Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBROT 170818

vonnis 

RECHTBANK ROTTERDAM 

Zaaknummer: 5466848 CV EXPL 16-44123 

Uitspraak: 17 augustus 2018 (bij vervroeging) 

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, 

in de zaak van 

[ eiser ] , 
wonende te [ woonplaats ] , 
eiser bij exploot van dagvaarding van 19 oktober 2016, 
gemachtigde: mr. M.A Pasma, advocaat te Groningen, 

tegen 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 
[ gedaagde ] B.V., 
gevestigd en kantoorhoudende te [ vestigingsplaats ] , 
gedaagde, 
gemachtigde: mr. W.M. van Dijk, advocaat te Rotterdam. 

Partijen worden hierna verder aangeduid als'[ eiser ] ' en '[ gedaagde ] '. 

1. Het verdere verloop van de procedure 

1.1. 
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende processtukken: 
- het tussenvonnis van 10 november 2017 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken, waaronder het tussenvonnis van 19 mei 2017; 
- de akte uitlating van [ eiser ] ; 
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor, gehouden op 17 januari 2018; 
- de brief van de advocaat van [ eiser ] d.d. 25 januari 2018, waarbij afgezien is van het horen van verdere getuigen; 
- de brief van de advocaat van [ gedaagde ] d.d. 27 maart 2018, waarin verzocht is een datum te bepalen waarop de getuige Z in contra-enquête gehoord kan worden; 
- de akte overlegging stukken, met producties en een USB-stick van [ eiser ] , genomen op de rol van 26 apri12018; 
- het proces-verbaal van de op 30 april 2018 gehouden contra-enquête en de bij die gelegenheid door [ gedaagde ] overgelegde foto's; 
- de brief van de advocaat van [ gedaagde ] d.d. 15 mei 2018 met de daarbij overgelegde USB-stick; 
- de akte aan de zijde van [ gedaagde ] met de daarbij overgelegde USB- stick, genomen ter rolle van 24 mei 2018; 
- de conclusie na enquête van [ eiser ] ; 
- de antwoordconclusie na enquête van [ gedaagde ] . 

1.2. 
De datum van de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bij vervroeging bepaald op heden. 

2. De verdere beoordeling 

2.1. 
Hiervoor wordt verwezen naar, en voor zover nodig overgenomen, hetgeen omtrent het tussen partijen gerezen geschil is overwogen en beslist in de tussenvonnissen, die in deze procedure gewezen zijn op 19 mei 2017 en 10 november 2017. 

2.2.
Bij bedoelde tussenvonnissen is [ eiser ] toegelaten te bewijzen dat hij op 9 mei 2013 knieletsel heeft opgelopen bij het uittillen en op de grond zetten van een drive. Ter uitvoering van die bewijsopdracht heeft [ eiser ] zichzelf als getuige doen horen, terwijl 
hij tevens de heer X als getuige heeft voorgebracht. Tijdens de contra-enquête heeft [ gedaagde ] de getuige Z als getuige doen horen, terwijl beide partijen foto's en filmopnamen op USB-stick in het geding hebben gebracht.
Thans zal beoordeeld moeten worden of [ eiser ] geslaagd is in het hem opgedragen bewijs en in dat verband wordt het volgende overwogen. 

2.3. 
Bij de beantwoording van die vraag stelt de kantonrechter voorop dat nu de bewijslast hier op hem rust, [ eiser ] een partijgetuige is en krachtens artikel 164 lid 2 Rv kan zijn verklaring geen bewijs in zijn voordeel opleveren "tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs". Krachtens vaste rechtspraak (vide onder meer HR 31 maart 1995, NJ 1997,592 inzake Taams/Boudeling) is er slechts sprake van onvolledig bewijs in de zin van aitikel 164 lid 2 Rv als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn "die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partij getuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken ", 

Beoordeeld dient derhalve te worden of [ eiser ] dat aanvullend bewijs heeft geleverd. 

2.4. 
In dat verband dient allereerst de verklaring van de getuige X beoordeeld te worden. Hij heeft, voor zover in dit verband van belang, onder meer het volgende verklaard: 

"( ... ) 
Ik ben geen directe ooggetuige geweest van het door [ eiser ] gestelde ongeval. Ik herinner mij dat ik op enig moment door hem geïnformeerd ben over het feit dat hij tijdens zijn werkzaamheden zijn knie verdraaid had. Ik weet niet meer precies wanneer hij daarvan voor het eerst melding heeft gemaakt. Het was zeker niet op de dag van het ongeval. Na het ongeval heeft [ eiser ] nog ongeveer anderhalve week aan boord van het schip gewerkt en daarna heeft hij twee weken verlof gehad. Daarna is hij weer aan het werk gegaan en hebben wij contact gehad over zijn knieklachten. Omdat de klachten verergerden is hij langere periodes uit de roulatie geweest en zijn er uiteindelijk afspraken gemaakt over aangepaste werkzaamheden en lichtere werkzaamheden waarbij hem ook de mogelijkheid geboden is om van huis uit werkzaamheden te verrichten. 
( ... ) 
Het klopt dat op 13 mei 2013 in mijn agenda een afspraak met [ eiser ] gepland was. 
( ... ) 
Het staat mij niet meer bij of [ eiser ] tijdens dat gesprek mededeling heeft gedaan van het ongeval dat hem op 9 mei overkomen was. 
( ... ) 
Het is juist dat [ eiser ] mij per mail op 14 juni 2013 over de knieklachten geïnformeerd heeft. Kort daarvoor heeft [ eiser ] mij in een persoonlijk gesprek geïnformeerd over het ongeval. Wanneer dat was weet ik, zoals gezegd, niet. Na 14 juni 2013 heeft [ eiser ] mij telefonisch geïnformeerd over de voortgang van de knieklachten. 

In de persoonlijke contacten tussen mij en [ eiser ] zat niet echt een duidelijke regelmaat. Op de vraag waarom [ eiser ] pas in een laat stadium ziek gemeld is kan ik antwoorden dat de noodzaak voor die ziekmelding niet gevoeld werd omdat [ eiser ] zijn werkzaamheden steeds heeft afgemaakt en ook van huis uit allemaal werkzaamheden heeft verricht. Ook heeft hij nog verschillende klussen in het buitenland gedaan. Op vragen van mr. Van Dijk antwoord ik dat ik alleen van [ eiser ] zelf gehoord heb dat hij knieklachten had opgelopen aan boord van het schip. Ik weet niet of[ eiser ] de scheepsarts geconsulteerd heeft. 
( ... ) ".

Die verklaring levert naar het oordeel van de kantonrechter geen aanvullend bewijs op in de hiervoor bedoelde zin. In dat verband is van belang dat X geen directe ooggetuige is geweest van het vermeende ongeval, dat hij niet meer precies weet wanneer hij voor het 
eerst door [ eiser ] is geïnformeerd over het hem overkomen ongeval en dat dat zeker niet op de dag van het ongeval gebeurd is. 
[ eiser ] heeft na enquête onder randnurnmer 20 tot en met 24 aan de hand van zijn programma van werkzaamheden in de periode van 19 mei tot en met 16 juni 2013 betoogd dat het niet anders kan zijn dan dat hij X inderdaad op 13 mei 2013 geïnformeerd heeft 
over het ongeval, doch blijft staan dat X als getuige heeft verklaard dat hij niet meer precies weet wanneer [ eiser ] voor het eerst melding heeft gemaakt van het ongeval en de knieklachten. Aan de redenering van [ eiser ] kan de kantonrechter dan ook niet de waarde 
toekennen die [ eiser ] graag zou willen zien. In dat verband is tevens van belang dat [ gedaagde ] in de antwoordconclusie na enquête gemotiveerd heeft betwist dat [ eiser ] tot en met zondag 19 mei 2013 aan boord van de Globetrotter II is geweest. Aan de hand van de door [ eiser ] zelf ingevulde 'weekly time sheet' (productie 1 bij dagvaarding) stelt [ gedaagde ] immers dat [ eiser ] in het weekend van 11 en 12 mei 2013 vanuit de Waalhaven naar huis in Groningen is gereden en op maandag 13 mei 2013 's-morgens vroeg vanuit Groningen weer teruggereden is naar de Waalhaven. Niet uit te sluiten valt dat [ eiser ] in dat weekend thuis of anderszins de knieklachten heeft opgelopen. In dat verband is tevens van belang dat tussen partijen vaststaat dat [ eiser ] al voor mei 2013 last had van knieklachten. 

2.5. 
[ eiser ] heeft ten aanzien van het aanvullend bewijs voorts verwezen naar de door hem en [ gedaagde ] overgelegde schriftelijke verklaringen van Y (hierna:"Y") 
Bij de beoordeling van die verklaringen is allereerst van belang dat [ eiser ] er voor gekozen heeft om Y niet als getuige onder ede te laten horen, waarbij kennelijk proceseconomische redenen een rol hebben gespeeld, gezien het feit dat Y in Portugal woonachtig is en te kennen heeft gegeven voorlopig niet naar Nederland te kunnen komen in verband met zijn werkzaamheden. Hoewel de kantonrechter begrip heeft voor deze afweging van [ eiser ] , komt een en ander wel voor zijn rekening en risico. 
Bovendien is geenszins gezegd, zoals [ eiser ] stelt, dat Y mondeling niet méér kan verklaren dan wat hij al op schrift heeft gesteld. Immers, de beide schriftelijke verklaringen die Y heeft afgegeven (productie 4 bij dagvaarding en productie 7 bij antwoord) wijken op cruciale onderdelen af van elkaar, zodat er alle aanleiding zou zijn geweest om hem in rechte als getuige te horen en hem met die verschillen te confronteren, zodat hij die verschillen mogelijk zou kunnen verduidelijken. Uit de verklaring gedateerd 13 februari 2016 die Y aan [ eiser ] heeft afgegeven, lijkt te volgen dat Y directe ooggetuige is geweest van het door [ eiser ] gestelde incident en dat hij gezien heeft dat [ eiser ] behoorlijke pijnklachten had naar aanleiding van het verdraaien van de knie. 

In de verklaring die Y op 12 juli 2016 aan [ gedaagde ] heeft afgegeven, stelt hij met zoveel woorden dat hij geen directe ooggetuige is geweest van het voorval, dat hij niet weet hoe [ eiser ] precies door zijn knie is gegaan, dat [ eiser ] na het voorval naar hem toe is 
gekomen en dat hij elders op het schip werkzaam was. De enige overeenkomst tussen beide verklaringen is dat Y in beide verklaringen met zoveel woorden zegt dat hij gezien heeft dat [ eiser ] na zijn bezoek aan de medische post teruggekomen is met een koude packing, waarmee hij zijn knie moest koelen. Zeker gezien het feit dat Y zijn verklaring niet onder ede heeft afgelegd, acht de kantonrechter die overeenkomst te mager en te weinig overtuigend om op basis daarvan te concluderen dat sprake is van aanvullend bewijs en dat [ eiser ] in het opgedragen bewijs is geslaagd. Nu Y geen directe ooggetuige is geweest, valt niet uit te sluiten dat [ eiser ] door een andere oorzaak dan het tillen van de drive de knieklachten heeft gekregen, waardoor het koelen met icepacks nodig was, ook al gezien de bestaande knieklachten. Daarbij is tevens van belang dat het in de ogen van de kantonrechter weinig aannemelijk is dat [ eiser ] onmiddellijk nadat hij zijn knie verdraaid had met het door hem genoemde letsel, te weten een gescheurde binnen- en buitenmeniscus, een gedeeltelijk gescheurde voorste kruisband en een kraakbeenbeschadiging, in staat is om in een andere ruimte van het schip hulp te gaan halen bij Y , zeker wanneer daarbij bedacht wordt dat op een schip veelal sprake is van krappe ruimtes met veel trappen en ladders. 

2.6. 
Bij de beoordeling van de vraag of [ eiser ] geslaagd is in het bewijs dat hij slachtoffer is geworden van het door hem gestelde bedrijfsongeval, heeft de kantonrechter tevens acht geslagen op de volgende omstandigheden. 

2.6.1. 
Allereerst acht de kantonrechter van belang dat [ eiser ] [ gedaagde ] pas in een betrekkelijk laat stadium aansprakelijk heeft gesteld. Immers, hoewel het ongeval volgens [ eiser ] al gebeurd is op 9 mei 2013, heeft het tot 15 september 2015 geduurd voordat hij 
zijn werkgever officieel aansprakelijk heeft gesteld. Voor dat lange tijdsverloop heeft [ eiser ] geen plausibele verklaring gegeven. Juist gezien de ernstige gevolgen van het verdraaien van de knie en het feit dat [ eiser ] klachten bleef houden, die voor hem onder 
meer aanleiding waren om in januari 2014 opnieuw een MRI-scan aan te vragen, had het voor de hand gelegen dat [ eiser ] [ gedaagde ] in een eerder stadium aansprakelijk had gesteld. 

2.6.2. 
Voorts acht de kantonrechter het opvallend dat [ eiser ] ondanks het knieletsel nog geruime tijd aan boord heeft doorgewerkt en zelfs onmiddellijk na het ongeval in staat was om hulp te gaan zoeken bij Y die elders op het schip in een andere ruimte aan het werk was. [ eiser ] heeft daarvoor bij de akte van 12 oktober 2017 onder randnummer 7 e.v. een verklaring proberen te geven, doch die verklaring is naar het oordeel van de kantonrechter geenszins overtuigend. Nog daargelaten dat niet vaststaat dat [ eiser ] de klachten onmiddellijk op 9 of 12 mei 2013 aan X gemeld heeft, is het ook overigens zo dat het weliswaar zo kan zijn dat volgens de medisch adviseur Niewold het mogelijk is om met dergelijk letsel 'te blijven doorlopen', doch uit zijn verklaring blijkt niet dat het ook 
mogelijk is om met dat letsel aan boord X van een schip door te werken, terwijl feit van algemene bekendheid is dat een schip vaak nauwe en smalle doorgangen kent en bovendien vele trappen en andere obstakels. 

2.6.3. 
Tevens komt naar het oordeel van de kantonrechter betekenis toe aan de omstandigheid dat op basis van de verschillende medische rapportages niet eenduidig en stellig geconcludeerd kan worden dat de klachten zijn toe te schrijven aan het ongeval. 
In dit verband wordt in de eerste plaats verwezen naar de medische rapportage van de medisch adviseur Niewold, productie 15 bij de akte van 12 oktober 2017. Hij schrijft, voor zover thans van belang: 
"( ... .) 
De gevonden afwijkingen bij de eerste kijkoperatie (kraakbeendefect, gedeeltelijk voorste kruisband laesie en scheurtje meniscus) zijn duidelijk traumatisch van oorsprong en lijken veroorzaakt door een incident op de werkvloer. 
De klachten welke hierna ontstaan of blijven bestaan zijn zeer divers en niet eenduidig aan het ongeval toe te kennen. Zo is er sprake van een ontsteking in het gewricht zonder duidelijke oorzaak, zijn er verschillende MRI-scans gemaakt zonder duidelijke afwijkingen en is er in Zuid-Afrika een plica uit de knie verwijderd Dergelijke bevindingen komen ook voor zonder ongeval
 ", 

In de door [ gedaagde ] overgelegde rapportage van de verzekeringsarts Linders wordt gezegd dat eind 2014 bij aanvullend onderzoek door een orthopedisch chirurg in het Martini Ziekenhuis in Groningen een 'chronische synovitis' in het kniegewicht is vastgesteld. 
Volgens de verzekeringsarts is het niet aannemelijk dat chronische synovitisklachten gerelateerd kunnen worden aan het voorval in mei 2013. 

2.7. 
[ eiser ] heeft onder randnummer 4 bij zijn conclusie na enquête herhaald dat hij van mening is dat de omstandigheid dat Noble de naam van de scheepsarts niet heeft kunnen of willen vermelden voor rekening en risico van [ gedaagde ] dient te komen. De kantonrechter deelt die visie van [ eiser ] niet. Zoals ook al overwogen en beslist in het tussenvonnis van 10 november 2017 gaat de zorgplicht van [ gedaagde ] niet zo ver dat zij gehouden is om te registreren wie er nog meer op de Noble Globetrotter II werkzaam was op 9 mei 2013 en wie daar toen als scheepsarts aan boord was, gegeven het feit dat die personen niet behoorden tot de werknemers van [ gedaagde ] zelf. Het had onder de gegeven omstandigheden, zeker gezien de moeite die [ gedaagde ] zich getroost heeft om de namen van crewmembers en de scheepsarts boven water krijgen. om zo nodig een procedure ex artikel 843a Rv aanhangig te maken tegen Noble. Dat hij dat nagelaten heeft, is een omstandigheid die hij niet aan [ gedaagde ] kan tegenwerpen en die omstandigheid dient voor rekening en risico van [ eiser ] zelf te komen. 

2.8.
[ eiser ] heeft in zijn betoog na enquête tevens nog een vergelijking gemaakt met de casus die aan de orde was in de zaak die geleid heeft tot de beslissing van het Hof Den Bosch van 29 maart 2016 (ECLI:NL:GHSHE:20 16: 1188). Naar het oordeel van de 
kantonrechter gaat die vergelijking echter niet op, aangezien de werknemer in die zaak een aantal getuigen heeft doen horen die bevestigd hebben dat de werknemer hen verteld heeft van het hem overkomen bedrijfsongeval en bovendien verklaard hebben dat zij de 
werknemer die dag voor het eerst mank hebben zien lopen. Die casus is niet te vergelijken met de onderhavige kwestie, waar [ eiser ] naast zichzelf enkel de heer X als getuige heeft gehoord, die geen directe ooggetuige is geweest van het voorval en bovendien niet 
meer weet wanneer [ eiser ] hem voor het eerst geïnformeerd heeft over het verdraaien van de knie. 

2.9. 
Op grond van vorenstaande overwegingen oordeelt de kantonrechter dat [ eiser ] in het hem opgedragen bewijs niet is geslaagd. Nu derhalve niet is komen vast te, staan dat [ eiser ] op 9 mei 2013 slachtoffer is geworden van een bedrijfsongeval, komt de 
kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling en bespreking van de foto's en filmpjes die partijen over en weer op USB-stick in het geding hebben gebracht. Die foto's en filmpjes hebben in de eerste plaats immers betrekking op de vraag of [ gedaagde ] aan haar zorgplicht heeft voldaan. Aan die vraag komt de kantonrechter echter alleen toe als eerst vaststaat dat de werknemer tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden slachtoffer is geworden van een bedrijfsongeval. Nu dat niet vaststaat, kunnen de foto's en filmpjes die partijen over en weer in het geding hebben gebracht, alsmede hetgeen zij ter verduidelijking daarover hebben gesteld, verder onbesproken blijven.

2.10. 
De vordering van [ eiser ] dient derhalve te worden afgewezen.

2.11. 
Als de in het ongelijk gestelde partij dient [ eiser ] verwezen te worden in de kosten van het geding.

3. De beslissing 

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [ eiser ] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [ gedaagde ] vastgesteld op € 1.500,-: aan salaris voor haar gemachtigde;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 

Met dank aan mr. M.A. Pasma,  Abeln Pasma Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak. Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2018/rbrot-170818

Deze website maakt gebruik van cookies