Artikelen

GHDHA 290518

Hoofdcategorie: Publicaties
Categorie: 2019

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/GHDHA-290518

arrest 

GERECHTSHOF DEN HAAG 
Afdeling Civiel recht 

Zaaknummer : 200.204.343/01 
Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/455729/HA ZA 14-766 

Arrest van 29 mei 2018 

in de zaak van 

[ appellante ] , 
wonende te [ woonplaats ] ,. 
appellante, 
hierna te noemen: [ appellante ] , 
advocaat: mr. J.W. Janssens te Houten, 

tegen 

1. [ geïntimeerde sub 1 ] , 
wonende te [ woonplaats ] , 
2. ABN Amro Schadeverzekering N.V., 
gevestigd te Zwolle, 
geïntimeerden, 
hierna te noemen: [ geïntimeerde sub 1 ] c.s., 
advocaat: mr. P. Oskam te Amsterdam. 

Appellante wordt hierna aangeduid als [ appellante ] . Geïntimeerde sub 1 wordt hierna aangeduid als [ geïntimeerde sub 1 ] en geïntimeerde sub 2 als ABN Amro. Geïntimeerden worden ook wel gezamenlijk (in enkelvoud) aangeduid als [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. 

Het verdere verloop van het geding 

Het hof verwijst naar zijn arrest van 7 februari 2017 waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast. 

De comparitie is gehouden op 23 maart 2017. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. 

Daarna heeft [ appellante ] een memorie van grieven ingediend, waarbij zij vier grieven heeft aangevoerd. 

Vervolgens heeft [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. een memorie van antwoord ingediend, waarbij zij de grieven van [ appellante ] heeft bestreden. 

De beoordeling van het hoger beroep 

1. 
Het hof gaat uit van de door de rechtbank in het tussenvonnis van 5 augustus 2015 (hierna: het tussenvonnis) vastgestelde feiten, nu deze niet in geschil zijn. Het gaat om de navolgende feiten. 

1.1. 
Op 1 februari 2011 vond in het Hochalm skigebied, Abfahrt nummer 25 in Hinterglemm, Oostenrijk, een ski-ongeval plaats. Bij dit ski-ongeval waren [ appellante ] en [ geïntimeerde sub 1 ] betrokken. [ appellante ] en [ geïntimeerde sub 1 ] waren daar in het kader van een skivakantie. 

1.2. 
Zowel [ appellante ] als [ geïntimeerde sub 1 ] is door de Oostenrijkse politie gehoord. Van hun verklaring is proces-verbaal opgemaakt. Ook een vriendin van [ appellante ] , X , heeft tegenover de politie in Oostenrijk een verklaring afgelegd. 

1.3. 
De hiervoor bedoelde verklaring van X luidt, voor zover thans van belang, als volgt: 
"( ... ) Als wir auf der Piste Nummer 25, einer blauen Piste in Richtung Mittelstation Hochalm fuhren, das war zwischen 01.00 Uhr und 01.30 Uhr.fuhr meine Freundin [ appellante ] vor mir. Sie fuhr in etwas längeren Schwüngen mit ihren Alpinski vor mir. Ich wiirde sagen, dass sie eine gute Skifahrerin ist. Sie f ährt schon seit 15 oder 20 Jahren regelmässig Ski. Wir f[uhren nicht sehr schnell aber auch nicht langsom. 
Plotzlich. sah ich von der linken Seite eine andere Frau daherkommen. Ich kann nicht sagen, wie der Unfall genau passiert ist, aber auf einmal is meine Freundin mit der Frau kollidiert. 
Ich kan nicht sagen, ob meine Freundin einen Schwung machte, oder welche Körperteile aneinander gesprallt sind. Es ging sehr schnell. Beide stûrtzten und die Bindungen der anderen Frau öffneten sich beide. Bei meiner Freundin öffnete sich eine Binding auf jeden Fall. Ob sicb die zweite offnete, kann ich nicht sagen. ( ... )"
 

l.4.
[ appellante ] is na het ongeval naar een ziekenhuis in Oostenrijk afgevoerd en is na drie dagen gerepatrieerd naar Nederland, waar zij van 4 februari 2011 tot 10 februari 2011 in een ziekenhuis in Enschede opgenomen is geweest. 

l.5. 
Ten gevolge van het ongeval heeft [ appellante ] letsel opgelopen, te weten een stabiele bekken fractuur, waarbij de bovenste en onderste schaambeentak aan de linkerzijde waren gebroken, alsmede een fractuur van de heupkom links. 

1.6. 
[ appellante ] heeft [ geïntimeerde sub 1 ] bij brief van 30 maart 2011 aansprakelijk gesteld voor de materiele en immateriële schade. 

1.7.
ABN Amro is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [ geïntimeerde sub 1 ] . ABN Arnro is onderdeel van de Delta Lloyd Groep. 

1.8. 
De Fédération Internationale du Ski (verder te noemen FIS) heeft regels opgesteld 
De eerste, tweede, derde en vierde regel luiden als volgt: 
"1. Iedere skiër of snowboarder moet zich zo gedragen, dat hij anderen niet in gevaar brengt of schade toebrengt. 
2. Iedere skiër of snowboarder moet op basis van zichtbaarheid bewegen Ieder skiër of snowboarder moet zijn snelheid en wijze van bewegen aanpassen aan zijn eigen capaciteiten, de toestand van de piste, de sneeuw- en weersgesteldheid en de verkeersdichtheid. 
3. Wanneer een skiër of snowboarder een ander van achteren nadert moet hij zijn spoor zo kiezen, dat hij een voor hem bewegende skiër of snowboarder niet in gevaar brengt. 
4. Inhalen mag van boven of van beneden en van rechts of van links, mits op zodanige afstand dat de ingehaalde op geen enkele wijze in zijn bewegingen wordt belemmerd
". 

1.9. 
Paragraaf 8 van de Pistenordnungsentwurf des österreichischen Kuratoriums für alpine Sicherheit (hierna: POE) luidt als volgt: 
"Der hintere, schnellere Skifahrer hat seine Fahrweise dem vorderen, langsameren Skifahrer anzupassen; dieser hat Vorrang gegenüber dem hinteren Fahrer. Der Skifahrer is nicht verpflichtet, wahrend der Fahrt die Laufer hinter sich zu beobachten, jedoch hat der die Piste querende Skililäufer auch nach oben zu beobachten und auf von oben kommende Läufer Rücksicht zu nehmen. " 

2. 
[ appellante ] vordert, na wijziging van eis in eerste aanleg: 
- een verklaring voor recht dat [ geïntimeerde sub 1 ] aansprakelijk is voor de door [ appellante ] geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, welke schade het gevolg van het ongeval van 1 februari 2011; 
- de veroordeling van [ geïntimeerde sub 1 ] tot vergoeding van alle door [ appellante ] geleden en nog te lijden schade, als gevolg van het ongeval van I februari 2011, welke schade opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend volgens de wet; 
- de veroordeling van ABN Amro op de voet van artikel 7:954 BW om [ appellante ] te betalen al hetgeen zij op grond van de met [ geïntimeerde sub 1 ] gesloten verzekeringsovereenkomst aan uitkering verschuldigd is; 
- de hoofdelijke veroordeling van [ geïntimeerde sub 1 ] en ABN Amro in de kosten van het geding, daaronder begrepen de nakosten. 

3. 
[ geïntimeerde sub 1 ] c.s. heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [ appellante ] . 

4. 
Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank in rov. 4.3 (samengevat) geoordeeld dat Nederlands recht op het onderhavige geschil van toepassing is en dat bij de beoordeling van het gedrag van de persoon wiens aansprakelijkheid in het geding is wel feitelijk en in passende mate rekening moet worden gehouden met de veiligheidsvoorschriften en gedragsregels die van kracht zijn op het tijdstip en de plaats van de gebeurtenis welke de aansprakelijkheid veroorzaakt (art. 4 lid 2 en art. 17 Verordening Rome II). Voorts heeft de rechtbank in rov. 4.7 van dat vonnis onder meer het volgende overwogen: 
"4.7. Van het overtreden van een zorgvuldigheidsnorm is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden sprake indien de feitelijke toedracht van het ongeval zoals door [ appellante ] wordt gesteld in rechte komt vast te staan, te weten dat [ geïntimeerde sub 1 ] als achteropkomende skiër [ appellante ] plotseling met grote vaart van (links) achteren heeft aangeskied, terwijl [ appellante ] rustig in bochten naar beneden richting het dal aan het skiën was. In dat geval heeft [ geïntimeerde sub 1 ] [ appellante ] immers blootgesteld aan een groter gevaar dan zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs behoefde te verwachten, nu [ appellante ] op grond van (in ieder geval) de geldende FIS-regels, weergegeven onder 2.8 van de vaststaande feiten, welke regels ruime internationale bekendheid en erkenning genieten, mocht verwachten dat zij als voorligger voorrang had en dat een achteropkomende skiër haar veilig zou passeren of op afstand bleef en zijn/haar spoor zo koos dat hij/zij de voor haar skiënde persoon niet in gevaar bracht. [ geïntimeerde sub 1 ] had in dat geval moeten kunnen inschatten dat wanneer zij te snel langs [ appellante ] zoiu! skiën, zij met [ appellante ] in botsing zou kunnen komen en dat zo 'n botsing ernstig letsel aan [ appellante ] zou kunnen toebrengen. Ook binnen de onderhavige sport- en spelcontext. had [ geïntimeerde sub 1 ] zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van een dergelijk abnormaal gevaarlijke gedraging moeten onthouden. "

Voorts heeft de rechtbank in rov. 4.18 van dat vonnis op grond van art. .150 Rv. aan [ appellante ] opgedragen feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat [ geïntimeerde sub 1 ] als achteropkomende skiër [ appellante ] als voorligger met grote vaart van (links) achteren heeft aangeskied. terwijl [ appellante ] met gematigde snelheid in bochten richting het dal skiede. 

5. 
Na gehouden getuigenverhoren (ten overstaan van opvolgende rechters) heeft de rechtbank in het eindvonnis van 14 september 2016 geoordeeld dat [ appellante ] niet is geslaagd in haar bewijsopdracht en heeft zij de vordering van [ appellante ] volledig afgewezen. Hiertegen richten zich de grieven. 

6. 
Grief 1 houdt in dat de rechtbank in rov. 4.4. tot en met 4.7 van het tussenvonnis bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van [ geïntimeerde sub 1 ] ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen de gevaarzettingsrechtspraak, waarbij zij bij de toetsing van de gedragingen ervan uitgaat dat er sprake is van een sport- en spelsituatie met een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. 

7. 
Deze grief faalt. In de bestreden rechtsoverwegingen heeft de rechtbank kort gezegd tot uitdrukking gebracht dat de zogeheten Kelderluikcriteria van toepassing zijn op de te beantwoorden vraag van aansprakelijkheid en dat in dit kader tevens de sport- en speljurisprudentie van toepassing is, waardoor sprake is van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Hel hof kan zich met deze oordelen verenigen en maakt deze tot de zijne. Dat [ geïntimeerde sub 1 ] en [ appellante ] op de dag van het ongeval niet met elkaar aan het skiën waren althans geen deel uitmaakten van dezelfde groep skiërs is, anders dan [ appellante ] meent, hierbij niet van belang. Vast staat dat [ appellante ] en [ geïntimeerde sub 1 ] zich ten tijde van het ski-ongeval - om sportieve redenen - op dezelfde skipiste bevonden. Wie zoals [ appellante ] een piste betreedt om naar beneden te skiën dient erop bedacht te zijn dat daar ook anderen aan het skiën zijn, met de daaraan nu eenmaal verbonden risico's, zoals slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte gedragingen of bewegingen. 

8. 
Met grief 2 komt [ appellante ] op tegen de door de rechtbank aan haar gegeven bewijsopdracht. 
[ appellante ] meent dat de rechtbank haar ten onrechte met het bewijs heeft belast van de grote vaart waarmee [ geïntimeerde sub 1 ] tegen [ appellante ] aan is geskied. Ook dit betoog gaat niet op. Het hof is van oordeel dat aan [ appellante ] terecht het bewijs is opgedragen van feiten én/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [ geïntimeerde sub 1 ] als achteropkomende skiër [ appellante ] als voorligger met grote vaart van (links) achteren heeft aangeskied, terwijl [ appellante ] met gematigde snelheid in bochten richting het dal skiede. Anders dan [ appellante ] kennelijk meent, heeft de rechtbank hierbij niet de van toepassing zijnde FIS-regels uit het oog verloren. Volgens artikel 2 FIS moet de skiër zijn snelheid aanpassen aan zijn eigen capaciteiten, de toestand van de piste, de 
sneeuw- en weergesteldheid en de verkeersdichtheid. Hieruit volgt dat de snelheid van de skiër wel degelijk een factor van belang is, mede met het oog op de aanwezigheid van andere skiërs op de piste (de verkeersdichtheid). De vraag of de snelheid van een skiër al dan niet te groot is, hangt af van de relevante omstandigheden van het geval, zoals voortvloeit uit genoemd art. 2 FIS, en dient aldus in het kader van de beoordeling van het aangedragen bewijs te worden beantwoord. Het hof verwijst hiervoor naar de behandeling van grief 3. 

9. 
Met grief 3 komt [ appellante ] op tegen de bewijswaardering van de rechtbank in het eindvonnis. Op grond van een zelfstandige beoordeling van het aangedragen bewijs komt het hof op dit punt tot het navolgende oordeel. 

10. 
[ appellante ] heeft als (partij)getuige onder meer het volgende verklaard. 
Op de dag van het ongeval skiede de getuige ([ appellante ] ) met rustige bochten naar beneden, haar vriendin X skiede ongeveer tien meter achter haar. Zij skieden niet hard, maar normaal naar beneden en maakten normale bochten. [ appellante ] bedoelt daarmee dat ze ongeveer 10 meter rechtuit skiet en daarna de volgende bocht neemt. Op enig moment skieden zij op een vlak stuk. [ appellante ] werd van links achteren aan geskied. De betreffende persoon (naar later bleek [ geïntimeerde sub 1 ] ) skiede hard tegen haar linkerheup en bekken aan. [ appellante ] zag [ geïntimeerde sub 1 ] niet aankomen en kan niet verklaren hoe het ongeval heeft kunnen gebeuren. [ appellante ] kwam ten val en had even problemen met ademhalen. Zij wilde opstaan maar dat lukte niet, haar heup deed veel pijn. [ appellante ] denkt dat zij met haar rechterschouder in de richting van het dal skiede, maar dat weet zij niet zeker. Zij kon niet zien wat er van achteren kwam. 

11.
X heeft als getuige onder meer het volgende verklaard. 
De getuige (X) skiede achter [ appellante ] aan. Zij skieden als het ware via een slangetje naar beneden, dat wil zeggen dat zij niet recht naar beneden skieden, maar bochten maakten. Die bochten waren niet breed maar ook niet smal. Zij skieden in elk geval niet met hoge 
snelheid. Op enig moment kwam een andere skiër X links voorbij. Die skiër ging erg snel en kwam eigenlijk als een streep langs X heen geskied. X heeft die andere skiër geen bocht zien maken. Voor X het wist was die skiër (die later [ geïntimeerde sub 1 ] bleek te zijn), linksachter tegen [ appellante ] aangeskied. [ appellante ] skiede voor de getuige, maar X kon [ appellante ] nog goed zien. Naar de beleving van X was er niets op dat stuk piste dat het zicht belemmerde. [ geïntimeerde sub 1 ] haalde X in, dus ging ieder geval harder dan X . [ geïntimeerde sub 1 ] kwam in ieder geval voor [ appellante ] van linksachter. [ appellante ] viel zelf naar rechts. [ geïntimeerde sub 1 ] rolde nog een stukje door, X weet niet meer of [ geïntimeerde sub 1 ] daarbij over de kop ging. X herinnert zich nog dat zij een vriendin van [ geïntimeerde sub 1 ] na het ongeval heeft gesproken. Zij herinnert zich niet dat zij met die vriendin heeft gesproken over hoe het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Ook kan X zich absoluut niet herinneren dat zij met die vriendin heeft gesproken over een eventuele reconstructie van het ongeval. 

12. 
De getuige F heeft (in tegenverhoor) onder meer het volgende verklaard. 
De getuige (F ) was samen met [ geïntimeerde sub 1 ] op wintersport in februari 2011. Zij heeft het ongeval zelf niet gezien. Na het ongeval heeft F beneden met de vriendin van [ appellante ] gesproken. Die vriendin vertelde dat de politie had gevraagd mee naar boven te gaan om uit te leggen hoe de botsing had plaatsgevonden en dat zij (de vriendin) dat niet zag zitten omdat het gewoon een ongeval was. De vriendin vond het niet nuttig naar boven te gaan, aldus F . 

13. 
De getuige [ geïntimeerde sub 1 ] heeft (in tegenverhoor) onder meer het volgende verklaard. 
Bovenaan de pist koos de getuige ([ geïntimeerde sub 1 ] ) de linkerkant, die was helemaal leeg. [ geïntimeerde sub 1 ] skiede ongeveer 8 à 10 meter rechtdoor en maakte dan een bochtje. Toen zij een bocht naar links had gemaakt zag zij opeens een oranje gedaante, zij ([ geïntimeerde sub 1 ] ) keek haar op de rug, dus zij skiede in dezelfde richting. [ geïntimeerde sub 1 ] heeft nog geprobeerd iets omhoog te skiën om een botsing te voorkomen. Zij hebben elkaar op de heup geraakt. [ appellante ] is met een (zogeheten) banaan naar beneden gebracht. [ geïntimeerde sub 1 ] heeft in een split second besloten vaart te minderen om boven [ appellante ] uit te komen. Daarmee bedoelt [ geïntimeerde sub 1 ] te zeggen dat zij geprobeerd heeft een ongeval te voorkomen. [ geïntimeerde sub 1 ] is daardoor boven [ appellante ] uitgekomen, en dat wordt volgens haar nu gebruikt om haar aansprakelijk te stellen. Toen [ appellante ] opdoemde skieden zij op gelijke hoogte. Nadat zij elkaar raakten is [ geïntimeerde sub 1 ] een keer over de kop geslagen en daarna op haar gezicht in de sneeuw beland. Direct na het ongeval zijn er geen verwijten gemaakt en ook niet toen [ geïntimeerde sub 1 ] de vrienden van [ appellante ] nog een keer tegenkwam. Zij hebben op een prettige manier met elkaar gesproken over de gezondheidstoestand van 
[ appellante ] . [ geïntimeerde sub 1 ] beschouwt zichzelf als een redelijk ervaren skiester. Zij zat in een klasje waar je hard leerde skiën en off-piste leerde skiën. Zij durfde zelf echter niet zo hard te skiën, aldus [ geïntimeerde sub 1 ] . 

14. 
Het hof is op grond van de afgelegde getuigenverklaringen, mede bezien in het licht van de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen, van oordeel dat [ appellante ] is geslaagd in haar bewijsopdracht. Uit de getuigenverklaringen van [ appellante ] en X valt af te leiden dat [ appellante ] voorafgaand aan het ongeval niet hard en in bochten naar beneden skiede, en dat X achter [ appellante ] aan skiede. X heeft verder verklaard te hebben waargenomen dat [ geïntimeerde sub 1 ] op enig moment met grote snelheid ("als een streep") langs haar (X) is geskied en vervolgens linksachter tegen [ appellante ] is aangeskied. Daarna is [ geïntimeerde sub 1 ] volgens X nog een stukje doorgerold. [ geïntimeerde sub 1 ] zelf heeft verklaard dat zij na de botsing met [ appellante ] over de kop is geslagen. [ appellante ] heeft verklaard dat zij van links achter werd aangeskied, dat [ geïntimeerde sub 1 ] hard tegen haar linkerheup en bekken aan is geskied, en dat zij [ geïntimeerde sub 1 ] niet zag aankomen. Dit alles, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het hof tot de conclusie dat [ geïntimeerde sub 1 ] als achteropkomende skiër [ appellante ] , als voorligger, (plotseling) met grote vaart van (links) achteren heeft aangeskied, terwijl [ appellante ] met gematigde snelheid (in bochten) richting het dal skiede. 

15. 
Anders dan [ geïntimeerde sub 1 ] c.s., leest het hof in de getuigenverklaring van X geen relevante tegenspraak met de schriftelijke verklaring die zij kort na het ongeval tegenover de politie in Oostenrijk heeft afgelegd. Haar opmerking in die schriftelijke verklaring dat zij niet kan zeggen hoe het ongeval "precies" is gebeurd, heeft klaarblijkelijk slechts betrekking op haar daarop volgende mededeling dat zij niet weet of haar vriendin ([ appellante ] ) een bocht maakte of welke lichaamsdelen met elkaar in aanraking zijn gekomen. Dit doet als zodanig niet af aan de inhoud en overtuigingskracht van haar onder ede afgelegde getuigenverklaring, als voormeld. Die getuigenverklaring is samenhangend, voldoende gedetailleerd en geloofwaardig. Het hof acht het bovendien niet aannemelijk dat het enkele tijdverloop tussen het ongeval en het getuigenverhoor in betekenisvolle mate invloed zou hebben gehad op de herinnering van [ appellante ] aan dit (ernstige) ski-ongeval. Dat haar onder ede afgelegde getuigenverklaring (waarin zij ook vragen van de advocaten heeft beantwoord) uitgebreider is dan haar (in het Duits afgelegde) verklaring tegenover de politie in Oostenrijk doet aan dit alles niet af. 

16. 
De enkele verklaring van [ geïntimeerde sub 1 ] , die onder meer inhoudt dat zij niet zo hard durfde te skiën en dat zij op gelijke hoogte skiede met [ appellante ] , legt naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal. Het hof wijst in dit verband nog op de eigen verklaring van [ geïntimeerde sub 1] dat zij, toen zij een bocht naar links had gemaakt, opeens een oranje gedaante zag die zij op de rug keek, en dat zij in dezelfde richting skieden. Dit "op de rug kijken" impliceert in elk geval dat [ geïntimeerde sub 1 ] achter [ appellante ] skiede. [ geïntimeerde sub 1 ] verklaart bovendien nog dat zij [ appellante ] pas op het laatste moment zag, waarna zij naar haar eigen zeggen in een "split second" reageerde, in een (vergeefse) poging om [ appellante ] nog te ontwijken. Dit wijst (eens te 
meer) op skiën met een te hoge snelheid om nog adequaat te kunnen reageren op de aanwezigheid van een andere skiër op de piste. 

17. 
Aan de getuigenverklaring van F kent het hof, ten slotte, geen beslissende betekenis toe. F heeft het ongeval niet zelf gezien en kan (vrijwel) niets over de feitelijke toedracht daarvan verklaren. 
Nu [ appellante ] derhal ve is geslaagd in haar bewijsopdracht, treft grief 3 doel. Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis. 

18. 
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [ geïntimeerde sub 1 ] jegens [ appellante ] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de gevolgen van het ski-ongeval. Hiertoe wordt tevens verwezen naar de door de rechtbank in rov. 4.3. en 4.7 van het tussenvonnis vermelde gronden (als hiervoor samengevat respectievelijk geciteerd in rov. 4). Het hof kan zich met de genoemde gronden verenigen en maakt deze tot de zijne. 

19. 
Het beroep dat [ geïntmeerde sub 1 ] c.s. (in eerste aanleg) heeft gedaan op eigen schuld van [ appellante ] wordt verworpen. [ appellante ] skiede immers, naar vast is komen te staan, voor [ geïntimeerde sub 1 ] uit en zij behoefde er redelijkerwijs geen rekening mee te houden dat [ geïntimeerde sub 1 ] plotseling en met grote snelheid van links achter tegen haar aan zou skiën. Dat [ appellante ] , zoals door [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. is gesteld, van rechts naar links de piste is overgestoken, blijkt overigens niet uit de getuigenverklaringen en schriftelijke verklaringen (in onderling verband bezien) en is verder ook onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat [ appellante ] op de piste bochten maakte betekent niet zij de piste (van links naar rechts) overstak. Een nadere onderbouwing had te meer op de weg van [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. gelegen in het licht van de eigen verklaring van de getuige [ geïntimeerde sub 1 ] dat zij [ appellante ] "opeens" een oranje gedaante zag (hetgeen niet wijst op een eerdere waarneming van 'een bepaalde bewegingsrichting van [ appellante ] ). 
Het hof tekent bij dit alles ten overvloede aan dat, naar ervaringsregels, een skiër (als [ appellante ] ) die een piste af daalt de blik veelal naar beneden (naar het dal toe) gericht heeft 'en doorgaans niet makkelijk in beeld heeft wat er schuin achter hem/haar plaatsvindt (bezien over de linker- of rechterschouder). 

20. 
Mitsdien zal de vordering van [ appellante ] worden toegewezen. Hierbij geldt dat [ appellante ] (onbetwist) heeft aangevoerd dat haar schade nog niet kan worden begroot omdat er nog een medische expertise dient plaats te vinden. In dit verband is ook de vordering als vermeld in het petitum van de inleidende dagvaarding onder 3 vervallen, als weergegeven in het proces- verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg van 2 april 2015. 
Het hof zal de gevraagde verklaring voor recht geven en de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure op de voet van art. 612 Rv. Gelet op de aard van het letsel dat [ appellante ] ten gevolge van het ski-ongeval heeft opgelopen (te weten een stabiele bekkenfractuur en een fractuur van de heupkolom links) en de door [ appellante ] (voorshands) genoemde en toegelichte schadeposten, is het hof van oordeel dat de mogelijkheid van schade immers aannemelijk is. Tevens zal de vordering gericht tegen ABN Amro op de voet van art. 7:954 BW worden toegewezen. 

21. 
[ geïntimeerde sub 1 ] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente als hierna vermeld. 
De door [ appellante ] gevorderde terugbetaling van de door haar krachtens het eindvonnis van de rechtbank aan [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. betaalde bedragen, is door [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. inhoudelijk niet bestreden en is eveneens voor toewijzing vatbaar. 

Beslissing 

Het hof: 
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 14 september 2016, en opnieuw recht doende: 

- verklaart voor recht dat [ geïntimeerde sub 1 ] aansprakelijk is voor de door [ appellante ] geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, welke schade het gevolg is van het ongeval op 1 februari 2011; 

- veroordeelt [ geïntimeerde sub 1 ] tot vergoeding van alle door [ appellante ] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 1 februari 2011, welke schade opgemaakt dient te worden bij staat en te worden vereffend volgens de wet; 

- veroordeelt ABN Amro op de voet van art. 7:954 BW om aan [ appellante ] te betalen al hetgeen zij op grond van de met [ geïntimeerde sub 1 ] gesloten verzekeringsovereenkomst aan uitkering . verschuldigd is; 

- veroordeelt [ geïntimeerde sub 1 ] c.s, hoofdelijk in de proceskosten in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [ appellante ] begroot op € 966,08 aan verschotten (te weten € 98,08 aan explootkosten en€ 868,- aan griffierecht) en € 2,034,- aan salaris advocaat (4,5 punt in Tarief II), en op€ 131,- aan nasalaris voor de ad vocaal, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6: 119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen; 

- veroordeelt [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [ appellante ] begroot op € 410,97 aan verschotten (te weten € 96,97 aan explootkosten en€ 314,- aan griffierecht) en € 2.148,- aan salaris advocaat (2 punten in Tarief II), en op€ 157,- aan nasalaris voor de ad vocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel ö: 119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen; 

- veroordeelt [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. lot terugbetaling van de bedragen die [ appellante ] uit hoofde van het vonnis van 14 september 2016 aan [ geïntimeerde sub 1 ] c.s. heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel6:119 BW vanaf de datum van betaling tot aan de datum van terugbetaling; 

- verklaart dil arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de hiervoor vermelde veroordelingen, 

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, M.D. Ruizeveld en S. Dijkstra, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier. 


Met dank aan de heer mr. J.W. Janssens Janssens Den Boef Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/GHDHA-290518


Deze website maakt gebruik van cookies