Zoeken

Inloggen

Artikelen

GHDHA 241219

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/GHDHA-241219


arrest

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.234.385/01
Zaaknummer rechtbank : 50474766\CV EXPL 16-19628

arrest van 24 december 2019

inzake

[ appellant ] ,
wonende te [ woonplaats ] ,
appellant, hierna te noemen: [ appellant ] ,
advocaat; mr. D. van Doorn te Utrecht,

tegen

ECT Delta Terminal B.V.,
gevestigd te [ vestigingsplaats ] , geïntimeerde,
hierna te noemen: ECT ,
advocaat: mr. C.S. Kehrer-Bot te Rotterdam.

1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Bij exploot van 12 februari 2018 is [ appellant ] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 24 november 2017. Bij memorie van grieven met producties heeft [ appellant ] zes grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft ECT de grieven bestreden.

1.2
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

2.
Inleiding

2.1
[ appellant ] is lange tijd in dienst geweest bij het containeroverslagbedrijf ECT . In de loop van het dienstverband heeft [ appellant ] gezondheidsklachten, waaronder blijvende nek- en schouderklachten ontwikkeld, waardoor hij schade heeft geleden. In deze zaak is aan de orde of ECT aansprakelijk is voor deze schade. Beoordeeld zal moeten worden of de vordering van [ appellant ] is verjaard, en zo dat niet het geval is, of [ appellant ] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij ECT en of ECT (in dat geval) heeft voldaan aan de op haar als werkgever rustende verplichtingen om gezondheidsschade bij haar werknemers te voorkomen.

3
Een aantal feiten

3.1
De feiten die de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld zijn niet in geschil, met uitzondering van het moment waarop voor het eerst schouderklachten zijn ontstaan. Volgens [ appellant ] was dat in 1999. Hij verwijst daarbij naar het overgelegde huisartsenjournaal waaruit blijkt dat eerst op 10 september 1999 melding wordt gemaakt van klachten aan de (rechter)schouder. Dit is op zichzelf door ECT niet betwist, zodat ook het hof hiervan uitgaat. Verder gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2
[ appellant ] is op 1 oktober 1980 bij ECT in dienst getreden in de functie van chauffeur intern transport.

3.3
[ appellant ] heeft zijn werkzaamheden sinds 1996 op verschillende voertuigen verricht. Deze functie wordt later aangeduid als Terminaloperator C5.

3.4
Vanaf 1999 heeft [ appellant ] schouderklachten ervaren. Hij heeft rugklachten ervaren in de periode van 9 december 2004 tot 21 augustus 2005. Vanaf 17 november 2005 heeft hij naast klachten aan de rechter schouder ook nekklachten ervaren. Sinds die datum is hij uitgevallen voor zijn eigen werkzaamheden. Vanaf 15 november 2007 heeft [ appellant ] een gedeeltelijke WGA-uitkering gekregen.

3.5
[ appellant ] is met ingang van 2008 bij ECT in een aangepaste functie als baliemedewerker Gate & Administration gaan werken en nadien in die functie formeel herplaatst. In december 2009 is [ appellant ] opnieuw uitgevallen.

3.6
Vanaf oktober 2010 is [ appellant ] minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht en is de WGA-uitkering beëindigd. In juni 2011 heeft [ appellant ] een WIA-uitkering aangevraagd. Deze is door het UWV geweigerd.

3.7.
[ appellant ] heeft bij brief, door ECT ontvangen op 19 juli 2012, ECT aansprakelijk gesteld voor (kort gezegd) de schade die hij lijdt als gevolg van arbeidsongeschiktheid die is ontstaan in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor ECT en haar onder andere geschreven:
Naar mijn mening ben ik werkzaam geweest onder omstandigheden die niet voldeden aan de wettelijke criteria in de Arbeidsomstandighedenwet en het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek in verband met de beroepsziekte nek- rug- en schouderklachten”.

3.8
Nadat [ appellant ] ook in de functie van baliemedewerker fysieke problemen bleef ondervinden, hebben partijen discussie gevoerd over zijn ziekteverzuim.

3.9
De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 6 oktober 2014 door de kantonrechter ontbonden per 1 november 2014.

3.10
[ appellant ] heeft over de periode van 2 maart 2015 tot en met 1 mei 2018 een WW uitkering ontvangen.

4.
De procedure bij de kantonrechter

4.1
[ appellant ] heeft in eerste aanleg gevorderd - kort gezegd – dat ECT een bedrag van € 40.000,- betaalt als voorschot op totale schadevergoeding, en verder schadevergoeding nader op te maken bij staat, met kosten en rente. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, doordat hij als gevolg daarvan blijvende nek- en schouderklachten heeft gekregen. Volgens [ appellant ] heeft ECT niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht zodat zij aansprakelijk is voor de schade die [ appellant ] heeft geleden en nog zal lijden.

4.2
ECT heeft verweer gevoerd. Zij heeft primair betoogd dat de vordering van [ appellant ] is verjaard. Subsidiair heeft ECT op meerdere gronden de aansprakelijkheid betwist: volgens haar bestaat geen causaal verband tussen de door [ appellant ] verrichte werkzaamheden en zijn gezondheidsklachten, en is ECT niet te kort geschoten in de op haar rustende zorgplicht van art. 7:658 lid 1 BW.

4.3.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het beroep op verjaring gehonoreerd en de vorderingen van [ appellant ] afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat de verjaringstermijn vóór de beslissende datum van 19 juli 2007, vijf jaar vóór de ontvangst van de hierboven in nummer 2.6 geciteerde brief, is gaan lopen en dat deze dus niet tijdig is gestuit.

5.
De vordering in hoger beroep

5.1
[ appellant ] kan zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen en vordert in hoger beroep het vonnis te vernietigen en zijn vorderingen alsnog toe te wijzen, met veroordeling van ECT in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5.2
ECT concludeert tot verwerping van de grieven.

6.
De eisvermindering

6.1
In de memorie van grieven heeft [ appellant ] opgenomen dat hij weliswaar ECT aansprakelijk heeft gesteld voor “nek- rug- en schouderklachten" maar dat hij de rugklachten in hoger beroep buiten beschouwing wil laten; de rugklachten zijn minder dan een jaar aan de orde geweest en hebben niet tot (blijvende) schade geleid. Het hof leest hierin, met ECT , een vermindering van de eis in hoger beroep die er op neer komt dat [ appellant ] ECT niet langer aansprakelijk houdt voor de door hem ervaren rugklachten en ter zake ook geen schadevergoeding van ECT zal vorderen. Deze eisvermindering is op zichzelf uiteraard toelaatbaar. Op de vraag welke rol de rugklachten al dan niet spelen bij de beoordeling van het verjaringsverweer zal het hof hieronder ingaan.

7.
Het beroep op verjaring

7.1
Tegen het vonnis van de kantonrechter heeft [ appellant ] één algemene grief aangevoerd inhoudende dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn vordering is verjaard. Hij heeft zijn standpunt verder uitgewerkt in zes (deel)grieven. Het hof begrijpt de grieven zo, dat [ appellant ] de bedoeling heeft om het verjaringsoordeel van de kantonrechter in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof zal de grieven daarom gezamenlijk behandelen. Daarbij zal het hof – met het oog op de devolutieve werking van het appel -- ook acht slaan op datgene wat door partijen in de eerste aanleg over de verjaring naar voren is gebracht.

7.2
Uitgangspunt is dat de verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in elk geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Naar vaste rechtspraak dient deze eis zo te worden opgevat dat het gaat om daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden niet volstaat. Het gaat er dus om dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. Daarvan zal in dit geval sprake zijn als [ appellant ] voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van ECT . Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd.

7.3
Vast staat dat [ appellant ] ECT bij ongedateerde brief die is ontvangen op 19 juli 2012 aansprakelijk heeft gesteld voor schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden stelt te hebben geleden en dat hij bij deze brief een (eventuele) verjaring van het recht op schadevergoeding stuit. Onderzocht moet dus worden of [ appellant ] vóór 19 juli 2007 daadwerkelijk in staat was zijn vordering in te stellen volgens de hierboven samengevatte maatstaf. Het hof zal in het hiernavolgende toelichten dat dit onderzoek leidt tot de conclusie dat de vordering niet verjaard is.

7.4
ECT , op wie ook in hoger beroep de stelplicht en bewijslast rusten van feiten en omstandigheden die haar beroep op verjaring kunnen dragen, heeft in eerste aanleg (in de conclusie van antwoord onder nrs. (6) tot en met (8)) een overzicht gegeven van het medisch dossier van [ appellant ] , de medische rapporten naar aanleiding van de aansprakelijkstelling en het ziekteverzuim van [ appellant ] . Door [ appellant ] is de juistheid van dit overzicht niet, althans niet gemotiveerd, betwist. Bij akte na comparitie heeft ECT nog de volledige verslaglegging van de Arbo Unie over de periode van 1 oktober 2002 tot en met 1 juli 2007 in het geding gebracht.

7.5
Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring heeft ECT , puttend uit het hiervoor genoemde overzicht en de stukken van de Arbo Unie, in eerste aanleg en in hoger beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

7.5.1
In het verslag van Arbo Unie aangaande de periode 2002 tot en met 1 juli 2007 is te lezen dat de bedrijfsarts met betrekking tot de ziekteperiode van [ appellant ] tussen 1 oktober 2002 en 22 januari 2003 de code "CVO 94” noteert, hetgeen betekent een fysieke risicofactor in het werk als oorzaak voor de toen ondervonden schouderklachten. De door ECT ingeschakelde medisch adviseur, [ Y ] , heeft in zijn rapport opgenomen dat het voor de hand ligt dat de bedrijfsarts dit ook aan [ appellant ] heeft meegedeeld. Daarmee is de oorzaak op 1 oktober 2002 gediagnosticeerd en is de verjaringstermijn vanaf die datum gaan lopen.

7.5.2
ECT heeft in februari 2003 een zogenoemd “Workhardening Programma” ingezet teneinde "de dagelijkse werkzaamheden zonder of met minder lichamelijke klachten te kunnen vervullen”, waarbij de focus lag op schoudertraining. Daarmee had voor [ appellant ] duidelijk moeten of kunnen zijn dat er mogelijk een relatie zou kunnen bestaan tussen zijn klachten en het werk.

7.5.3 In ieder geval heeft [ appellant ] op 10 juni 2005 voldoende zekerheid gehad over de oorzaak van zijn klachten en het chronisch karakter daarvan. Dit volgt uit de probleemanalyse van de bedrijfsarts van 10 juni 2015, waarin is opgenomen “De oorzaak van het verzuim is direct het gevolg van de ziekte van betrokkene. De oorzaak is deels werkgerelateerd en deels niet werkgerelateerd.” Uit het advies blijkt verder dat de inhoud van deze probleemanalyse is gedeeld met [ appellant ] en hij zich dus op dat moment bewust was van het standpunt van de bedrijfsarts dat de oorzaak van zijn klachten (deels) in het werk lag.

7.5.4 In het verslag van de Arbo Unie van 6 februari 2006 is het volgende opgenomen:
INTAKE VERSLAG ( ... ) de klachten zijn wel arbeidsrelevant ( ... ) Opheffen van de arbeidrelevante factoren om de re-integratie te bespoedigen”. Op 17 januari 2007 volgt uit het spreekuurcontact van de bedrijfsarts:
“Los daarvan moet wg kijken welke consequenties zij daar aan hangen in de arbeidsrechtelijke sfeer (loondoorbetaling, intern omscholen naar een adm. Functie, AD-er van Arbo Unie inschakelen om te zoeken naar andere interne mogelijkheden, outplacement (re-integratie/definitief)
”.

7.5.5
De werkzaamheden van [ appellant ] zijn tijdens de ziekteperiode van [ appellant ] met ingang van 1999 steeds aangepast. Vanaf 2003 heeft ECT daarbij ook derden ingeschakeld voor de begeleiding van [ appellant ] , waarbij het accent lag op het aanpassen van de werkomstandigheden. Hieraan had [ appellant ] het vermoeden kunnen ontlenen dat zijn klachten werkgerelateerd zouden kunnen zijn.

7.5.6
In april 2007 heeft [ appellant ] van zijn chirurg het advies gekregen om helemaal niet terug te keren in zijn werkzaamheden. Toen moet voor [ appellant ] in ieder geval duidelijk zijn geweest dat hij door werkgerelateerde klachten chronisch arbeidsongeschikt was voor zijn eigen functie en had het op zijn weg gelegen om ECT aansprakelijk te stellen.

7.6
In aanvulling op haar beroep op de hiervoor genoemde gegevens heeft ECT aangevoerd dat het [ appellant ] gaandeweg duidelijk had moeten worden wat de oorzaak van zijn klachten was, toen er aanpassingen op zijn werkplek werden verricht of toen hij zijn werkzaamheden niet meer in volle omvang kon uitvoeren. Dat de schade zich in 2002 respectievelijk 2005 nog niet in haar volle omvang had gemanifesteerd maakt dat niet anders. Ten aanzien van deze toekomstige schade geldt – nog steeds volgens ECT – bovendien dat [ appellant ] niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan toen hij opnieuw klachten kreeg aan zijn nek en/of rug en/of schouder. Hij had er gelet op eerdere oordelen in 2002 en 2005 van artsen over zijn nek-, rug- en schouderklachten, niet zonder meer vanuit mogen gaan dat de (herleefde) klachten niet arbeidsgerelateerd waren toen de behandelend arts hier geen notitie van maakte. Van hem had mogen worden verwacht dat hij daarom de behandelend arts zou hebben gevraagd of de klachten mogelijk (ook) arbeidsgerelateerd waren. Het is – op basis van de beschikbare medische informatie - onjuist dat de schouderklachten die [ appellant ] gedurende verschillende periodes heeft ervaren, los van elkaar staan.

7.7
Het hof is van oordeel dat ECT met het voorgaande onvoldoende haar stelling heeft onderbouwd dat vóór 19 juli 2007 sprake was van bekendheid bij [ appellant ] met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Er is door ECT geen beroep gedaan op medische gegevens afkomstig van een ter zake kundige arts, die een diagnose bevatten waaruit [ appellant ] met voldoende zekerheid kon afleiden dat zijn klachten met grote mate van waarschijnlijkheid veroorzaakt werden door zijn werkzaamheden. Het hof laat bij dit oordeel meewegen dat de door [ appellant ] ondervonden klachten, te weten rug-, schouder en nekklachten, naar van algemene bekendheid is, geregeld voorkomen onder grote groepen van de bevolking, terwijl de oorzaak van dergelijke klachten vaak lastig is vast te stellen. Tot dat inzicht is ook ECT gekomen, waar zij – subsidiair – met klem betwist dat sprake is van causaal verband tussen de door [ appellant ] uitgevoerde werkzaamheden en zijn aandoening.

7.8
Juist is natuurlijk wel, dat de klachten van [ appellant ] belemmerend zijn geweest voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. Duidelijk is ook dat de werkgever er op heeft ingezet om [ appellant ] te laten deelnemen aan Workhardening trainingen in 2003 en 2005 en een begeleidingstraject in 2010 ter bestrijding van de klachten die hij ondervond bij het verrichten van zijn werkzaamheden en om de werkzaamheden aan te passen aan de door [ appellant ] ondervonden beperkingen. Dat maakt nog niet dat het voor [ appellant ] – als medische leek – voldoende duidelijk was dat de werkzaamheden (met voldoende mate van waarschijnlijkheid) ook de oorzaak van de klachten waren. Dit geldt te meer nu er over een langere periode sprake is geweest van verschillende, elkaar afwisselende klachten, te weten klachten van de lage rug en klachten van de schouders en nek, die gedurende een periode ook nog gepaard zijn gegaan met griepklachten en een hardnekkige kaakontsteking. Het hof verwerpt de door ECT ingenomen stelling dat de klachten aan de lage rug en de klachten aan schouders en nek als één geheel moeten worden gezien. Van die stelling heeft ECT ook geen medisch onderbouwde toelichting gegeven.

7.9
Meer specifiek naar aanleiding van de hierboven onder 7.5 samengevatte punten het volgende.

7.9.1
Het hof verwerpt de stelling dat de verjaringstermijn van art. 3:310 BW daags na 1 oktober 2002 is gaan lopen. De in het verslag van de bedrijfsarts opgenomen code CVO 94 geeft aan – daarover zijn partijen het eens – dat er sprake is van een "fysieke risicofactor in de arbeidsbelasting”. [ appellant ] heeft ook niet ontkend dat de bedrijfsarts hem hierover bericht heeft. Het hof acht echter de enkele vermelding van een “risicofactor in de arbeidsbelasting" door de bedrijfsarts onvoldoende om te spreken van een gediagnosticeerde oorzaak van de schouderklachten door een (te dier zake) deskundige en daarmee van een voldoende mate van zekerheid waardoor de klachten (kunnen) zijn ontstaan. Daar komt bij dat [ appellant ] , ruim drie maanden later, op 22 januari 2003 volledig beter is gemeld, er blijkens de eindevaluatie van Fysergo fysiek geen aantoonbare beperkingen meer waren (productie E MvG) en er van schade dus ook geen sprake leek te zijn. Van een daadwerkelijke bekendheid van [ appellant ] met de schade (in de zin van blijvende verminderde arbeidsgeschiktheid) was op dat moment dan ook geen sprake; het ontstaan van dergelijke schade was op dat moment, anders dan ECT lijkt te betogen, ook niet voorzienbaar.

7.9.2
Ook hetgeen is vermeld in de probleemanalyse van bedrijfsarts W.R. Hartmans van ArboUnie d.d. 10 juni 2005 waar onder 4.1 vermeld is
"De oorzaak van het verzuim is direct het gevolg van de ziekte van betrokkene. De oorzaak is deels werkgerelateerd en deels niet werkgerelateerd” leidt het hof niet tot een ander oordeel. Uit de probleemanalyse zelf blijkt niet om welke klachten het gaat, in het bijzonder niet dat het gaat om (herhaalde) schouderklachten. Uit de informatie van de bedrijfsarts over de periode vanaf 9 december 2004 - toen [ appellant ] door zijn rug is gegaan” – blijkt dat deze de code Cvo L101 hanteert. Die code staat – hier zijn partijen het over eens – voor “aspecifieke (lage) rugpijn”. Ook blijkt dat [ appellant ] op 14 december 2004 zelf heeft aangegeven dat het om lage rugklachten gaat. Hij blijkt daar lange tijd last van te houden, gedurende een periode ook in combinatie met een griep en een kaakontsteking. Na een verwijzing voor een behandeling bij Fysergo wordt in het evaluatieverslag van 8 augustus 2005 van Fysergo geschreven dat [ appellant ] geen beperkingen heeft maar nog enige reactie ervaart in de rug bij het bukken, sjouwen, klimmen en langer dan 30 minuten staan. Na (opnieuw) een wortelkanaalbehandeling is [ appellant ] per 21 augustus 2005 weer beter gemeld. Nadien blijkt niet uit enige (medische) informatie dat [ appellant ] opnieuw rugklachten heeft gekregen noch blijkt uit enige overgelegde medische informatie dat de (lage) rugklachten van [ appellant ] daadwerkelijk samenhangen met zijn eerdere of latere schouder- en nekklachten. Het enkele gegeven dat rug, schouder en nek gedrieën verbonden zijn in de romp van het lichaam en de klachten daaraan veroorzaakt kunnen worden door overbelasting in het werk, zoals ECT heeft betoogd, is daartoe zoals hiervoor al overwogen onvoldoende, evenals het gegeven dat [ appellant ] moeite had met tillen en reiken boven de schouderhoogte. Een relatie tussen de lage rugklachten van [ appellant ] en zijn nek- en schouderklachten is dus onvoldoende aannemelijk geworden. Er kan dus ook niet geconcludeerd worden dat toen (ook) de verjaring van de vordering ter zake de nek- en schouderklachten een aanvang heeft genomen. Dat [ appellant ] ECT aansprakelijk heeft gesteld in zijn op 19 juli 2012 door ECT ontvangen brief voor (het geheel van) de door hem (destijds nog) als één beroepsziekte aangeduide “nek- rug- en schouderklachten”, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het door ECT overgelegde overzicht van de ziekmelding van [ appellant ] van 18 november 2005 blijkt dat in ieder geval tussen die datum en 19 december 2005 sprake was van forse schouderklachten en een ontsteking in de schouder, maar uit die gegevens blijkt niet dat toen is geconstateerd dat deze klachten/ontsteking door het werk veroorzaakt zijn.

7.9.3
Ook de aantekeningen uit het verslag van de bedrijfsarts op 6 februari 2006 "de klachten zijn wel arbeidsrelevant ( ... ) Opheffen van de arbeidsrelevante factoren om de re-integratie te bespoedigen”) en 17 januari 2007 (“Los daarvan moet wg kijken welke consequenties zij daar aan hangen in de arbeidsrechtelijke sfeer (loondoorbetaling, intern omscholen naar een adm. Functie, AD-er van Arbo Unie inschakelen om te zoeken naar andere interne mogelijkheden, outplacement (re integratieldefinitief)” kunnen niet als een zodanige diagnose worden aangemerkt. Sterker nog, in de probleemanalyse van de bedrijfsarts van 5 januari 2006 beschrijft deze de oorzaak van de klachten (die in dat stuk niet nader zijn omschreven) als “niet werkgerelateerd”. Mede gelet op de brief van de orthopedische chirurg aan de huisarts van [ appellant ] van 10 januari 2006, naar aanleiding van een onderzoek op 4 januari 2006, moeten dat de klachten zijn geweest met betrekking tot de rechter schouder (tendinitis van de supraspinatus), die dus in de visie van de bedrijfsarts (uitdrukkelijk) niet werkgerelateerd waren.

7.9.4
Juist is, dat de chirurg van [ appellant ] hem in april 2007 (na de operatie ter zake van de nekhernia) heeft geadviseerd niet in zijn gebruikelijke werk terug te keren. De kantonrechter heeft aan zijn oordeel dat de vordering is verjaard mede ten grondslag gelegd dat [ appellant ] ter gelegenheid van de ten overstaan van de kantonrechter gehouden comparitie van partijen heeft erkend dat hij op dat moment bekend was met de schade. [ appellant ] betwist de erkenning en verwijst in de memorie van grieven naar het proces-verbaal van die zitting waarin is opgenomen:
U houdt ons voor dat [ appellant ] in april 2007 door zijn chirurg is aangeraden niet meer terug te keren in de oude functie (productie 56 bij de conclusie van antwoord). Op dat moment was [ appellant ] wellicht bekend met de schade, maar niet met de oorzaak van de nekhernia. Hetzelfde advies had ook gegeven kunnen worden bij een niet werk-gerelateerde oorzaak”.

7.9.5
Het hof is met [ appellant ] van oordeel dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat [ appellant ] ter zitting heeft erkend dat hij in april 2007 op de hoogte was van de schade en de aansprakelijke persoon. Het advies van de chirurg om niet terug te keren naar zijn werkzaamheden brengt naar het oordeel van het hof ook niet mee dat [ appellant ] daaruit kon afleiden dat de werkzaamheden de oorzaak waren van zijn klachten. Uit het advies volgt enkel, dat de klachten het uitvoeren van die werkzaamheden onmogelijk maakte. Een dergelijk advies is ook op zijn plaats als de klachten een geheel andere oorzaak hebben.

7.9.6
Het hof begrijpt uit hetgeen ECT hierover heeft opgenomen in haar memorie van antwoord onder 56 en verder (bij de bespreking van grief 4) dat ECT zich in hoger beroep ook niet op een door [ appellant ] ter comparitie gedane erkenning beroept. Wel heeft ECT zich erop beroepen dat het in april 2007, toen de neurochirurg [ appellant ] mededeelde dat hij niet naar zijn werkzaamheden moest terugkeren, op de weg van [ appellant ] lag om de neurochirurg nader naar de oorzaak van zijn klachten te vragen. Het hof verwerpt dit standpunt. Van een werknemer als [ appellant ] kan in redelijkheid niet worden gevergd (actief) de oorzaak van zijn problematiek te achterhalen; het lag het niet op zijn weg de behandelend neurochirurg (in april 2017) specifieke vragen te stellen over een mogelijk causaal verband tussen zijn klachten en het werk. Daarbij komt nog dat ECT geen aanknopingspunten biedt voor de juistheid van de kennelijk aan haar stelling ten grondslag liggende gedachte, dat de neurochirurg – desgevraagd - aan [ appellant ] zou hebben verteld dat zijn werk – met voldoende zekerheid – de oorzaak was van zijn klachten. Dat laatste is immers ook slecht te rijmen met het standpunt van ECT ten aanzien van het causaal verband.

7.10
ECT heeft in hoger beroep tot slot nog betoogd dat [ appellant ] niet gemeend kan hebben dat er een andere oorzaak voor zijn klachten was dan de arbeidsomstandigheden nu hij die alternatieve oorzaak niet heeft toegelicht. Dit is onjuist. ECT heeft zich op verjaring van de vordering beroepen en de stelplicht en bewijslast van omstandigheden die dit beroep op verjaring kunnen dragen rusten, als gezegd, op haar. Bij gebreke van een deskundige diagnose van vóór 19 juli 2007, is het niet aan [ appellant ] om inzicht te geven in wat een alternatieve oorzaak van de klachten zou kunnen zijn en kan hem niet worden tegengeworpen dat hij geen alternatieve oorzaak heeft genoemd.

7.11
ECT heeft in haar memorie van antwoord een bewijsaanbod gedaan. ECT heeft echter geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel van het hof omtrent het beroep op verjaring kunnen leiden. Aan voorlichting door een deskundige heeft het hof - in het kader van het verjaringsverweer - geen behoefte.

7.12
Samenvattend: de grieven slagen'en het beroep op verjaring faalt.

8.
Overige verweren ECT

8.1
Het voorgaande betekent dat het hof toekomt aan de verdere beoordeling van de vordering en de daar – ook in de procedure bij de kantonrechter - tegen gerichte verweren. ECT heeft zich – subsidiair – tegen de vorderingen verweerd door te stellen dat er geen of slechts zeer gedeeltelijk sprake is van causaal verband tussen de door [ appellant ] ondervonden gezondheidsklachten en de werkzaamheden. Voor zover al sprake is van een verband, is slechts plaats voor proportionele aansprakelijkheid, omdat er ook andere oorzaken voor de door [ appellant ] ondervonden klachten zijn aan te wijzen.

8.2
Daarnaast heeft ECT aangevoerd dat zij alle maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat haar werknemers (in het bijzonder ook werknemers op de "straddle carrier") schade lijden.

9.
Causaal verband tussen de klachten van [ appellant ] en de werkzaamheden

Arbeidsrechtelijke omkeringsregel
9.1 Het hof stelt het volgende voorop. Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel (ook aangeduid als de "arbeidsrechtelijke omkeringsregel") is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.

9.2 De hiervoor bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. (HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 en BZ1721).

Door [ appellant ] uitgevoerde werkzaamheden
9.3 Het hof zal eerst vaststellen welke werkzaamheden [ appellant ] gedurende het dienstverband heeft verricht, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende periodes.

9.3.1
Periode 1985 - 1995
- Volgens [ appellant ] heeft hij vanaf 1985 tot 1995 voor de Uitzendgroep van ECT gewerkt, en werkte hij toen hele dagen op de straddle carrier.
- ECT heeft hier tegenover aangevoerd dat de functie van [ appellant ] in de periode dat hij voor de Uitzendgroep werkte die van terminaltrekker-chauffeur was, maar zij heeft niet gemotiveerd weersproken dat [ appellant ] in die periode uitsluitend op de straddle carrier werkzaam was.
- Het hof zal er daarom vanuit gaan dat [ appellant ] gedurende een periode van tien jaar uitsluitend op de straddle carrier werkzaam was.

9.3.2
Periode 1995 - 2005
- Ten aanzien van de periode vanaf 1995 tot zijn uitval op 17 november 2005 stelt [ appellant ] dat hij een gecombineerde functie had: FTF (transport) voor circa 5%, SC (straddle carrier) voor circa 60% en CLZ (coördinator landzijde) voor circa 35%.
- ECT stelt daar voor de jaren vanaf 2001 lagere percentages “SC” dan de gestelde 60% tegenover (2001: 50%, 2002: 42%, 2003: 25%, 2004: 36% en 2005: 29%). ECT verwijst naar uitdraaien die als prod. 80 bij akte na comparitie door ECT zijn overgelegd, waarop [ appellant ] niet meer heeft gereageerd.
- Het hof constateert op basis van de stellingen van partijen over en weer dat in ieder geval kan worden vastgesteld dat [ appellant ] vanaf 1995 circa zes jaar voor 60% op de straddle carrier werkzaam was, waarna dat percentage in vijf jaar tijd naar circa 30% is teruggebracht tot aan zijn uitval in november 2005.

Werkzaamheden schadelijk voor de gezondheid?

9.4
Vervolgens moet aan de orde komen de vraag of deze werkzaamheden schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en of de nek- en schouderklachten van [ appellant ] daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Het hof beantwoordt deze vraag in ieder geval ten aanzien van de werkzaamheden op de straddle carrier bevestigend. Het hof stelt op grond van de stukken vast dat:
A. de werkzaamheden op de straddle carrier meebrengen dat veel met gebogen nek en getordeerde romp wordt gewerkt;
B. de werknemer tijdens de werkzaamheden op de straddle carrier wordt blootgesteld aan trillingen;
C. er op de straddle carrier gedurende de werkdag weinig afwisseling is van de werkzaamheden en de houdingen;
D. er voldoende sterke en overtuigende aanwijzingen zijn dat de klachten van [ appellant ] door de belastende werkzaamheden op de straddle carrier kunnen zijn veroorzaakt en
E uit de medische gegevens van [ appellant ] die zijn overgelegd geen (vastgestelde) alternatieve oorzaak valt af te leiden voor de nek- en schouderklachten.

9.5
Het hof zal deze conclusies in het onderstaande nader toelichten.

Ad A en B
9.6 In 1991 is naar aanleiding van een bij ECT uitgevoerd onderzoek door bedrijfsarts [ X ] (hierna: [ X ] ) een rapport opgemaakt met de titel “Arbeidsomstandigheden en klachten van het bewegingsapparaat bij kraanmachinisten en straddle-carrierchauffeurs” (productie 8 bij de conclusie van antwoord). In dit rapport zijn de arbeidsomstandigheden en gezondheidsklachten van het bewegingsapparaat van 94 kraanmachinisten en 95 straddle-carrierchauffeurs vergeleken met 85 administratieve medewerkers. In de samenvatting van dit rapport (bladzijde 2) is vermeld:
"Het risico voor het aanwezig zijn van rugklachten is voor kraanmachinisten en straddle-carrierchauffeurs 2 keer zo [ X ] als voor administratieve medewerkers. Voor nekklachten is dit risico zelfs 4,5 tot 5,0 maal zo [ X ] . Deze significante verschillen worden niet veroorzaakt door de instroom van individuen met reeds aanwezige klachten van rug en nek. ( ... ) De hoge prevalentie van nekklachten onder straddle-carrierchauffeurs lijkt samen te hangen met de sterke rotatie van het hoofd.
Op bladzijde 39 van het rapport is over de houding van straddle-carrierchauffeurs het volgende opgenomen:
“Het hoofd is maximaal bijna 50 graden voorovergebogen is, bij een houdingsbereik van 45 graden. De meest voorkomende hoek van het hoofd ten opzichte van de verticaal is 18 graden. Voorwaartse buigingen van meer dan 30 graden werden gedurende 31% van de tijd gemeten. De zijwaartse inclinatie is nooit meer dan 30 graden: meestal wordt het hoofd ongeveer in de middenpositie gehouden. Dit geldt ook van de rotatie (modus = -1, maar de maximale rotatie is groter: 48 graden. Rotaties van het hoofd van meer dan 45 graden werden gedurende 27% van de meettijd geregistreerd. De belasting van de nek ten gevolge van deze beweging is, gezien het feit dat meer extreme standen worden aangenomen, duidelijk groter dan bij de twee andere groepen het geval is
"

9.7
Uit dit rapport volgt naar het oordeel van het hof zonder meer dat het werken op de straddle carrier een significant vergroot risico meebrengt voor het oplopen van nekklachten.

9.8
ECT heeft in 2001 door Arbo Unie een onderzoek laten doen om na te gaan of be paalde veranderingen in de werkzaamheden (met name toegenomen automatisering) tot een verlichting van de werkomstandigheden heeft geleid. In het onderzoeksrapport door Arbo Unie uit 2001 (productie 26 bij de dagvaarding) wordt geconcludeerd dat ten aanzien van de fysieke belasting van de straddle-carrierchauffeur (het houdingsaspect ) niets veranderd is ten opzichte van het rapport van [ X ] .
De straddlecarrier-chauffeur heeft onvoldoende mogelijkheden om in zijn fysieke belasting verandering aan te brengen. De conclusies van [ X ] (1991), aangaande het voorkomen van klachten van het bewegingsapparaat en de mate waarin het ziekteverzuim wordt beïnvloed door klachten en aandoeningen van het bewegingsapparaat, zijn nog steeds van toepassing.
En
"Concreet is in de fysieke belasting van beide kernfuncties (kraanmachinist en straddlecarrier-chauffeur, hof) niets veranderd. De lichaamshouding van zowel de brugkraanmachinist als straddlecarrier-chauffeur is fysiek belastend en wordt ook als zodanig ervaren. (...) De invloed op het beperken van de fysieke belasting is voor de kraanmachinist beduidend groter dan voor de straddlecarrier-chauffeur.

9.9
Andere recente stukken bevestigen het hiervoor genoemde beeld. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige van het UWV d.d. 20 december 2007 (prod. 12 dv) blijkt van de volgende kenmerkende belasting in de functie van [ appellant ] :
"( ... ) concentreren en verdelen van de aandacht, verantwoordelijkheid/afbreukrisico, werken onder tijdsdruk, zitten, klimmen/klauteren tot ca 12 meter (bereik cabine), hand- en vingergebruik bij bedienen equipment, trillingsbelasting bij verplaatsingen, nekbelasting waarbij veelvuldig rotatiebewegingen moeten worden gemaakt, het hoofd voorover moet worden geknikt en bij verplaatsingen het hoofd geroteerd in statische houding moet worden gehouden (tot ca 90 graden)” [onderstreping hof].
Zo heeft [ appellant ] in 2015 in verband met zijn klachten een zogenoemde “Workhardening training” ondergaan. In de “Nulmeting Individuele Functiegerichte Workhardening” van 20 mei 2015 worden de werkzaamheden van [ appellant ] als volgt beschreven:
"(...) zitten, draaien van de nek, gedraaid zitten, klimmen, krachtzetten onder schouderhoogte, sturen (trekken)". Over de werksituatie staat vermeld: “Cliënt werkt op een carrier waarbij regelmatig de wervelkolom in een niet neutrale positie wordt gebracht en gehouden. Daarnaast heeft cliënt te maken met forse trillingen en schokken van het voertuig” (prod. 10 dv; onderstreping hof).

9.10
Ook de RI&E's waar [ appellant ] naar verwijst (1998, 2000 en 2005; producties 29 t/m 31 bij de dagvaarding) blijkt dat voor trillingen wordt gewaarschuwd en in 2005 in verband daarmee geadviseerd wordt het wegdek te verbeteren. In de RI&E's van ECT uit 1998 en 2000 wordt gewaarschuwd voor de gevolgen van lichaamstrillingen voor straddle carrier chauffeurs:
"lichaamstrillingen komen veelvuldig voor bij het werken op de kranen, ( ... ). Bij het werken op de voertuigen is de trillingsbelasting nog hoger” (RI&E 1998, p. 16)
en
“Dit komt ook voor bij het werken met de straddle-carriers, FTF en vorkheftruck
” (RI&E 2000, p. 14).

Daar wordt ook gewezen op te treffen voorzieningen:
Stoelen en bij de voertuigen vering. De kwaliteit van de bestrating is van grote invloed op de trillingen in de voertuigen”. Naast technische maatregelen aan de voertuigen wordt ook geadviseerd tot taakroulatie. In de RI&E van 2005 wordt vermeld:
Uit onderzoek naar blootstelling aan trillingen van kraanmachinisten en straddle carrierchauffeurs is gebleken dat de blootstelling boven de aanbevolen maximum waarde (actiewaarde) lag, maar onder de grenswaarde”.
Verder is geadviseerd het slechte wegdek bij de Delta terminal (waar [ appellant ] toen - onbetwist - werkzaam was) te verbeteren. In de RI&E 1998 wordt gewezen op het risico van klachten aan het bewegingsapparaat door een ongunstige lichaamshouding in de functie van straddle-carrierchauffeur, aangeduid met de hoogste risicofactor 3. Dit geeft - hetgeen niet wordt betwist - aan dat het een belangrijk risico is en dat actie noodzakelijk is.
Op p. 10 van de RI&E 1998 staat vermeld:
De werkhouding van vooral kraanmachinisten en carrierchauffeurs is zodanig belastend dat op den duur de kans op het ontstaan van gezondheidsschade reëel aanwezig is”.

9.11
ECT heeft een in 2001 in haar bedrijf verspreide brochure overgelegd met de titel “ECT 'ers van staal kunnen ook roesten”. Uit deze door ECT verspreide brochure (productie 72 bij akte na comparitie, p. 21) blijkt ten aanzien van de werkzaamheden van de straddle carrierchauffeur dat deze belastend zijn voor de rug, nek en schouders:
1). Tijdens het rijden zit de chauffeur haaks op de rijrichting/ dit betekent dat het hoofd continu gedraaid wordt om in de rijrichting te kunnen kijken.
2. Bij het laden en lossen van een container wordt de nek tegelijkertijd zowel gedraaid als zijwaarts bewogen en gebogen. Dit is belastend voor de spieren en gewrichten van de nek.
3 Een aantal bedieningsmiddelen staan ongunstig ten opzichte van de stoel. Dit betekent dat bediening hiervan leidt tot een belastende werkhouding voor rug, nek en schouders.
4. Tocht van open raampjes kan nekpijn veroorzaken
."

Bij 'Omgaan met deze aandachtspunten' staat nog vermeld:
5. Omdat de nek vaak langdurig in dezelfde houding gehouden moet worden, is het belangrijk deze houding regelmatig te doorbreken. (...) Bij de reachtrekkerchauffeur blijkt dat tijdens het rijden over het terrein de rug veel schokken moet opvangen, ook de terminaltrekkerchauffeur vangt de klappen van het wegdek met rug en tussenwervelschijven op.

Ad C

9.12
De stelling van [ appellant ] dat er gedurende de werkdag niet tot nauwelijks afwisseling plaatsvond van de werkzaamheden als straddle-carrierchauffeur is niet betwist. Anders gezegd: als [ appellant ] op de straddle carrier zat, deed hij dat gewoonlijk de hele werkdag. Dit geldt ook voor de gecombineerde functies die [ appellant ] voor 1985 en na 1995 vervulde. In die periodes was wel sprake van afwisseling van de werkzaamheden gedurende de werkweek. Partijen verschillen van mening over de tijd dat [ appellant ] gedurende een werkdag in de cabine van de straddle carrier aan het werk was. Ook als wordt gegaan van het door ECT gestelde scenario, inhoudende dat [ appellant ] gemiddeld 6 3/4 uur per dag in de cabine aan het werk was, er sprake was van een lunchpauze en mogelijk 1 tot 2 keer extra pauze met koffie of toiletbezoek, betekent dat naar het oordeel van het hof dat [ appellant ] zijn houding gedurende de werkdag maar beperkt kon afwisselen.

Ad D

9.13
Ten aanzien van de vraag of specifiek de klachten van [ appellant ] door de belastende werkzaamheden kunnen zijn veroorzaakt, hebben beide partijen stukken overgelegd van hun medisch adviseurs. Het hof heeft kennis genomen van de rapporten van [ Y ] van 5 maart 2015 (productie 32 bij de inleidende dagvaarding, opgemaakt in opdracht van de verzekeraar van ECT ), het rapport van [ Z ] van 29 oktober 2015 (productie 33 bij de inleidende dagvaarding, opgemaakt in opdracht van [ appellant ] ).

9.14
[ Z ] concludeert dat zowel ten aanzien van de diagnose “cervicobrachialgie rechts bij HNP C5-C6" als bij de diagnoses “AC-artrose”, “kalk bij aanhechting supraspinatus, (recidief)”, impingement supraspinatus” geldt dat deze aandoeningen in de literatuur in verband gebracht worden met nekbelastende respectievelijk schouderbelastende omstandigheden. Verder stelt deze deskundige vast dat de klachten zijn begonnen en toegenomen tijdens het dienstverband bij ECT , dat andere buiten het werk gelegen risicofactoren voor de nek niet zijn gedocumenteerd en dat het doorlopen van het stappenplan van de toepasselijke richtlijnen (D001 voor cervicobrachiaal syndroom) en het volgen van de richtlijn D009 (voor de nekhernia) van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) zonder meer tot de conclusie leidt dat de nekklachten bij [ appellant ] in overwegende mate zijn veroorzaakt door de nekbelastende arbeidsomstandigheden. In de richtlijn voor hernia wordt bovendien beschreven dat voornamelijk chauffeurs een fors verhoogd risico hebben op een nekhernia als gevolg van het frequent buigen en draaien van het hoofd. Het voorgaande brengt, nu er geen oorzaken aanwijsbaar zijn die buiten het werk liggen, [ Z ] tot de conclusie dat de nekklachten van [ appellant ] in overwegende mate zijn veroorzaakt door de nekbelastende arbeidsomstandigheden en dat de schouderklachten van [ appellant ] in overwegende mate zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden.

9.15
[ Y ] schrijft onder meer: “Op het moment dat betrokkene zich blijvend arbeidsongeschikt meldt worden als arbeidsongeschiktheidsdiagnosen genoemd een cysteuze afwijking in de rechter schouder alsmede een hernia op het niveau van de ge en be nekwervel. In pathofysiologische zin kan ik het ontstaan van een dergelijke cysteuze afwijking niet in causale relatie zien met de werkzaamheden van betrokkene. Hetzelfde geldt voor de hernia van de wervelschijf tussen 5 en 6 nekwervel. Een regelmatig roteren en flecteren van de halswervelkolom kan daarvan niet in overwegende mate de oorzaak zijn. Dergelijke bewegingen zijn niet beschadigend of reden voor overbelasting. Het betreft een multicausaal probleem waarbij het aandeel van de genetische aanleg niet onderschat moet worden.”.

9.16
Het hof volgt in dezen het medisch rapport van [ Z ] . De reden daarvoor is dat het hof dit rapport beter onderbouwd vindt en dat dit rapport beter aansluit bij datgene wat het hof hiervoor heeft vastgesteld omtrent het belastende karakter van de werkzaamheden op de straddle carrier.

9.17
Aan het rapport van [ Z ] liggen checklists ten grondslag die zijn ontwikkeld door het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (zie producties 16 t/m 20 bij de dagvaarding); deze checklists zijn opgenomen in een rapport van [ A ] , dat [ Z ] heeft gebruikt bij zijn rapport. Het hof verwerpt de stelling van ECT dat de uitkomsten van deze lijsten subjectief zijn, omdat [ appellant ] deze zelf heeft ingevuld. Hoewel aan ECT met betrekking tot deze lijsten moet worden toegegeven dat niet zonder meer is komen vast te staan dat er sprake is van werk met de bovenste extremiteit waarbij de arm ongesteund is gedurende meer dan vier uren per werkdag (nu moet worden aangenomen dat er een armsteun in de cabine aanwezig was), acht het hof de bezwaren van ECT niet van dusdanige aard dat aan de uit de checklists door [ Z ] getrokken conclusies in redelijkheid getwijfeld moet worden. De arbeidsomstandigheden die [ appellant ] met name als belastend heeft aangeduid zijn de langdurige draaiing van de nek, de statische werkhouding en de blootstelling aan trillingen en schokken. Dat van dit alles sprake is blijkt onmiskenbaar uit de hiervoor genoemde, deels van ECT zelf afkomstige stukken (genoemd ad A en B). Of er wel of niet een armsteun was en hoe hoog de door [ appellant ] ervaren werkdruk was, acht het hof dan ook onvoldoende zwaarwegend om afbreuk te kunnen doen aan de uitkomsten van de checklists. Ten aanzien van het aspect werkpauze heeft ECT nog gesteld dat die pauze voor koffie of toiletbezoek er minimaal 1 à 2 keer per dag was. Ook indien daarvan moet worden uitgegaan betekent dit, zoals hiervoor onder 9.12 is overwogen, dat [ appellant ] in de uitoefening van zijn werkzaamheden als straddle-carrierchauffeur (niettemin) gedurende een werkdag grotendeels en langdurig in een zelfde statische (belastende) houding werkzaam was.

Ad E

9.18
Uit de overgelegde medische stukken aangaande [ appellant ] blijkt niet dat een andere oorzaak van de blijvende nek- en schouderklachten klachten van [ appellant ] is vastgesteld en het hof is van oordeel dat ECT het bestaan van een andere oorzaak ook overigens onvoldoende heeft onderbouwd.

9.19
De conclusie is dus dat de nek- en schouderklachten van [ appellant ] door de belastende arbeidsomstandigheden bij ECT kunnen zijn veroorzaakt en dat het verband tussen die klachten en de arbeidsomstandigheden niet te onzeker of te onbepaald is. Dat sprake is van RSI-klachten (of “KANS”-klachten), die in het algemeen een onzekere oorzaak hebben, zoals ECT nog heeft aangevoerd, volgt het hof gelet op het voorgaande niet.

10.
Is ECT haar zorgplicht uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 BW nagekomen?

10.1
Het voorgaande betekent dat het, op basis van de aldus toepasselijke omkeringsregel vervolgens aan ECT is om te stellen en te bewijzen dat zij haar zorgplicht uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen.

10.2
De in art. 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht verplicht de werkgever niet alleen om aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies. (vgl. HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, NJ 2011/598)

10.3
ECT heeft in dat verband aangevoerd dat zij vanaf de eerste RI&E 1998 – waarin werd vastgesteld dat de arbeidsomstandigheden op de straddle carrier bij ECT mogelijk schadelijk voor de gezondheid zouden kunnen zijn – beleid heeft ontwikkeld en maatregelen heeft getroffen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Zo is onder meer taakroulatie gestimuleerd, is er gewerkt aan het wegoppervlak, zijn stoelen en wagens gemoderniseerd, gerepareerd of verbeterd, zijn er voldoende mogelijkheden gecreëerd om pauzes te nemen, zijn herhaaldelijk veiligheidsinstructies en cursussen gegeven over de arbeidsomstandigheden en de rijstijl en zijn in het kader van de verschillende onderzoeken meerdere chauffeurs geïnterviewd. Verder heeft ECT [ appellant ] vanaf 2000 taakroulerend ingezet, ook in het kader van re-integratie afspraken, en heeft ECT ook overigens aan haar re-integratieverplichtingen ten opzichte van [ appellant ] voldaan: er is een traject Workhardening ingezet, [ appellant ] heeft daarna nog een traject bij Fysergo gevolgd, ECT heeft aangepaste werkzaamheden aangeboden en toen bleek dat [ appellant ] niet meer terug kon naar zijn oude werkzaamheden, is hij geplaatst in een aangepaste functie bij GAD. [ appellant ] heeft een begeleidingstraject bij Winnock gevolgd en na zijn uitval in april 2012 is met hem afgesproken dat hij zijn werk zo nodig kon onderbreken om extra rustmomenten in te bouwen, aldus ECT .

10.4
In de akte na comparitie in eerste aanleg heeft ECT haar inspanningen uit hoofde van haar zorgplicht nader uiteengezet en daartoe 28 nieuwe producties in het geding gebracht. [ appellant ] is nog niet ingegaan op deze stukken. Het hof zal, nu het verjaringsverweer van ECT in deze letselschadezaak alsnog is gepasseerd (en de rechtbank in het geheel niet was toegekomen aan de discussie over de zorgplicht), [ appellant ] in de gelegenheid stellen een gemotiveerde en onderbouwde reactie te geven op hetgeen ECT in haar akte nader omtrent de zorgplicht heeft aangevoerd. [ appellant ] kan dit doen bij akte die hij uiterlijk twee weken voorafgaand aan de hierna te noemen comparitie van partijen aan het hof en de wederpartij dient toe te zenden (en vervolgens ter zitting kan nemen).

Beproeven van een schikking

10.5
In het kader van een te gelasten meervoudige comparitie wil het hof voorts bezien of tussen partijen een minnelijke schikking kan worden bereikt met betrekking tot de omvang van de schade. Het hof verzoekt met het oog daarop aan [ appellant ] om uiterlijk twee weken voor de datum van de comparitie aan het hof en de wederpartij een voorlopige schadestaat toe te zenden, met kopie aan ECT , voorzien van bewijsstukken.

Slotsom
10.6
De grieven 1 tot en met 5 van [ appellant ] slagen. Alvorens verder te beslissen zal het hof met het oog op het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een schikking een comparitie gelasten voor de meervoudige kamer. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- beveelt partijen in persoon, als het om een rechtspersoon gaat, deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor de meervoudige kamer in één der zalen van het Paleis van Justiție, Prins Clauslaan 60 te Den Haag op vrijdag 27 maart 2020 om 10.00 uur;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden april 2020 tot en met juni 2020, opgeeft dan verhinderd te zijn, het hof (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de comparitie zal vaststellen;

- bepaalt dat [ appellant ] de gelegenheid heeft uiterlijk twee weken vóór de comparitie de hiervoor in rov. 10.4 en 10.5 bedoelde stukken aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;

- bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken vóór de comparitie in kopie aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, P.M. Verbeek en D.A. Schreuder, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Met dank aan de heer mr. W. van Veen, Wout van Veen Advocatenvoor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/GHDHA-241219


Deze website maakt gebruik van cookies