedrag, dus op € 10.290,-. 

Huishoudelijke hulp/zorgkosten 
2.15. De vordering van [ eiser 1 ] op dit punt bedraagt € 35.490,-. Ook hier knoopt [ eiser 1 ] aan bij de desbetreffende richtlijn van de Letselschaderaad. [ eiser 1 ] stelt daarbij dat hij als gevolg van het incident 10 operatieve ingrepen heeft gehad en dat hij na elke ingreep gedurende in ieder geval drie maanden zorg en hulp behoefde. 
[ gedaagde ] stelt zich op het standpunt dat uit de stukken niet valt op maken dat [ eiser 1 ] steeds gedurende drie maanden geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Bovendien is volgens de Richtlijn de schadevergoeding afhankelijk van de bijdrage in de huishouding van het slachtoffer vóór het ongeval. 

2.16. De rechtbank volgt [ gedaagde ] in zoverre in zijn verweer, dat [ eiser 1 ] onvoldoende heeft gesteld om deze schadepost op het gevorderde bedrag te kunnen begroten. Een gedegen inzicht in de bijdrage van [ eiser 1 ] in het huishouden heeft hij niet verstrekt. Het overzicht dat [ eiser 1 ] als zijn productie 43 in het geding heeft gebracht, acht de rechtbank onvoldoende. Ook hier speelt een rol dat het niet voor de hand ligt dat [ eiser 1 ] - naast de meer beschreven betaalde werkzaamheden voor de Politie en zijn duikwerkzaamheden, alsmede de aan het huis en tuin verrichte werkzaamheden - een substantiële hoeveelheid van het huishoudelijke werk voor zijn rekening nam. Dat [ eiser 1 ] , gezien de intensiteit van zijn pijn- en buikklachten, enige hulp in de huishouding behoeft, acht de rechtbank voldoende aannemelijk. De rechtbank begroot de schade van [ eiser 1 ] daarom op € 10.000,-. 

Ziekenhuis daggeldvergoeding. reiskosten en kosten zorgverzekering 
2.17. Tegen deze vordering van [ eiser 1 ] tot bedragen van respectievelijk € 1.290,-, € 2.891,40 en € 2.835,12 voert [ gedaagde ] geen specifiek verweer, anders dan een beroep op matiging, wat hierna nader aan de orde zal komen. 
De rechtbank neemt de genoemde bedragen daarom mee in de schade begroting. 

Kosten aangepaste auto 
2.18. In aanvulling op zijn eerdere onderbouwing van deze schadepost van € 52.200,- (samengevat onder 2.12. in het tussenvonnis van 13 december 2017), heeft [ eiser 1 ] het volgende naar voren gebracht. In zijn personenauto kan wel een rolstoel, maar alleen als de achterbank opgeklapt wordt. Zonder de bus kan [ eiser 1 ] dus niet met zijn gezin reizen. Bovendien past de scootmobiel niet in de personenauto en daarmee is [ eiser 1 ] beweeglijker dan met de gewone rolstoel. [ eiser 1 ] acht het redelijk dat [ gedaagde ] de kosten vergoedt van een bestelbus van gelijk niveau als het voertuig dat hij voor het incident gebruikte. Voor het incident beschikte [ eiser 1 ] over een luxe personenauto. Hier komt bij dat [ eiser 1 ] door zijn buikklachten zeer gevoelig is voor schokken en trillingen en slechts de Mereedes-bus is voldoende geveerd. 
[ gedaagde ] persisteert bij zijn eerder gevoerde verweer dat hij de noodzaak van de aankoop van de Mereedes-bus niet ziet, waarbij hij erop heeft gewezen dat [ eiser 1 ] gebruik kan maken van vervoer van deur tot deur middels Taxbus. Verder acht [ gedaagde ] de aankoop van de Mercedes-bus niet proportioneel, 

2.19. De rechtbank is van oordeel dat [ eiser 1 ] deze vordering, gelet op het verweer van [ gedaagde ] , onvoldoende heeft onderbouwd. Weliswaar brengt [ eiser 1 ] naar voren dat zijn scootmobiel in de bus moet passen, maar hij heeft niet voldoende overtuigend gesteld dat daar een zodanig regelmatige noodzaak toe bestaat, dat de kosten van aankoop van de Mercedes-bus volledig bij [ gedaagde ] kunnen worden neergelegd. Aan [ eiser 1 ] kan worden toegegeven dat het ook ná het incident voor hem mogelijk moet zijn om met zijn gezin te reizen, maar de rechtbank acht dit onvoldoende als rechtvaardiging voor de aankoop van de Mercedes-bus. 
Enige extra kosten zijn echter wel gerechtvaardigd. De rechtbank denkt daarbij aan het inschakelen/huren van passend vervangend vervoer en eventueel daarmee samenhangende hulp van derden en aan kosten in verband met de inruil van de personenauto voor een auto met een grotere kofferbak, zodat de rolstoel van [ eiser 1 ] daarin past zonder de achterbank te hoeven opklappen. De rechtbank begroot deze kosten ex aequo et bono op een bedrag van € 10.000,-. 

Annuleringskosten vakantie 
2.20. In zijn verweer wijst [ gedaagde ] erop dat de vakantie is geannuleerd in verband met een galblaasverwijdering bij [ eiser 1 ] en dat er geen causaal verband is vastgesteld tussen het incident en de noodzaak tot de galblaasoperatie. 
Volgens [ eiser 1 ] zit het causale verband daarin, dat de galblaasoperatie bij hem gecompliceerder is verlopen dan in normale gevallen, in verband met de verklevingen in de buik van [ eiser 1 ] . Deze verklevingen vinden wel hun oorzaak in de ( eerdere) operaties die [ eiser 1 ] heeft moeten ondergaan als gevolg van het incident. 

2.21. De rechtbank volgt [ gedaagde ] in dezen. De medische ingrepen in verband met de verwijdering van de galblaas van [ eiser 1 ] hebben plaatsgevonden eind maart en eind april 2011. De geannuleerde reis zou aanvangen op 5 augustus 2011 en [ eiser 1 ] stelt dat hij die reis vlak voor vertrek moest afzeggen. Zonder nadere toelichting, die [ eiser 1 ] onvoldoende heeft verstrekt, kan de rechtbank dan niet concluderen dat [ eiser 1 ] de vakantie moest annuleren door onverwachte complicaties en/of toenemende klachten en beperkingen als gevolg van het onrechtmatig handelen. De stelling van [ eiser 1 ] dat hij de hoop bleef houden de reis te kunnen ondernemen acht de rechtbank onvoldoende. 
De annuleringskosten zullen om die reden niet worden meegenomen in de schadebegroting. 

Smartengeld 

2.22. De vordering van [ eiser 1 ] op dit punt van € 17.500,- is toewijsbaar. Aan de ene kant kan aan [ gedaagde ] worden toegegeven dat zijn onrechtmatig handelen in ernst niet is te vergelijken met het geweld gebruikt in de door [ eiser 1 ] aangehaalde voorbeelden uit de Smartengeldgids 2006 en 2018 (vgl. tussenvonnis van 13 december 2017, ra. 2.16. en akte [ eiser 1 ] van 18 april 2018, sub 30). Aan de andere kant echter, heeft het knietje van [ gedaagde ] voor [ eiser 1 ] buitengewoon ernstige en verstrekkende gevolgen in het leven geroepen. In aanvulling op zijn eerdere stellingen daaromtrent (weergegeven in het tussenvonnis van 13 december 2017 onder 2.16.) heeft [ eiser 1 ] in dit kader nog naar voren gebracht dat hij continu met zeer ernstige pijnklachten en defecatieproblemen wordt geconfronteerd, die zeer invaliderend werken. Zijn persoonlijk leven, zijn vrijetijdsbesteding en zijn beroepsleven zijn blijvend in negatieve zin veranderd. Voor het incident was [ eiser 1 ] een zeer actieve en sportieve man met een groot sociaal netwerk. Door het incident is hij verworden tot een invalide en hulpbehoevende man, die volledig arbeidsongeschikt en onzelfstandig is en die ook niet meer in staat is tot enige sportbeoefening of andere fysiek inspannende activiteit. Door de defecatieklachten is [ eiser 1 ] wc-afhankelijk en zeer beperkt in zijn mobiliteit. 
Het voorgaande rechtvaardigt een vergoeding voor immateriële schade van € 17.500,-. 

Belastinggarantie 
2.23. [ eiser 1 ] vordert dat de rechtbank bepaalt dat [ gedaagde ] de inkomstenbelasting en/of premies van volksverzekeringen en/of werknemersverzekeringen zal voldoen indien de belastinginspecteur bepaalt dat die over de schadevergoeding verschuldigd zijn. 
[ gedaagde ] voelt hiertegen geen specifiek verweer. Dit deel van het gevorderde zal daarom worden toegewezen. 

Buitengerechtelijke incassokosten 
2.24. [ eiser 1 ] vordert een bedrag van € 15.689,05 en stelt ter onderbouwing daarvan het volgende. In het buitengerechtelijk traject is [ eiser 1 ] bijgestaan door mr. W.A.E. Meuris van BSA Schaderegeling B.V. De daarmee samenhangende urenverantwoording en facturen heeft [ eiser 1 ] als zijn productie 50 in het geding gebracht. Meuris heeft langdurig met de advocaat van [ gedaagde ] gediscussieerd en onderhandeld over de aansprakelijkheid, het causale verband en het in dat kader uitgevoerde medisch onderzoek. 
Ook de kosten van de medische expertise zijn in genoemd bedrag opgenomen.
[ gedaagde ] acht de kosten niet redelijk. Volgens [ gedaagde ] moet aangesloten worden bij de vergoedingen zoals de Raad voor Rechtsbijstand die in zijn geval voor deze zaak heeft toegekend. [ gedaagde ] gaat dan uit van een eenmalige vergoeding voor een medisch adviseur van € 200,- (excl. btw) en 11 punten ten behoeve van rechtsbijstand tegen een tarief van € 105,61 (excl. btw) per punt. Verder wijst [ gedaagde ] erop dat de kosten van het eerste rapport van Z door de werkgever van [ eiser 1 ] zijn gedragen, dat die werkgever zich niet heeft gevoegd in deze procedure en dat niet is gebleken van een cessie. 

2.25. De rechtbank overweegt als volgt. [ eiser 1 ] heeft de stelling van [ gedaagde ] ten aanzien van de kosten van het eerste rapport van Z onbetwist gelaten. De rechtbank gaat er daarom van uit, dat [ eiser 1 ] die kosten van Z - een bedrag van € 3.213,- inclusief btw (vgl. prod. 50 van [ eiser 1 ] ) - niet zelf heeft voldaan. Die kosten komen dan hier niet voor vergoeding door [ gedaagde ] in aanmerking. 
Voor het overige geldt dat uit de stellingen van [ gedaagde ] niet kan worden geconcludeerd dat de door [ eiser 1 ] gestelde kosten onredelijk zijn of niet in redelijkheid zijn gemaakt. De enkele omstandigheid dat het bedrag aan gefinancierde rechtshulp waar [ gedaagde ] aanspraak op kan maken veel lager is dan de vordering van [ eiser 1 ] , acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. 
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn in beginsel toewijsbaar tot een bedrag van € 12.476,05 (€ 15.689,05 -/- € 3.213,-). Over deze kosten wordt geen wettelijke rente gevorderd. Daarmee zal in het dictum rekening worden gehouden. 

Samengevat 
2.26. Uit het voorgaande volgt dat de schade van [ eiser 1 ] als gevolg van het ongeval wordt begroot afgerond op in totaal € 273.300,- (€ 206.024,- + € 10.290,- + € 10.000,- + 1.290,- + € 2.891,40 + € 2.835,12 + € 10.000,- + € 17.500,- + € 12.476,05). 

Het beroep op artikel 6:101 BW 
2.27. [ gedaagde ] stelt zich op het standpunt dat [ eiser 1 ] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een deel van de door hem geleden schade, die door [ gedaagde ] vergoed zou moeten worden, zelf zal moeten dragen. De rechtbank begrijpt [ gedaagde ] aldus, dat hij zich hiermee beroept op artikel 6: 101 BW. [ gedaagde ] wijst erop dat hij zich bij zijn arrestatie recalcitrant opstelde, omdat hij werd overvallen door zijn aanhouding. Van politieambtenaren mag worden verlangd dat wanneer de dwingende noodzaak tot het onderwerpen van een verdachte aan een bepaalde situatie op enig moment ontbreekt en er sprake is van risicovolle omstandigheden, zij niet overgaan tot het afdwingen van de gewenste medewerking van de verdachte wanneer die dwang mogelijk kan leiden tot een al dan niet fysieke escalatie. Van politieambtenaren mag worden verwacht dat zij al het mogelijke doen om agressieve verdachten eerst tot rust te brengen en de situatie te de-escaleren. Uit de processen-verbaal blijkt niet van een poging in die richting door [ eiser 1 ] en zijn collega. Daarnaast wijst [ gedaagde ] erop dat [ eiser 1 ] een beroep had kunnen doen op het Schadefonds Geweldsmisdrijven. 

2.28. [ eiser 1 ] merkt hierover onder meer het volgende op. Na zijn arrestatie moest [ gedaagde ] gefouilleerd worden alvorens hij in de arrestanten cel zou worden geplaatst. Dit betreft een standaard fouillering, die mede voor de veiligheid van de verdachte uitgevoerd wordt. De politiemedewerkers hebben er alles aan gedaan om tijdens de arrestatie en insluiting van [ gedaagde ] de-escalerend op te treden en om [ gedaagde ] daarbij zo rustig mogelijk te krijgen. Ook [ eiser 1 ] heeft alvorens de fouillering plaatsvond, geruime tijd op [ gedaagde ] ingepraat in de ophoudcel teneinde hem rustig te krijgen. Hierop kwam [ gedaagde ] (ogenschijnlijk) inderdaad geheel tot rust totdat de arrestantenverzorger, die [ gedaagde ] reeds kende van voorgaande insluitingen, arriveerde. Hierop werd [ gedaagde ] onverwachts zeer agressief, waarbij hij [ eiser 1 ] onverwachts met zijn knie de schop of stoot tegen de borstkas gaf. Bij deze gang van zaken is er geen eigen schuld aan de zijde van [ eiser 1 ] . 
Verder wijst [ eiser 1 ] erop dat een uitkering uit het Schadefonds een subsidiaire voorziening betreft en dat hem niet kan worden tegengeworpen, dat hij geen beroep op het Schadefonds heeft gedaan. 

2.29. De rechtbank passeert het beroep van [ gedaagde ] op artikel 6:101 BW. [ gedaagde ] moest voor zijn insluiting gefouilleerd worden voor zijn eigen veiligheid én de veiligheid van anderen. Naar het oordeel van de rechtbank mochten [ eiser 1 ] en zijn collega's overgaan tot het afdwingen van de daarvoor gewenste medewerking van [ gedaagde ] . In hetgeen [ gedaagde ] naar voren beeft gebracht, is onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat zij daarmee moesten wachten. 
Op grond van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven geldt dat als de dader bekend is, van het slachtoffer wordt verwacht dat hij de schade zoveel mogelijk verhaalt op de dader. 
Verder komt een eventuele uitkeringen van een dader, werkgever of een verzekeraar in mindering op een uitkering van het Schadefonds. In het geval het Schadefonds al een uitkering heeft gedaan, vordert zij die terug van het slachtoffer. Dat [ eiser 1 ] geen aanspraak op het Schadefonds heeft gemaakt, kan hem tegen deze achtergrond niet worden tegengeworpen. 

Het beroep op matiging (6: 109 BW) 
2.30. [ gedaagde ] heeft zich nog op matiging beroepen. Voor matiging kan ingevolge artikel 6: 109 BW reden zijn, indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen de partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. [ gedaagde ] heeft aan zijn beroep op matiging ten grondslag gelegd dat hij de gevolgen van het geven van een knietje niet heeft kunnen bevroeden. Verder zal de betaling van de verzochte schadevergoeding grote financiële gevolgen hebben voor [ gedaagde ] , In 2015 had hij een inkomen van € 25.797,-- en hij heeft onderhoudsverplichtingen aan zijn kinderen en vaste lasten. [ gedaagde ] kan met zijn inkomen nèt voorzien in zijn behoefte. Bij toewijzing zal [ gedaagde ] een beroep moeten doen op toelating in de WSNP. 

2.31. De rechtbank ziet in het voorliggende geval voldoende grond om matiging te rechtvaardigen. Weliswaar heeft [ gedaagde ] zich schuldig gemaakt aan fysiek geweld tegen [ eiser 1 ] , maar de intensiteit daarvan was zodanig beperkt, dat het normaal gesproken bij het slachtoffer geen (blijvende) gevolgen zou hebben veroorzaakt. De in dit uitzonderlijke geval bij [ eiser 1 ] ontstane ernstige gevolgen waren door [ gedaagde ] zeker niet beoogd. 
Ook weegt de rechtbank hierbij de uiterst beperkte draagkracht van [ gedaagde ] - mede als gevolg van zijn zorg voor zijn kinderen - mee. 
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het genoemde schadebedrag te matigen met 25%. De door [ gedaagde ] aan [ eiser 1 ] te vergoeden schade bedraagt dan € 204.975,- (€ 273.300,- minus 25). 

Wettelijke rente 
2.32. [ eiser 1 ] vordert over alle schadeposten (uitgezonderd de buitengerechtelijke incassokosten) de wettelijke rente vanaf de dag van het incident. Terecht merkt [ gedaagde ] in zijn verweer op dat niet alle gevolgen waar [ eiser 1 ] schadevergoeding voor vordert per de datum van het incident zijn ingetreden.[ gedaagde ] stelt daarom de wettelijke rente te laten aanvangen op het moment dat er sprake was van bekendheid met de schade. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van [ eiser 1 ] gelegen om, naar aanleiding van dit verweer van [ gedaagde ] , zijn rentevordering nader te specificeren. Nu [ eiser 1 ] dat heeft nagelaten, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen per datum van de dagvaarding, 13 november 2013. 

Over de buitengerechtelijke incassokosten (een bedrag van € 12.476,05 minus een matiging met 25% is afgerond € 9.357,-) is geen rente gevorderd. De rente zal daarom worden toegewezen over het bedrag van € 195.618,- (€ 204.975,- minus € 9.357,-). 

De vordering van Loyalis (IPAP-uitkering) 

2.33. In reactie op het verweer van [ gedaagde ] in zijn conclusie van antwoord dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd, heeft Loyalis als productie 49 nadere stukken in het geding gebracht. 
Vervolgens stelt [ gedaagde ] in zijn akte van 31 mei 2018, sub 15, dat ten aanzien van de IPAP-uitkering wordt aangesloten bij de vaststelling dat [ eiser 1 ] uitbehandeld is. Dat staat volgens [ gedaagde ] nog niet vast, althans zo begrijpt de rechtbank zijn stellingen. 

2.34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [ gedaagde ] de - thans onderbouwde - vordering van Loyalis onvoldoende gemotiveerd betwist. Concrete aanwijzingen dat de aard en intensiteit van de klachten van [ eiser 1 ] in positieve zin zullen veranderen zijn in het dossier niet aanwezig. Dat [ eiser 1 ] al vóór zijn pensioengerechtigde leeftijd zijn aanspraak op de IPAP-uitkering zal verliezen, wat [ gedaagde ] in de kern bepleit, kan daarom niet worden aangenomen. 
De vordering van Loyalis zal daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar per datum dagvaarding. Er is gesteld noch gebleken dat [ gedaagde ] ten aanzien van deze vordering per een eerdere datum in verzuim is geraakt. 

De proceskosten 
2.35. [ gedaagde ] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [ eiser 1 ] c.s. worden (op basis van het toegewezen bedrag) begroot op: 

- dagvaarding € 92,82
- overige explootkosten 0,00
- griffierecht 3.715,00
- getuigenkosten 0,00
- deskundigen 2.700,00
- overige kosten 0,00
- salaris advocaat 8.407 00 (3,5 punten x tarief € 2.402,00) 
Totaal € 14.914,82 

3. De beslissing 

De rechtbank, 

3.1. veroordeelt [ gedaagde ] om aan [ eiser 1 ] te betalen een bedrag van € 204.975,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het bedrag van € 195.618,- met ingang van 13 november 2013 tot de dag van volledige betaling, 

3.2. bepaalt dat [ gedaagde ] de inkomstenbelasting en/of premies van volksverzekeringen en/of premies van werknemersverzekeringen zal voldoen indien de belastinginspecteur bepaalt dat die over deze schadevergoeding verschuldigd zijn; 

3.3. veroordeelt [ gedaagde ] om aan LoyaIis te betalen een bedrag van € 36.111,37, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 13 november 2013 tot de dag van volledige betaling, 

3.4. veroordeelt [ gedaagde ] in de proceskosten, aan de zijde van [ eiser 1 ] c.s. tot op heden begroot op € 14.914,82, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 

3.5. verklaart dit vonnis tot zover - behoudens onderdeel 3.2. - uitvoerbaar bij voorraad; 

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af. 

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2018. 

Met dank aan mr. T. van Dijk, Advocatenkantoor Thomas van Dijk, voor het inzenden van deze uitspraak. Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2018/RBOBR-101018

Deze website maakt gebruik van cookies