Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBOVE 090718

citeerwijze: https://www.letselschademagazine.nl/2018/rbove-090718

Beschikking


RECHTBANK OVERIJSSEL 
Team kanton en handelsrecht 
Zittingsplaats Almelo 
zaaknummer / rekestnummer: C/08/203515 / HA RK 17-91 

Beschikking van 9 juli 2018 

in de zaak van 
X
wonende te Borne, 
verzoeker, verder te noemen X., 
advocaat mr. Y.B. Boendermaker te Hilversum, 

en 

de rechtspersoon naar buitenlands recht 
PROTECTOR FORSIKRING SA, 
gevestigd te Stockholm (Zweden), 
rechtsgeldig vertegenwoordigd door 
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 
VAN AMEYDE NEDERLAND B.V., 
gevestigd te Rijswijk, 
verweerster, 
hierna te noemen Forsikring en Van Ameyde, 
procesadvocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam, 
behandelend advocaat mr. J. T. Suijdendorp te Rotterdam. 

1.
De procedure 

1.1. 
Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- de beschikking van 7 november 2017, 
- de brief met bijlage van 21 november 2017 van de zijde van X., 
- de brief van 2 maart 2018 van de zijde van X., inclusief producties, 
- het (tweede) verweerschrift van de zijde van Forsikring, 
- de akte overlegging producties tevens wijziging verzoek van 25 mei 2018 van de zijde van X., 
- de voortgezette mondelinge behandeling op 28 mei 2018, 
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 28 mei 2018. 

1.2. 
De beschikking is bepaald op vandaag. 

2.
De feiten 

2.1. 
Met ingang van 24 december 2012 heeft X. de eenmanszaak Koeriersdienst Y gedreven. Met ingang van 31 december 2016 is de onderneming uitgeschreven uit het Handelsregister. 

2.2. 
Op 4 juni 2015 is X. betrokken geraakt bij een verkeersongeval in Zweden. 

X. is naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis vervoerd waar onderzoek is verricht. X. is vervolgens zelfstandig naar huis gegaan. 

2.3. 
In Nederland heeft X. vrijwel direct zijn eigen huisarts bezocht. 

2.4. 
In verband met (aanhoudende) fysieke en psychische klachten is X. sinds het ongeval onder behandeling (geweest) bij diverse medische disciplines (onder andere neurologie, fysiotherapie, (pijn)revalidatie, psychologie en psychiatrie). 

2.5. 
Forsikring treedt op als verzekeraar van haar verzekerde, de heer Ö, de veroorzaker van het ongeval. Bij brief van 11 februari 2016 heeft Van Ameyde de advocaat van X. meegedeeld dat Forsikring de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkent. 

2.6. 
Bij vonnis in kort geding van 11 augustus 2016 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zijn de vorderingen van X. tot veroordeling van Forsikring tot betaling van een voorschot van € 20.000,-- en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 22.144,53 afgewezen. (rb-overijssel-110816-afwijzing-in-kort-geding-vanwege-onduidelijk-causaal-verband-ongeval-en-ptss-wel-overeenstemming-bereikt-over-verdere-behandeling-dossier)

2.7.
Op 16 juni 2017 heeft deze rechtbank het verzoekschrift ex artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van X. ontvangen. 

2.8. 
Na de kort geding-procedure is een psychiatrische expertise geëntameerd. Op 29 juni 2017 is X. onderzocht door dr. [ psychiater ] , psychiater (hierna: [ psychiater ] ). 

[ psychiater ] heeft op 12 september 2017 een concept-rapport uitgebracht. 

2.9. 
Op 5 oktober 2017 heeft de (eerste) mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden. Bij beschikking van 7 november 2017 heeft de rechtbank - kort gezegd - bepaald dat X. dan wel zijn huisarts dient over te gaan tot overlegging van het huisartsenjoumaal aan [ psychiater ] , welk huisartsenjournaal betrekking dient te hebben op een termijn van twee jaar voor het ongeval en dat X., indien [ psychiater ] aanleiding ziet om aan de hand van de overgelegde stukken gerichte informatie op te vragen dan wel gerichte vragen te stellen, hieraan zijn medewerking dient te verlenen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden. (rb-overijssel-071117-patientenkaart-vanaf-2-jaren-voor-ongeval-conform-gbl-evt-nadere-gerichte-vragen-door-deskundige) 

2.10. 
Op 7 februari 2018 heeft [ psychiater ] een definitief rapport uitgebracht. 

3.
Het deelgeschil 

3.1. 
Het verzoek van X. - zoals dat thans, na wijziging van het verzoek, luidt - strekt ertoe, bij wijze van deelgeschil: 
1. Forsikring te veroordelen aan X. een bedrag van € 20.000,-- te betalen ten titel van voorschot op de schadevergoeding; 
2. Forsikring te veroordelen binnen twee maanden na de te dezen te wijzen beschikking een gesprek met X. te hebben gevoerd over de verdere schaderegeling en een eerste concept van de vraagstellingen voor een arbeidsdeskundige en een bedrijfseconoom te hebben beoordeeld, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom; 
3. Forsikring te veroordelen aan X. een bedrag van € 36.530,78 te betalen ten titel van (voorschot op) buitengerechtelijke kosten; 
4. de kosten in verband met dit deelgeschil te begroten op € 13.558,05 en Forsikring te veroordelen tot betaling hiervan aan X.. 

3.2. 
Forsikring heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 

3.3. 
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

4. 
De beoordeling 

Procedureel 

4.1. 
Voor zover X. heeft verzocht om het tweede verweerschrift dat is overgelegd door Forsikring buiten beschouwing te laten, zal de rechtbank dit verzoek niet honoreren. Daargelaten de vraag of het verweerschrift naar het verkeerde adres is verzonden, heeft (de advocaat van) X. voor de zitting kennis genomen van dit verweerschrift. Bovendien is dit verweerschrift op dezelfde inhoudelijke gronden gebaseerd als het eerste verweerschrift. 
Er kan dan ook niet worden geoordeeld dat X. zodanig in zijn belangen is geschaad, dat dit ertoe dient te leiden dat het verweerschrift wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te worden gelaten. 

4.2. 
Forsikring heeft verzocht de bij brief van 25 mei 2018 door X. overgelegde producties niet bij de beoordeling te betrekken. Dit verzoek zal de rechtbank afwijzen. Hoewel de leesbaarheid van sommige producties te wensen over laat, kan niet worden gezegd dat zij onleesbaar zijn. Dat de brief van [ revalidatiearts ] , revalidatiearts bij het Roessingh, van 6 november 2017 eerder had kunnen worden ingebracht, doet er niet aan af dat niet is gesteld of gebleken dat Forsikring geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van deze brief. Naar het oordeel van de rechtbank is Forsikring niet zodanig in haar belangen geschaad, dat dit ertoe dient te leiden dat de bij brief van 25 mei 2018 overgelegde producties buiten beschouwing moeten worden gelaten. 

Betaling voorschot op de schadevergoeding 

4.3. In het kader van een deelgeschiJprocedure kan een verzoek tot het bepalen van een voorschot worden gedaan. Uit de Parlementaire Geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade volgt dat het verzoek kan zien op vaststellingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, terwijl het ook gericht kan zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen zich bij het regelen van de schade dienen te gedragen. Onder deze laatste categorie, aspecten van het schaderegelingsproces, valt een beslissing over de toekenning van een (aanvullend) voorschot. De aard van de deelgeschilprocedure brengt evenwel met zich dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit stelt dus andere eisen aan de beoordeling van een verzoek over een (aanvullend) voorschot dan indien een voorschot in kort geding of provisionele eis in een bodemprocedure zou worden gevorderd (waarin alsdan voorlopige oordelen worden geformuleerd). Op basis van de thans in het geding gebrachte stukken, waaruit van de causaliteit tussen het ongeval en diverse klachten van X. blijkt en van de mogelijkheid tot schadevergoeding naar Zweeds recht, kan vastgesteld worden dat X. een aanspraak heeft op schadevergoeding. In zoverre leent de zaak zich voor behandeling in deelgeschil. Voorts valt niet uit te sluiten dat een beslissing op het verzochte voorschot kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 

4.4. 
Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot bevoorschotting in het kader van de schadevergoeding, dat is onderverdeeld in de schadeposten "pain and suffering", "costs caused directly by the incident" en "loss of income". 

4.5. In dit verband dient vooropgesteld te worden dat [ psychiater ] in zijn definitieve rapport tot de conclusie is gekomen dat X. lijdt aan een posttraumatische stressstoornis. X. voldoet volgens hem nog steeds (net) aan de criteria zoals gemeld in het DSM IV - TR systeem (en ook DSM 5) met betrekking tot de posttraumatische stressstoornis die gezien de duur van de aandoening inmiddels chronisch is. De mate van functieverlies is volgens [ psychiater ] 5% (slechts rekening houdend met zijn vakgebied). [ psychiater ] concludeert dat X. nog klachten ondervindt zoals nachtmerries, angst bij het autorijden, beperkte toekomstgedachten, pijnklachten, vergeetachtigheid en concentratie- problemen. Op het gebied van sociaal functioneren is een beperking te verwachten ten aanzien van vervoer, nu X. immers niet kan autorijden door zijn specifieke angst hiervoor en ook meerijden belastend is. Op psychiatrisch gebied is er ten tijde van het onderzoek door [ psychiater ] geen urenbeperking van toepassing. 

4.6. 
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de genoemde schadeposten naar Zweeds recht een vergoeding kan worden toegekend. Forsikring stelt echter - kort gezegd - dat - naar Zweeds recht - een vergoeding eerst aan de orde is als het causaal verband is vastgesteld tussen het letsel en het ongeval. Gelet op de inhoud van het tweede verweerschrift wordt door Forsikring erkend dat [ psychiater ] een causaal verband heeft gelegd tussen de - door X. gestelde en door [ psychiater ] erkende - klachten van psychiatrische aard en het ongeval, te weten het bestaan van nachtmerries, angst bij het autorijden en beperkte toekomstgedachten. 

4.7. 
Nu met het definitieve rapport van [ psychiater ] (in ieder geval) het causaal verband tussen de onder 4.6. genoemde klachten van psychiatrische aard en het ongeval vastgesteld is, bestaat er in beginsel grond om een vergoeding in de vorm van een voorschot toe te kennen. Dit betekent dat de rechtbank de afzonderlijke schadeposten zal beoordelen. 

4.8. 
X. heeft de schade wegens pain and suffering, onder verwijzing naar de brieven van de door hem geraadpleegde Zweedse advocaat mr. 1. Jäderstrom (hierna: mr. Jäderstrom) van 26 april 2016 en 11 november 2016, vastgesteld op een (omgerekend) bedrag van E 3.717,--.

4.9. 
Forsikring stelt zich op het standpunt dat deze schadepost niet in aanmerking kan worden genomen bij de beslissing omtrent (de hoogte van) het voorschot, aangezien in de brief van mr. Jäderstrom valt te lezen dat de duur van deze vergoeding niet kan worden vastgesteld voordat de mate van beperkingen definitief is vastgesteld. [ psychiater ] heeft de diagnose PTSS gesteld en de daarbij behorende klachten geschetst en aan de hand van de diagnose en de klachten dient een verzekeringsarts de mogelijkheden en beperkingen vast te stellen en in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast te leggen. Nu de mate van beperkingen van X. nog niet definitief is vastgesteld, staat evenmin vast dat - en zo ja, in welke omvang - deze schadepost naar Zweeds recht voor vergoeding in aanmerking komt. 

4.10. 
Naar het oordeel van de rechtbank is er aanleiding om een voorschot toe te kennen vanwege pain and suffering. Uit de brief van mr. Jäderstrom van 26 april 2016 is af te leiden dat de vergoeding ter zake pain en suffering de eerste periode na het ongeval dient te dekken voordat de mate van invaliditeit is vastgesteld, dat duur van deze periode van geval tot geval kan verschillen en dat de exacte duur van deze periode normaal gesproken niet kan worden vastgesteld voordat de mate van invaliditeit uiteindelijk is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank staat het feit dat de definitieve mate van beperkingen nog niet is vastgesteld er niet aan in de weg dat er een vergoeding over een bepaalde periode wordt verstrekt. De vergoeding ziet immers op de tijd die is gelegen tussen het moment direct na het ongeval - waarin de mate van invaliditeit nog onduidelijk is - en het moment waarop (uiteindelijk) de mate van invaliditeit (definitief) is vastgesteld te overbruggen. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval sprake. 

4.11.
X. heeft onweersproken, conform de in de brief van mr. Jäderstrom van 26 april 2016 vermelde bedragen, de omvang van de schadepost pain and suffering begroot op 48.300 Zweedse Kronen (6 x 2.400 Zweedse Kronen + 6 x 2.400 Zweedse Kronen + 15 x 1.300 Zweedse Kronen), zodat dit bedrag als voorschot zal worden toegewezen. 
Gelet op het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling op 5 oktober 2017 (randnummer 34 pleitnota van de zijde van X.) is niet (meer) in geschil dat dient te worden uitgegaan van de dagkoers van de dag van betaling. 

4.12. 
Met betrekking tot de schadepost "costs caused directly by the accident" overweegt de rechtbank als volgt. 

4.13. 
De door X. gestelde schade in dit verband bestaat - naar de rechtbank begrijpt - uit het eigen risico van de zorgverzekering over de jaren 2015, 2016 en 2017, de reiskosten naar de expertise, de niet door de verzekering vergoede kosten van fysiotherapie, de kosten voor (het aanvragen van) een invaliden kaart, de gemaakte kosten in Zweden en de kosten van kinderopvang over de jaren 2016 en 2017. 

4.14. 
Forsikring stelt zich op het standpunt dat deze schadepost niet of hooguit zeer beperkt in aanmerking kan worden genomen bij de beslissing omtrent (de hoogte van) het voorschot. Uit de brief van mr. Jäderstrom van 26 april 20 16 volgt dat de kosten via een"receipt" (bon of kwitantie) moeten worden aangetoond. Verder moeten deze noodzakelijk en redelijk zijn met het oog op het letsel dat is veroorzaakt door het ongeval. Bovendien gaat het alleen om kosten die direct zijn veroorzaakt door het ongeval. Het knieletsel, waarop de fysiotherapie waarschijnlijk (mede of geheel) betrekking had, is in ieder geval geen ongevalsgevolg. Het eigen risico is evenmin een ongevalsgevolg, aangezien X. dit al kwijt was door de fysiotherapeutische behandelingen. De mail van 19 mei 2017 van Taxi Konink (productie 34 X.) ter zake de taxikosten voor de expertise betreft een vrijblijvende offerte en is geen "receipt" zoals naar Zweedse opvattingen is vereist. Niet is 
aangetoond dat van de offerte gebruik is gemaakt of dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De kosten van kinderopvang kunnen niet voor vergoeding in aanmerking worden genomen, omdat niet aannemelijk is dat X. - het ongeval weggedacht - de opvang voor zijn rekening had genomen. Volgens zijn eigen stellingen bad hij immers een startende onderneming gedreven, met personeel en groeipotentieel voor de toekomst. Deze kosten zijn derhalve geen ongevalsgevolg. Daarenboven geldt dat deze kosten volgens de stellingen van X. worden vergoed vanuit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), zodat X. geen schade lijdt. Zonder nadere motivering valt ook niet in te zien dat X. kosten beeft moeten maken voor een invalidenkaart, nu hij geen auto rijdt. Bovendien liggen de klachten van X. ook niet (of niet zozeer) op het fysieke, doch veeleer op het psychische vlak. 

4.15. 
Met inachtneming van de inhoud van de brief van mr. Jäderstrom van 26 april 2016 is de rechtbank van oordeel dat de door X. opgevoerde kosten slechts gedeeltelijk voor vergoeding bij wijze van voorschot op de schadevergoeding in aanmerking komen. Anders dan Forsikring is de rechtbank van oordeel dat de kosten voor fysiotherapie wel voor vergoeding in aanmerking komen. Uit de zich in het dossier bevindende medische stukken die zien op de periode van vlak na het ongeval op 4 juni 2015, zoals het schrijven van 12 augustus 2015 en het huisartsenjoumaal, blijkt dat de gehele rechterkant van het lichaam van X. pijnlijk was en dat hij (ook) last had van zijn rechterknie. De behandelingen die X. na het ongeval heeft ondergaan bij de fysiotherapeut zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan te merken als een direct gevolg van het ongeval en de door X. gemaakte kosten zijn noodzakelijk en redelijk. De kosten van fysiotherapie zullen dan ook, conform de overgelegde factuur voor een bedrag van € 307,40 bij wijze van voorschot worden toegewezen (productie 36). Ook de kosten van het vervoer per ambulance in Zweden komen, conform de factuur, als onweersproken voor vergoeding in aanmerking voor een bedrag van 1500 Zweedse Kronen (productie 36). De kosten voor het aanvragen van een invalidenkaart zal de rechtbank ook bij wege van voorschot toewijzen voor een bedrag van, conform het overgelegde betaalbewijs, € 81,50 (productie 36). Weliswaar heeft Forsikring gesteld dat X. zelf geen auto meer rijdt, maar een invalidenkaart kan ook worden verstrekt ten behoeve van een passagier. Gelet op de zich in het dossier bevindende medische stukken is voldoende aannemelijk dat X. ten tijde van de aanvraag zodanige klachten van fysieke aard ondervond als gevolg van het ongeval dat de kosten die hij heeft gemaakt voor het aanvragen voor invalidenkaart als noodzakelijk en redelijk moeten worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat X. na de aanvraag nog gedurende drie maanden is opgenomen in revalidatiecentrum het Roessingh. 

4.16. 
Op de verzochte vergoeding in verband met het in rekening gebrachte eigen risico over de jaren 2015 tot en met 2017 zal de rechtbank geen voorschot toewijzen, aangezien X. dit onderdeel van de schade niet (voldoende) heeft onderbouwd. Er zijn geen bewijzen in het geding gebracht waaruit blijkt dat aan X. het eigen risico in rekening is gebracht, terwijl dit volgens het Zweedse recht, gelet op de brief van mr. Jäderstrom van 26 april 2016, wel een vereiste is. Evenmin is gesteld of gebleken dat de oorzaak hiervan enkel is gelegen in bet hem in Zweden overkomen ongeval. De taxi kosten komen evenmin voor bevoorschotting in aanmerking. X. heeft weliswaar een offerte overgelegd, maar hij heeft geen factuur van de taxi kosten overgelegd, zodat niet vast is komen te staan dat de gestelde taxikosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Het feit dat X. bij de expertise is geweest, rechtvaardigt nog niet de toewijzing van de taxi kosten bij wijze van voorschot op 
de schadevergoeding, aangezien niet kan worden uitgesloten dat hij op andere (goedkopere) wijze dan met Taxi Konink naar de expertise is gegaan. Ook op de verzochte vergoeding in verband met de kinderopvang zal geen bevoorschotting hoeven plaatsvinden. X. heeft niet voldoende onderbouwd dat deze kosten het directe gevolg zijn van het ongeval en dat deze noodzakelijk en redelijk zijn. Niet duidelijk is waarom X. als gevolg van het ongeval genoodzaakt is om kinderopvang aan huis in te kopen en waarom kinderopvang buiten huis niet tot de mogelijkheden behoort. Dat zijn partner vanwege haar fysieke gesteldheid de opvang niet voor haar rekening kan nemen, is een aspect dat niet als een 
direct gevolg van het ongeval kan worden beschouwd. De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat X., als hem het ongeval niet was overkomen, de opvang van zijn kinderen volledig voor zijn rekening had genomen, aangezien hij op het moment van het ongeval de onderneming Koeriersdienst T dreef. Bovendien draagt X. de kosten van de kinderopvang op dit moment kennelijk niet zelf, maar worden deze kosten vergoed vanuit (WMO). 

4.17. 
Ten aanzien van de schadepost "loss of income" overweegt de rechtbank als volgt. 

4.18. 
X. heeft de schade wegens verlies aan verdienvermogen over een periode van twee jaar geschat op € 40.000,--. X. genereert geen inkomen uit onderneming meer. Naast een bescheiden uitkering uit hoofde van zijn Arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) heeft X. geen inkomen. X. stelt, onder verwijzing naar het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland- West Brabant, locatie Breda, van 1 februari 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:457), dat hij, ondanks dat hij nog geen inkomen uit de onderneming kon halen zonder dat weer te investeren, verlies aan verdienvermogen lijdt. Er zullen een of meerdere deskundigen moeten worden ingeschakeld om dit verlies in kaart te brengen. Om enige duiding te geven aan zijn voorlopige verlies aan verdienvermogen heeft hij aangesloten bij een fictieve uitkering uit hoofde van de Participatiewet. Op grond van de geldende normen per 1 januari 2016 zou X. aanspraak kunnen maken op een netto-uitkering van afgerond € 1.400,-- per maand uit hoofde van de Participatiewet, op welk bedrag hij thans geen aanspraak kan maken, omdat zijn partner inkomen verwerft. 

4.19. 
Forsikring stelt zich op het standpunt dat deze schadepost niet in aanmerking kan worden genomen bij de beslissing omtrent (de hoogte van) het voorschot. De inkomenssituatie van X. vóór het ongeval wijkt niet af van de situatie mét ongeval. In de situatie mét ongeval heeft X. een uitkering uit hoofde van zijn AOV-verzekering, daarvoor had hij geen inkomsten uit zijn onderneming. Dat waardevermindering van een onderneming ook als loss of income voor vergoeding in aanmerking komt, blijkt niet uit de brief van mr. Jäderstrom en is volgens Forsikring ook niet het geval. Bovendien heeft X. het gestelde waardeverlies van de onderneming en de omvang daarvan op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken of onderbouwd is dat de verkoop van de onderneming ongevalsgevolg is geweest. 

4.20. 
Naar het oordeel van de rechtbank dient het verzochte voorschot van € 20.000,-- voor zover dat betrekking heeft op de schadevergoeding wegens loss of income te worden afgewezen. Daartoe acht zij redengevend dat nog niet duidelijk is in welke mate en in hoeverre X. als gevolg van het ongeval wordt belet om arbeid te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank dient er, zoals van de zijde van X. zelf ook is gesteld, nader onderzoek door één of meerdere deskundigen te worden verricht om de vraag te kunnen beantwoorden of en, zo ja, in welke mate X. schade lijdt als gevolg van verlies van verdienvermogen. Er zijn thans (nog) te veel onduidelijkheden om tot bevoorschotting wegens "loss of income" over te gaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat X. op het moment van het ongeval geen inkomsten verwierf en niet ( voldoende) inzichtelijk is of en zo ja, op welke wijze het Zweedse recht ruimte biedt voor een voorschot op (gestelde) 
schade wegens waardeverlies van de onderneming en verrekening van de AOV-uitkering die X. ontvangt. 

4.2 I. 
Resumerend betekent het vorenstaande dat de rechtbank Forsikring zal veroordelen tot betaling van 49.800 Zweedse Kronen en € 388,90 ten titel van voorschot op de schadevergoeding. 

Voortvarende schaderegeling 

4.22. 
X. heeft - kort gezegd - verzocht dat Forsikring, op straffe van een dwangsom, wordt veroordeeld tot medewerking aan het schaderegelingstraject, meer in het bijzonder door een (eerste) gesprek met elkaar te voeren en de conceptvraagstellingen aan de in te schakelen arbeidsdeskundige en een bedrijfseconoom als deskundige te beoordelen. 

4.23. 
Forsikring stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel van het verzoek niet voldoende concreet is en bovendien prematuur. Zij stelt dat eerst een verzekeringsarts de mogelijkheden en beperkingen van X. in kaart moet brengen. Bovendien dekt de WAM-verzekering bij Forsikring alleen verlies van arbeidsvermogen en geen schade van zijn onderneming. Voor het voeren van een gesprek met X. is de medewerking van X. nodig. Door zijn medewerking te onthouden, zou X. zelf in de hand kunnen werken dat Forsikring dwangsommen verbeurt. 

4.24. 
Daargelaten of dit onderdeel van het verzoek voldoende concreet is, nu het de vraag is wanneer Forsikring aan haar verplichting(en) heeft voldaan en er in zoverre executieproblemen kunnen rijzen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek prematuur is. Het gezamenlijk benoemen van een onafhankelijke verzekeringsgeneeskundige is naar het oordeel van de rechtbank de aangewezen vervolgstap. Deze verzekeringsgeneeskundige dient de mogelijkheden en beperkingen van X. vast te stellen. De afwikkeling van de schade en de afspraken die in dat kader (moeten) worden gemaakt dienen in onderlinge samenspraak te gebeuren. Zo dit nodig mocht blijken, heeft de meest gerede partij (ook) de mogelijkheid om een verzoek ex artikel 202 (Rv) in te dienen. Dit onderdeel van het verzoek zal reeds daarom worden afgewezen. 

4.25. 
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij begrijpt dat X. zo spoedig mogelijk duidelijkheid wenst te verkrijgen over de behandeling en afwikkeling van zijn schadeclaim. Van Forsikring mag dan ook worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn na deze beschikking aan X. duidelijk maakt wat haar wensen zijn ten aanzien van expertise door een verzekeringsgeneeskundige (persoon van de deskundige en de vraagstelling etc.). 

(Voorschot op) buitengerechtelijke kosten 

4.26.
X. verzoekt de rechtbank om Forsikring te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 36.530,78 aan buitengerechtelijke kosten. 

4.27. 
Forsikring voert verweer en stelt zich - kort gezegd - primair op het standpunt dat een geschil over de buitengerechtelijke kosten niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Subsidiair stelt Forsikring, onder verwijzing naar het advies van mr. Jäderstrom van 26 april 2016, dat de advocaatkosten vallen onder de schadepost"costs directly caused by the accident". Deze kosten worden vergoed tot een maximum van 1.653 Zweedse Kronen per uur, inclusief BTW. Forsikring betwist dat de kosten van de boekhouder naar Zweeds recht voor vergoeding in aanmerking komen. Deze zijn ook niet direct ongevalsgerelateerd. De advocaatkosten zijn voorts bovenmatig en niet redelijk, te 
meer nu er feitelijk weinig meer is gebeurd dan het voeren van twee procedures (een kort geding en onderhavig deelgeschil). Indien de buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking zouden komen is een halvering van de opgevoerde uren op zijn plaats en redelijk. De berekening komt dan uit op een bedrag van € 10.980,-- (66 x € 165,-- inclusief BTW). De gevorderde verschotten betreffen kosten van de medisch adviseur. Deze kosten zijn maximaal toewijsbaar voor een bedrag van € 2.145,95, aldus Forsikring. 

4.28. 
Naar het oordeel van de rechtbank kan in een deelgeschil ook een inhoudelijk oordeel worden gevraagd over de buitengerechtelijke kosten buiten het deelgeschil. Immers, een oordeel over (de redelijkheid van) die kosten kan, in een geval als het onderhavige, bevorderen en er toe leiden dat een slachtoffer kan (blijven) beschikken over de financiële middelen om daarmee een advocaat te kunnen (blijven) betalen die het slachtoffer bijstaat bij de verdere onderhandelingen. Dit betekent dat de rechtbank Forsikring niet volgt in haar primaire standpunt. 

4.29. 
Nu het Zweedse recht van toepassing is, ziet de rechtbank aanleiding om voor dit onderdeel aansluiting te zoeken bij het advies van mr. Jäderstrorn van 26 april 2016. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank enkel de advocaatkosten en de verschotten betreffende de kosten van de medisch adviseur in ogenschouw zal nemen bij haar beoordeling. Voorts zal zij het maximum tarief hanteren van 1653 Zweedse kronen per uur, inclusief BTW. X. heeft niet voldoende onderbouwd en geconcretiseerd dat de kosten van de boekhouder eveneens onder de schadepost "costs directly caused by the accident" zijn te scharen. Zo is niet gespecificeerd welke (specifieke) werkzaamheden de boekhouder heeft verricht in 
verband met het ongeval, hoeveel uren hij hieraan heeft besteed en wat zijn uurtarief is. 

4.30. 
Uit het eerdergenoemde advies van mr. Jäderstrom blijkt voldoende dat de vergoeding van advocaatkosten in sommige gevallen mogelijk is, dat het per geval wordt beoordeeld en dat het gebaseerd is op de ernst van de verwondingen en de moeilijkheden bij het berekenen van de schade. In dit licht bezien is een vergoeding van de advocaatkosten op zijn plaats. Wel biedt het advies naar het oordeel van de rechtbank ruimte om deze kosten in redelijkheid vast te stellen. Met inachtneming van de omvang, de moeilijkheidsgraad en het internationale karakter van de zaak, komen de opgevoerde uren de rechtbank bovenmatig voor. In redelijkheid zal de rechtbank (het voorschot op) de advocaatkosten baseren op een totaal van 90 uren, waarbij zal worden uitgegaan van een uurtarief van 1653 Zweedse Kronen, inclusief BTW. Dit betekent dat de rechtbank Forsikring zal veroordelen tot betaling van 148.770 Zweedse kronen ten titel van (voorschot op) buitengerechtelijke kosten. 

Kosten deelgeschil 

4.31. 
De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek te beoordelen en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking te nemen. Deze kosten dienen evenwel te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. 

4.32. 
X. heeft de kosten van het deelgeschil begroot op € 13.558,05 inclusief kantoorkosten en BTW) (49,8 uur x € 225,-- inclusiefkantoorkosten en exclusief BTW). 

4.33. 
Forsikring stelt primair dat er geen plaats is voor begroting van de kosten van het deelgeschil, omdat het deelgeschil onnodig aanhangig is gemaakt, namelijk op het moment dat de medische expertise nog niet was afgerond. Subsidiair zijn volgens Forsikring de gevorderde kosten niet redelijk. Zij acht een tijdsbesteding van 17,5 uur redelijk. Zij is akkoord met een uurtarief van € 225,-- per uur exclusief BTW. 

4.34. 
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen reeds dat het deelgeschil niet onnodig aanhangig is gemaakt, zodat het primaire standpunt van Forsikring niet slaagt. 

4.35. 
Naar het oordeel van de rechtbank is een tijdsbesteding van 30 uur voor dit deelgeschil redelijk, evenals een uurtarief van € 225,-- te vermeerderen met BTW en inclusief kantoorkosten. De rechtbank begroot de kosten dan ook op € 8.167,50 inclusief BTW, te vermeerderen met het griffierecht van € 287,-- is € 8.454,50 en zal Forsikring veroordelen tot betaling van dit bedrag aan X.. 

5. 
De beslissing 

De rechtbank 

5.1. 
veroordeelt Forsikring tot betaling van 49.800 Zweedse Kronen en € 388,90 ten titel van voorschot op de schadevergoeding; 

5.2. 
veroordeelt Forsikring tot betaling van 148.770 Zweedse kronen ten titel van (voorschot op) buitengerechtelijke kosten; 

5.3. 
begroot de kosten van X. bij de behandeling van dit verzoek op € 8.454,50, en veroordeelt Forsikring tot betaling van dit bedrag aan X.; 

5.4. 
wijst af het meer of anders verzochte. 

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.

Met dank aan mr. Y. Boendermaker, Boendermaker Letselschade Advocatuur voor het inzenden van deze uitspraak.

https://www.letselschademagazine.nl/2018/rbove-090718

Deze website maakt gebruik van cookies