Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Gelderland 211117

Rb Gelderland 211117

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2018/rb-gelderland-211117

Team Kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rekestnumrner: C/05/322022 / HZ RK 17-27 

Beschikking van 21 november 2017 

in de zaak van 

[ verzoekster ] 
wonende te [ woonplaats ], 
verzoekster, 
advocaat mr. J.W. Janssens te Houten,
 

tegen 

de naamloze vennootschap 
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., 
gevestigd te Apeldoorn, 
verweerster, 
advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn. 

Partijen worden hierna [ verzoekster ] en Achmea genoemd.

1. De procedure 

Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift 
- het verweerschrift 
- de mondelinge behandeling op 23 oktober 2017, waarvan aantekening is gehouden door de griffier 
- de pleitaantekeningen van mr. Janssens. 

2. De feiten 

2.1. [ verzoekster ] is op 24 december 1996 een ongeval overkomen. De vader van [ verzoekster ] was de bestuurder van een motorvoertuig. [ verzoekster ] op dat moment vijf jaar oud, zat in een kinderzitje op de bijrijdersstoel. Een tegemoetkomende auto raakte op de verkeerde weghelft en is frontaal in botsing gekomen met de auto waarin [ verzoekster ] zich bevond. De twee inzittenden van de tegemoetkomende auto zijn overleden. 

2.2. De tegemoetkomende auto was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea. Achmea heeft aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend. 

2.3. Over de medische en feitelijke gevolgen van het ongeval bestaat tussen partijen geen discussie. 

2.4. Op 16 september 2015 heeft dr. M.J.H.M. Herpers, verzekeringsarts, voorheen neurochirurg, verbonden aan De Medicus®lntermediair in Breda (hierna te noemen: Herpers) het volgende geschreven: 
"Samenvattend: gaat het om een thans 24-jarige vrouw, die op 5-jarige leeftijd ten gevolge van een verkeersongeval een ernstig schedelhersentrauma doormaakte. Ten gevolge daarvan ontstond een acuut subduraal hematoom, (waarschijnlijk) een hersenstamcontusie en diffuse axonale injury. De gevolgen daarvan: tetraparese, van de benen meer dan de armen, cognitieve beperkingen, karakterverandering, mictie veranderingen, vernauwing van de luchtpijp. 
Geleidelijk verbetering van de functie van armen en handen, echter forse persisterende beperkingen ten aanzien van de functie van de benen, met rolstoelafhankelijk zijn. 
In 2e instantie ontwikkelen van contracturen van de heupen. knieën en spitsvoetstand; mogelijk mictieproblematiek. 
Cognitieve beperkingen werden m.b.v. een neuropsychologisch onderzoek november 2010 nogmaals in kaart gebracht. 
Een kinder-neurologische expertise vond plaats op het moment dat betrokkene 10,5 jaar oud was. 
Recent heeft er een neuropsychologisch onderzoek plaats gevonden, waarbij er evidentie bestaat voor verminderde cognitieve belastbaarheid met stoornissen op het gebied van de snelheid van informatieverwerking, de selectieve, verdeelde en volgehouden aandacht. 

Korte weergave neurologisch concept expertiserapport (dr. J.W. Stenvers, neuroloog): 
( .. ) 
Essentieel is dat er sprake is van een voorbehoud. Er is een relatieve eindtoestand. Daarbij is echter te verwachten dat de motoriek van de armen en handen, zeer geleidelijk achteruit zal gaan. Dit heeft consequenties voor het kunnen functioneren van betrokkene. De deskundige geeft expliciet aan dat betrokkene voortdurend op de rand van haar mogelijkheden leeft, hetgeen betekent dat een relatief geringe achteruitgang (infunctie) leidt tot een relatief grote toename van beperkingen. 
( ... ) 

Conclusie:
1. ( ... ) 
2. Percentueel functieverlies 71% 
( ... )" 

2.5. Achmea heeft ten titel van smartengeld op 1 juli 1998 een voorschot betaald van fl. 75.000,00 (= € 34.033,52) en op 9 juli 2015 een bedrag van € 20.000,00. 

3. Het verzoek en het verweer 

3.1.[ verzoekster ] heeft verzocht dat de rechtbank bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 

Primair: 
a. het door Achmea aan [ verzoekster ] verschuldigde smartengeld ex artikel 6:106 BW vast zal stellen op een bedrag van € 150.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, uitgaande van de situatie in 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2016, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2016, waarbij de door Achmea betaalde voorschotten op het uiteindelijk te vergoeden smartengeld eerst strekken tot vermindering van de verschuldigde rente; 
b. de kosten van dit deelgeschil, zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv zal begroten op een bedrag van € 5.591,84, overeenkomstig de in randnummer 40 van bet verzoekschrift verstrekte specificatie, vermeerderd met het verschuldigde griffierecht; 
c. Achmea zal veroordelen om deze begrote kosten, binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking te voldoen op rekeningnummer [ bankrekeningnummer ] te name van Stichting Beheer Derdengelden JDB Advocaten te Houten en dat (de rechtbank daarbij zal bepalen dat] de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd is als dit bedrag niet binnen deze termijn is voldaan. 

Subsidiair: 
d. [ verzoekster ] het door Achmea aan verschuldigde smartengeld ex artikel 6:106 BW vast zal stellen op een bedrag van € 90.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, uitgaande van de situatie 1996-1998, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 1996, waarbij de door Achmea betaalde voorschotten op het uiteindelijk te vergoeden smartengeld eerst strekken tot vermindering van de verschuldigde rente; 
e. de kosten van dit deel geschil, zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv zal begroten op een bedrag van € 5.591,84, overeenkomstig de in randnummer 40 van het verzoekschrift verstrekte specificatie, vermeerderd met het verschuldigde griffierecht; 
f. Achmea zal veroordelen om deze begrote kosten, binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking te voldoen op rekeningnummer [ rekeningnummer ] te name van Stichting Beheer Derdengelden JDB Advocaten te Houten en dat [de rechtbank daarbij zal bepalen dat] de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd is als dit bedrag niet binnen deze termijn is voldaan; 

3.2. [ verzoekster ] heeft aan haar verzoek, bezien in het licht van de vastgestelde feiten, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. 
[ verzoekster ] heeft door het ongeval in 1996 letsel opgelopen en daardoor (mede) schade geleden die bestaat uit ander nadeel dan vermogensschade, heeft voor de bepaling van de hoogte van het smartengeld primair gekozen voor de datum van begroting daarvan en vordert rente over het smartengeld vanaf de datum van begroting. Gelet op vergelijkbare gevallen in de rechtspraak, stelt [ verzoekster ] zich op het standpunt dat een bedrag van € 150.000,00 een billijke vergoeding is. 

Subsidiair - voor het geval dat voor de begroting van het smartengeld zal worden uitgegaan van de datum van het ongeval - stelt [ verzoekster ] zich op het standpunt dat een bedrag van € 90.000,00 billijk is. In dat geval is de rente verschuldigd vanaf de datum van het ongeval en dienen de door Achmea betaalde voorschotten op het smartengeld eerst in mindering te strekken op de rente. 
Zowel primair als subsidiair gaat het er voor [ verzoekster ] om, dat de rechtbank het totaalbedrag van het door Achmea aan haar te betalen smartengeld vast zal stellen. 

3.3. Achmea heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [ verzoekster ] en verzocht vast te stellen dat Achmea ter zake haar smartengeldvergoeeding reeds volledig heeft gecompenseerd, kosten rechtens. 

4. De beoordeling 

4.1. Een deelgeschil is een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij of zij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering. De deelgeschilprocedure is dus bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de algehele buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure dan wel, indien dat niet het geval is, of het verzoek moet worden afgewezen. 

4.2. Het verzoek leent zich naar het oordeel van de rechtbank voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Beoordeling van het verzoek over de hoogte van de immateriële schadevergoeding kan, zoals beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben benadrukt, bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 

4.3. Het verzoek betreft de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door [verzoekster ] , die als gevolg van het ongeval op 24 december 1996 lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij deze begroting dient de rechtbank rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [ verzoekster ] . De rechtbank let bij de begroting op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding (Hoge Raad 17 november 2000, ECLl:NL:HR:2000:AA8358). 

4.4. [ verzoekster ] heeft primair verzocht dat de rechtbank bij de begroting van het smartengeld zal uitgaan van de situatie van 2016. [ verzoekster ] heeft betoogd dat zij bij de begroting van het smartengeld een keuze heeft om uit te gaan van de datum van het ongeval dan wel van de datum van de begroting. Zij heeft gekozen voor de datum van begroting, waarbij rente verschuldigd is vanaf de datum van die begroting (en niet vanaf de datum van het ongeval). Achmea heeft betwist dat bij de vaststelling van het smartengeld moet worden uitgegaan van de datum van begroting. Volgens Achmea moet worden uitgegaan van de datum van het ongeval. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. 

4.5. Uitgangspunt is dat immateriële schade wordt geleden op het moment van het ongeval (Hoge Raad 17 oktober 1997, ECLI:HR:1997:ZC2461). Dat betekent in beginsel dat de vordering tot vergoeding van smartengeld vanaf die datum opeisbaar is en de wettelijke rente vanaf die datum gaat lopen, ook als de omvang van de schade pas later wordt vastgesteld. De rechtbank overweegt daarbij voorts dat bij de begroting van de hoogte van het smartengeld met name de aard en de ernst van het letsel een rol speelt, welke factoren zich in beginsel ten tijde van dan wel kort na het ongeval zullen manifesteren. 

4.6. [ verzoekster ] heeft gesteld dat zij een keuze heeft ten aanzien van de vaststelling van de peildatum voor de begroting van het smartengeld. Hoewel in de literatuur is verdedigd dat een benadeelde eenzijdig een peildatum voor de begroting van de (immateriële) schadevergoeding zou kunnen bepalen, is dit standpunt niet onomstreden in de literatuur. De rechtbank stelt vast dat partijen in elk geval niet gezamenlijk hebben gekozen voor de datum van schadebegroting als peilmoment. 
[ verzoekster ] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat voor de peildatum moet worden aangehaakt bij de datum van schadebegroting, slechts gewezen op een aantal uitspraken waarin de discussie over de veranderde opvattingen met betrekking tot compensatie van leed is aangehaald. Hoewel de rechtbank die discussie onderkent, heeft [ verzoekster ] in het licht van de hiervoor vastgestelde uitgangspunten (zoals weergegeven 4.3 en 4.5) - onvoldoende aanknopingspunten gesteld om aan te nemen dat juist in haar geval voor een later peilmoment (dan de datum van het ongeval) moet worden gekozen. Dat, zoals door [ verzoekster ] ter zitting is verklaard, het juist Achmea was die wilde wachten met het vaststellen van de hoogte van het smartengeld, maakt dat niet anders. Met de informatie die thans bekend is over waar de aard en de ernst van het ongeval in de ontwikkeling van [ verzoekster ] van kind tot volwassen vrouw toe hebben geleid - met name in termen van de gevolgen waarmee zij is geconfronteerd - wordt door de rechtbank rekening gehouden bij het bepalen van de hoogte van het schadebedrag, ook als daarvoor als peil moment de datum van het ongeval wordt aangehouden. 
Ten slotte is er in geval van immateriële schade, anders dan in geval van vermogensschade, geen sprake van een kapitalisatie van de schade die eerst in de toekomst daadwerkelijk zal worden geleden. Uitgaande van het hiervoor weergegeven uitgangspunt dat de immateriële schade wordt geleden ten tijde van het ongeval en de schade derhalve vanaf dat moment opeisbaar is, zal de rechtbank voor de begroting van het smartengeld uitgaan van de datum van het ongeval. 

4.7. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding op een bedrag van € 65.000,00. De rechtbank heeft daarbij gelet op bedragen die door Nederlandse rechters zijn toegekend in vergelijkbare gevallen, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met inaanmerkingneming van de sedert de uitspraken opgetreden geldontwaarding. Concreet betekent dit dat zoveel mogelijk is gelet op toegekende bedragen in vergelijkbare gevallen van Nederlandse rechters van voor 24 december 1996, met indexatie van die bedragen tot het niveau van 1996. De volgende (zakelijk weergegeven) omstandigheden zijn hierbij door de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen. Er is sprake van tetraparese waardoor [ verzoekster ] rolstoelafhankelijk is. Zij is voor een groot deel van haar dagelijkse verzorging en activiteiten afhankelijk van de hulp van derden. Bovendien ervaart zij dat zij hierdoor beperkt is in het aangaan en onderhouden van relaties en het krijgen van een partner. Naast de fysieke beperkingen is er ook sprake van cognitieve stoornissen waardoor [ verzoekster ] beperkingen ondervindt ten aanzien van de snelheid van informatieverwerking en de selectieve, verdeelde en volgehouden aandacht. [ verzoekster ] heeft met uiterste en bewonderingswaardige inspanning en veel hulp, zonder doublures of vertraging, de basis- en middelbare school en een HBO opleiding afgerond, waardoor zij - zij het beperkt, namelijk voor aanvankelijk 14 uur en thans 10 uur per week- deel kan nemen aan het economisch verkeer. Bij de begroting van het smartengeld is tevens rekening gehouden met het gegeven dat de schadevergoeding tevens betrekking heeft op toekomstig - mogelijk toenemend - leed (vergelijk de bevindingen van neuroloog Stenvers). Het thans vastgestelde bedrag is opeisbaar vanaf 24 december 1996, zodat de wettelijke rente vanaf die datum toewijsbaar is. De door Achmea reeds betaalde bedragen strekken in eerste instantie in mindering op de op het moment van betaling van het voorschot verschenen rente en daarna op de hoofdsom. 

4.8. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek van Achmea om vast te stellen dat zij [ verzoekster ] ter zake de smartengeldvergoeding reeds volledig heeft gecompenseerd, zal worden afgewezen. 

4.9. [ verzoekster ] heeft verzocht de kosten van het deelgeschil te begroten op grond van het bepaalde in artikel 1019aa Rv. Hierbij geldt de dubbele redelijkheidstoets in die zin dat het redelijk dient te zijn dat deze kosten gemaakt zijn en dat de hoogte van die kosten eveneens redelijk is. Dat betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. 

4.10. [ verzoekster ] heeft haar kosten begroot op een bedrag van € 5.691,84 (16 uur x € 280,00) per uur, te vermeerderen met 5% kantoorkosten en 21% btw). Achmea heeft, voor zover het aantal door mr. Janssens geschatte uren mede (de voorbereiding op en reistijd van/naar) de mondelinge behandeling omvat, geen verweer gevoerd tegen de opgevoerde kosten. 
De door [ verzoekster ] opgevoerde kosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets naar het oordeel van de rechtbank doorstaan. Dit betekent dat de kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 5.691,84 (inclusief 5% kantoorkosten en inclusief 21% btw). Tevens zal een bedrag van € 287,00 aan griffierecht in aanmerking worden genomen, zodat het totaal aan kosten voor het deelgeschil neerkomt op een bedrag van € 5.978,84. 
Nu de aansprakelijkheid vast staat zal Achmea worden veroordeeld tot betaling van deze kosten. De verzochte wettelijke rente over deze kosten zal, als op de wet gegrond, eveneens worden toegewezen. 

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1 stelt het door Achmea aan [ verzoekster ] verschuldigde smartengeld ex artikel 6:106 BW vast op een bedrag van € 65.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 1996 tot aan de voldoening en bepaalt dat de door Achmea betaalde voorschotten (telkens) eerst in mindering strekken op de op het moment van betaling van het voorschot verschenen rente;

5.2. begroot de kosten van het deelgeschil op een bedrag van € 5.978,84, en veroordeelt Achmea tot betaling van dit bedrag binnen veertien dagen na heden door overmaking op rekeningnummer [ rekeningnummer ] ten name van Stichting Beheer Derdengelden JBD Advocaten te Houten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de voldoening indien het bedrag niet binnen de gestelde termijn is betaald;

5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar voorraad;

5.4. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Klaasen en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.

Met dank aan mr. J.W. Janssens, Janssens Den Boef Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

Deze website maakt gebruik van cookies