Artikelen

RBLIM 180719

Hoofdcategorie: Publicaties
Categorie: 2019

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBLIM-180719

Beschikking 

RECHTBANK LIMBURG 

Burgerlijk recht 

Zittingsplaats Roermond 

zaaknummer / rekestnummer: C/03/254626 / HA RK 18-234 

Beschikking van 18 juli 2019 

in de zaak van 

[ verzoekster ] , 
wonende te [ woonplaats ] , 
verzoekster, 
advocaat mr. H.H.D. van Velde, 

tegen 

de vennootschap naar Brits recht 
AlG EUROPE SA (Netherlands Branche), 
kantoorhoudende Capelle aan den IJssel, 
verweerster, 
advocaat mr. H.A. Kragt. 

Partijen worden hierna verder [ verzoekster ] en AIG genoemd. 

1. 
De procedure 

1.1. 
Het verloop van de procedure blijkt uit: 
- het verzoekschrift, 
- het verweerschrift, 
- de mondelinge behandeling op 16 januari 2019. 

2. 
Het verzoek en de verweren 

2.1. 
Het verzoek strekt ertoe dat de kantonrechter een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen. [ verzoekster ] stelt daartoe dat haar op 28 juli 2013 een arbeidsongeval is overkomen, waarvoor AIG aansprakelijkheid heeft erkend. Op gezamenlijk verzoek van partijen is er een rapport uitgebracht door de deskundige orthopedisch chirurg drs. R.J.J. Devilée ten aanzien van de lichamelijke klachten van [ verzoekster ] . [ verzoekster ] verzoekt nu een deskundige psychiater te benoemen om de psychische klachten die zij ervaart en die volgens haar het gevolg zijn van het ongeval, in kaart te brengen. Zij verzoekt tevens nu alvast een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige te benoemen. Deze deskundigen kunnen dan, nadat het rapport van de deskundige psychiater gereed is, aansluitend een deskundigenrapport uitbrengen over de beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid van [ verzoekster ] als gevolg van het ongeval. 

2.2. 
AIG verzet zich tegen inwilliging van het verzoek. Zij acht de benoeming van (een) deskundige(n) prematuur en stelt daartoe het volgende. Het rapport van deskundige Devilée is volgens AIG ondeugdelijk, zodat het medisch causaal verband tussen het ongeval en de 
door [ verzoekster ] gestelde fysieke klachten en beperkingen ontbreekt. AIG stelt is voornemens een bodemprocedure te entameren en aldaar de deugdelijkheid van het rapport van Devilée aan de orde te stellen. Nu op dit moment duidelijkheid omtrent de deugdelijkheid van het rapport van Devilée en de medische causaliteit ontbreekt, is het voorbarig en inefficiënt om een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige te benoemen. Ten aanzien van de benoeming van een deskundige psychiater stelt AIG zich op het standpunt dat [ verzoekster ] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij psychische klachten heeft als gevolg van het ongeval. [ verzoekster ] heeft nooit eerder gesteld dat zij (ook) psychische klachten heeft. AIG betwist daarnaast dat eventuele psychische klachten ongevalsgerelateerd zijn. 

3. 
De beoordeling 

3.1. 
Omtrent de grondslag voor het houden van een voorlopig deskundigenbericht stelt de kantonrechter het volgende voorop. 

3.2. 
Een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan ertoe dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is de procedure te beginnen en/of, als daartoe wordt overgegaan, beter te kunnen aangeven op grond waarvan een vordering wordt ingesteld of verweer wordt gevoerd. 
Aan de rechter die heeft te oordelen over het verzoek een dergelijk onderzoek te gelasten, komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Hij dient het onderzoek in beginsel te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten 
betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. 
Dit is echter anders indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat (i) de verzoeker onvoldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft bij zijn verzoek, (ii) dat van de 
bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt - waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden 
toegelaten -, (iii) dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, dan wel (iv) dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. 

3.3. 
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek - gelet op de wettelijke eisen, waaraan is voldaan en nu geen omstandigheden naar voren zijn gebracht die zouden moeten leiden tot een afwijzing van het verzoek - kan worden toegewezen. De overgelegde stukken 
bevatten naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aanknopingspunten dat [ verzoekster ] psychische klachten heeft, waarvoor zij een psycholoog heeft bezocht en EMDR-therapie heeft gevolgd. Daarbij komt dat [ verzoekster ] ter mondelinge behandeling onbetwist heeft verklaard dat zij in gesprekken met (de schaderegelaar van) AIG in 2015 en 2017 reeds naar voren heeft gebracht dat zij psychische klachten heeft, die zij aan het ongeval wijt. Het ligt in de rede dat een deskundige psychiater onderzoek doet naar de aard en oorzaak van de klachten. 
Uit oogpunt van efficiëntie zal de kantonrechter ook het verzoek om reeds nu een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige benoemen, toewijzen, met dien verstande dat de verzekeringsgeneeskundige zijn werkzaamheden pas zal aanvangen indien de 
eindrapportage van de deskundige psychiater beschikbaar is en de arbeidsdeskundige zijn werkzaamheden pas zal aanvangen als de eindrapportage van de verzekeringsgeneeskundige beschikbaar is. 

3.4. 
Bij beschikking van 10 mei 2017 is in deelgeschil bepaald dat de rapportage van Devilée als uitgangspunt dient te worden genomen bij de verdere schaderegeling. Het feit dat AIG het hier niet mee eens is en heeft aangekondigd voornemens te zijn om de deugdelijkheid van het rapport van Devilée in een bodemprocedure aan de orde te stellen, maakt de beslissing niet anders. 

3.5. 
De kantonrechter volgt AIG voorts niet in haar stelling dat de vraagstelling die betrekking heeft op het onderzoek door de arbeidsgeneeskundige pas dient te worden opgesteld na het beschikbaar komen van de eindrapportage van de verzekeringsgeneeskundige. 

3.6. 
De kantonrechter is van oordeel dat de deskundigen bij hun onderzoek - zoals gebruikelijk - de beschikking dienen te krijgen over het volledige procesdossier en over de medische gegevens van [ verzoekster ] , meer specifiek het huisartsenjoumaal/patiëntenkaart vanaf 
vijf jaar voorafgaand aan het ongevaL [ verzoekster ] heeft verzocht dat deze gegevens alleen verstrekt zullen worden aan de deskundigen, maar niet aan de (medisch adviseur van) AIG, zoals dit ook tussen partijen in een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen met betrekking tot het onderzoek door Devilée. AIG stelt zich op het standpunt dat zij, om effectief verweer te kunnen voeren, ook inzage dient te krijgen in de medische gegevens van [ verzoekster ] van de periode voorafgaand aan het ongeval. 

3.7. 
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat een voorlopig deskundigenbericht tot doel heeft een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus zijn procespositie beter te kunnen beoordelen. Deze doelstelling vergt dat van de wederpartij mag worden verlangd dat hij aan het opstellen van het deskundigenbericht zodanige medewerking verleent dat met het deskundigenbericht daadwerkelijk zoveel mogelijk zekerheid omtrent de relevante feiten en omstandigheden wordt verkregen. Daar komt bij dat het deskundigenbericht in een eventuele daarop volgende procedure ook tot bewijs kan dienen. Daarvoor is echter vereist dat het deskundigenbericht is totstandgekomen op een wijze die voldoet aan het mede aan artikel 6 EVRM ontleende fundamentele beginsel van procesrecht dat iedere partij de gelegenheid dient te hebben om effectief commentaar te kunnen leveren op het in het geding 
gebrachte bewijs. Nu het deskundigenbericht betrekking heeft op zaken van medisch-technische aard die niet tot de deskundigheid van de rechter behoren, brengt dit beginsel derhalve ook mee dat AIG de gelegenheid dient te krijgen kennis te nemen van alle aan de 
deskundige ter beschikking gestelde medische informatie teneinde, naar aanleiding daarvan, vóór het afronden van het deskundigenbericht haar zienswijze naar voren te kunnen brengen. 
Om deze redenen kan niet volstaan worden met kennisneming alleen door de deskundige van de medische gegevens van [ verzoekster ] , maar is vereist dat deze medische gegevens ook op zodanige wijze aan AIG ter beschikking worden gesteld dat zij kan verifiëren of het deskundigenbericht op juiste wijze op alle relevante feiten en omstandigheden is gegrond. 

3.8. 
Tegenover dit belang van AIG om inzage te krijgen in de medische gegevens van [ verzoekster ] , staat het recht van [ verzoekster ] op bescherming van haar privacy. Zonder voldoende toelichting, die ontbreekt, is in het licht van het voorgaande de enkele wens van [ verzoekster ] om de medische gegevens die zij aan de deskundige ter beschikking stelt, niet ook beschikbaar te stellen aan AIG, onvoldoende om aan het beroep van [ verzoekster ] op privacy in dit geval doorslaggevende betekenis toe te kennen. Hoezeer ook [ verzoekster ] aanspraak heeft op privacybescherrning, moet onder deze omstandigheden dit belang wijken voor het belang van AIG om, met het oog op het op te stellen deskundigenbericht, te kunnen beoordelen of die gegevens potentiële relevantie hebben voor de vaststelling van de schade. 

3.9. 
Wel brengt het recht van [ verzoekster ] op bescherming van haar privacy mee dat de medische gegevens niet verder geopenbaard dienen te worden dan strikt noodzakelijk is. Dit betekent dat het naar het oordeel van de kantonrechter niet aangewezen is dat deze medische gegevens zonder meer aan AIG ter beschikking worden gesteld. Voldoende zekerheid kan ook worden verkregen en aan de waarborgen die artikel 6 EVRM biedt wordt ook voldaan, indien de medische gegevens van [ verzoekster ] uitsluitend ter kennis worden gebracht van de medisch adviseur van AIG. Deze medisch adviseur, die gebonden is aan het beroepsgeheim, kan AIG adviseren en de nodige opmerkingen maken en/ofverzoeken doen. 

3.10. 
De kantonrechter heeft de hierna nader te noemen deskundigen aangezocht om in deze zaak tot deskundigen te worden benoemd. De deskundigen hebben ieder een begroting gemaakt van het honorarium en kosten voor het samenstellen van het rapport. Partijen zijn 
in de gelegenheid gesteld om over de persoon van de deskundigen en de hoogte van het voorschot schriftelijk hun mening te geven. 

3.11. 
Nu AIG aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend, zal de kantonrechter bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigen door AIG moet worden gedeponeerd. 

3.12. 
De kantonrechter wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De kantonrechter zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet 
voldaan, dan kan de kantonrechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. 

3.13. 
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken. 

4. 
De beslissing 

De rechtbank 

4.1. 
beveelt een onderzoek door deskundigen, waarbij de deskundigen achtereenvolgens hun rapport dienen uit te brengen. 

4.2. 
benoemt tot deskundigen: 
1. drs. F.A.M. Klijn, 
(psychiater) 
verbonden aan het UMC Utrecht, HP (Huispost) A 00241, 
Postbus 85500, 
3508 GA Utrecht, 
2. M.M.F. Timmerhuis, 
(verzekeringsgeneeskundige) 
verbonden aan MD.Avis, 
Officiersvliet 12-14, 
3331 KM Zwijndrecht, 
3. P.L. van der Ham, 
(arbeidsdeskundige) 
verbonden aan ArtoosVanderHemRaijmakers Arbeidsdeskundigen & Gerechtelijkdeskundigen, 
Postbus 112, 
5060 AC Oisterwijk, 

4.3. 
Aan drs. Klijn worden de navolgende vragen ter beantwoording voorgelegd. 

Wilt u betrokkene, [ [ verzoekster ] , geboren op [ gebvoortedatum ] , uitnodigen voor onderzoek om onderstaande vragen te beantwoorden? 

Algemene toelichting 

De vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst 
mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongevaL Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval). 

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te 
beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide 
situaties. 

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR).In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor 
deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn - zo veel als mogelijk - in acht te nemen. 

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL 
Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR) 
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van de klachten op uw vakgebied, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid? 

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR) 
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van: 
- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied; 
- de medische behandeling van zijn psychische klachten en het resultaat daarvan. 

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en aanbeveling 2.2.7 RMSR) 
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij psychiatrisch en eventueel hulponderzoek? 

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR) 
d. Is naar uw oordeel sprake. van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? 
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? 

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR) 
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven? 

Functionele invaliditeit 
g. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA Guides, 6e editie), aangevuld met de eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging? 

Beperkingen (aanbeveling 2.217 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) 
h. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in haar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? 
Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige? 

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR) 
i. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde klachtenpatroon? 
J. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
k. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
I. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag l h)? 

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL 
Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en 

waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR). 

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval 
a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft? 

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien? 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval 
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen? 

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? 
e. Kunt u aangeven welk percentage functieverlies uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid? 
f. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid? 
g. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen? 
h. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? 
1. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? 
J. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor het percentage functieverlies en voor de beperkingen (als bedoeld in de vragen 2e en 2f)? 

3. OVERIG 
a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak? 

4.4. 
Aan mevrouw Timmerhuis worden de navolgende vragen ter beantwoording voorgelegd. 

Wilt u betrokkene, [ verzoekster ] , geboren op [ geboortedatum ] , uitnodigen voor onderzoek om onderstaande vragen te beantwoorden? 

In samenspraak met collega Mattem, medisch adviseur van AIG Europe, de aansprakelijke verzekeraar, werd collega drs. R.J.J. Devilée, orthopaedisch chirurg, aangezocht om een orthopedische expertise te verrichten, hetgeen resulteerde in zijn rapportage van 8 november 2016. Van zijn bevindingen en conclusies werd door de Rechtbank Limburg op 10 mei 2017 in deelgeschil bepaald dat deze uitgangspunt dienen te vormen voor het bepalen van de te stellen beperkingen. 
Voorts wordt in de onderhavige procedure een psychiatrische expertise verricht door dr. A. Korzec. Deze bevindingen en conclusies daarvan dienen, naast de bevindingen en conclusies van orthopedisch chirurg Devilée, aanvullend en tevens uitgangspunt te vormen 
voor het bepalen van de te stellen beperkingen. 

Algemene toelichting 
De vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische en verzekeringsgeneeskundige uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft 

geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. 
Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en 
de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval). 

De vragen die door de verzekeringsgeneeskundige beantwoord dienen te worden zijn de volgende: 
1. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en ernst van het letsel en de door betrokkene ervaren beperkingen? 
2. Wilt u aan de hand van alle relevante gegevens en uw onderzoeksbevindingen op uw vakgebied de door u vastgestelde beperkingen van betrokkene duidelijk beschrijven? 
Wilt u daartoe een functionele mogelijkhedenlijst opstellen, zulks mede ten behoeve van eventueel aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek? 
Wilt u de belastbaarheid per item van de FML duidelijk en concreet (waar van toepassing ook in maat en getal) omschrijven en wilt u vooral ook aangeven welke recuperatietijd u eventueel nodig vindt, indachtig navolgend voorbeeld? 
Voorbeeld: de heer/mevrouw X kan maximaal 60 minuten achtereen lopen, waarna hij 70 minuten moet recupereren, en daarna weer 60 minuten kan lopen. 
3. Wilt u bij uw onderzoek in acht nemen dat niet enkel relevant zijn beperkingen vanwege medisch objectiveerbare klachten, maar ook beperkingen ten gevolge van naar hun aard subjectieve klachten, mits u van de plausibiliteit daarvan overtuigd bent? 
Wilt u wel nadrukkelijk onderscheid maken tussen de beperkingen die u aanneemt op grond van objectiveerbare afwijkingen en beperkingen die u aanneemt op grond van subjectieve klachten? 
4. Wilt u bij uw onderzoek er rekening mee houden dat een eenmalig onderzoek binnen een "spreekkamersituatie" en veelal van korte duur maar een "momentopname" is die niet altijd een zuiver beeld zal schetsen van de dagelijkse (pijn)situatie van de betrokkene in het functioneren thuis, op het werk en inzake hobby's? Wilt u daarom betrokkene zo nodig (laten) onderwerpen aan duurbelastend onderzoek, teneinde een zo goed mogelijk zicht op de gezondheidsproblematiek te krijgen? 
5. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn? 

4.5. 
Aan de heer Van der Ham worden de navolgende vragen ter beantwoording voorgelegd. 

Wilt u betrokkene, [ verzoekster ] , geboren op [ geboortedatum ] , uitnodigen voor onderzoek om onderstaande vragen te beantwoorden? 

In samenspraak met collega Mattern, medisch adviseur van AIG Europe, de aansprakelijke verzekeraar, werd collega drs. RJ.J. Devilée, orthopaedisch chirurg, aangezocht om een orthopedische expertise te verrichten, hetgeen resulteerde in zijn rapportage van 8 november 2016. Van zijn bevindingen en conclusies werd door de Rechtbank Limburg op 10 mei 2017 in deelgeschil bepaald dat deze uitgangspunt dienen te vormen voor het bepalen van de te stellen beperkingen. 
Voorts wordt in de onderhavige procedure een psychiatrische expertise verricht en een verzekeringsgeneeskundige expertise. De bevindingen en conclusies daarvan dienen, naast de bevindingen en conclusies van orthopedisch chirurg Devilée, aanvullend en tevens 
uitgangspunt te vormen voor het bepalen van de te stellen beperkingen. 

Onderstaand treft u de formele vraagstelling/opdracht aan. 
1. Wat is de opleiding, wat is het arbeidsverleden en wat zijn de vaardigheden, ervaring en de beroeps affiniteiten van [ verzoekster ] , verder te noemen betrokkene. Wilt u dit onderbouwen met rapporten, diploma's, arbeidsovereenkomsten en een curriculum vitae? 
2. Wat voor werk verrichtte betrokkene op het moment dat het ongeval plaatsvond, zowel in loondienst als buiten loondienst in het kader van haar eigen onderneming? 
Graag een uitgebreide omschrijving geven van de aard van de taken en verantwoordelijkheden in dat werk, alsmede een toelichting op de (fysieke en mentale) belasting daarvan. Wilt u daar bij de belasting zoveel als mogelijk kwantificeren in onder andere termen van aaneengesloten duur, frequentie, intensiteit en dagbelasting? 
3. Kunt u aangeven of er voor betrokkene carrière- en/of groeimogelijkheden waren? 
Zo ja, wilt u daarvan een beschrijving geven en daarbij tevens vermelden of daarmee een stijging van de verdiensten (basisloon, bonusregeling of anderszins) aannemelijk zou zijn geweest? 
4. Wat zijn voor betrokkene de mogelijkheden om te te-integreren in ander werk en/of het voortzetten van haar eigen onderneming het vervolgen van haar opleiding en/of omscholing inbegrepen? Welke loonwaarde en inkomsten kan zij daarmee realiseren? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag de opleiding, vaardigheden, ervaring en beroepsaffiniteit als onder vraag 1 bedoeld van betrokkene in acht nemen? 
5. Acht u betrokkene op basis van enerzijds de in verband met het ongeval vast te stellen beperkingen en mogelijkheden en anderzijds de belastingsaspecten van vraag 2 geschikt of ongeschikt voor ander werk? Graag een uitgebreid gemotiveerd antwoord geven. 
6. Wilt u, indien u re-integratie tegen loonwaarde mogelijk acht, daarbij aangeven hoe groot de kans is dat betrokkene gelet op atle omstandigheden, waaronder te begrijpen de leeftijd, de arbeidsmarkt en de beperkingen, daadwerkelijk dit werk zou kunnen gaan verrichten tegen de aangegeven loonwaarde? 

het voorschot 
4.6.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen vast op een afgerond bedrag van in totaal € 23.200,00 inclusief btw, 

4.7. 
bepaalt dat dit voorschot door partij AIG dient te worden voldaan, 

4.8. 
voor het voldoen van het voorschot zal het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak te Utrecht op korte termijn een nota verzenden, welke nota uiterlijk 4 weken na deze uitspraak dient te zijn voldaan, 

het onderzoek 
4.9. 

bepaalt dat [ verzoekster ] haar procesdossier en de overige door de deskundigen nodig geachte stukken in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen, 

4.10.
bepaalt dat de deskundigen ieder afzonderlijk hun onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door hen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats, waarbij het onderzoek achtereenvolgens zal worden verricht door drs. F.A.M. Klijn, vervolgens door M.M.F. Timmerhuis en tenslotte door P.L. van der Ham, 

4.11. 
wijst de deskundigen er op dat: 
- zij voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op https:/www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Leidraad-deskundigen-WT.pdf of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie), 
- zij het onderzoek pas na bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen, 
- zij het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn, 
- zij partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dienen te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundigen dit onderzoek niet mogen uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan, 
- zij - voor zover het drs. Klijn en mevrouw Timmerhuis betreft - [ verzoekster ] in de gelegenheid moeten stellen om gebruik te maken van haar inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien [ verzoekster ] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [ verzoekster ] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moeten toesturen en [ verzoekster ] daarbij een termijn van vier weken moet bieden om aan te geven of [ verzoekster ] gebruik wil maken van haar blokkeringsrecht (waarbij [ verzoekster ] zich van commentaar op het concept moet onthouden), 
- indien [ verzoekster ] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, zij de werkzaamheden onmiddellijk moeten staken en dit aan de rechtbank moet mededelen, 
- dat, indien [ verzoekster ] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, zij het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moeten toezenden.

4.12. 
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien zij daarom verzoeken, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige 
gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

bet schriftelijk rapport 
4.13. 
bepaalt dat de deskundigen ieder afzonderlijk een concept van hun rapport aan (de advocaten van) partijen moeten toezenden, zodat partijen in de gelegenheid zijn op- of aanmerkingen te maken,

4.14. 
bepaalt, dat partijen 4 weken (peremptoir) de gelegenheid hebben tot het maken van op- en aanmerkingen en dat de deskundigen, indien (een van) partijen na 4 weken niet heeft gereageerd op het concept-rapport, ervan kunnen uitgaan dat ingestemd wordt met de 
concept-rapportage. De gemaakte op- en aanmerkingen dan wel het eventueel niet reageren door (een van) partijen dienen in het definitieve rapport te worden vermeld,

4.15. 
draagt de deskundigen op om uiterlijk drie maanden nadat zij bericht van de griffier hebben ontvangen dat een aanvang kan worden gemaakt met hun werkzaamheden, een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, 
onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

4.16. 
wijst de deskundigen er op dat uit het rapport moet blijken op welke stukken hun oordeel is gebaseerd, 

4.17. 
bepaalt dat verzoekster uiterlijk op 24 juli 2019 een afschrift van deze beschikking aan de wederpartij moet toezenden bij aangetekende brief ofbij deurwaardersexploot.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019. 


Met dank aan mr. H. van Velde, Slot Letselschade voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBLIM-180719

Deze website maakt gebruik van cookies