Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBOBR 010818

RBOBR 010818

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/RBOBR-010818

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/321746 / HA ZA 17-366

Vonnis van 1 augustus 2018

in de zaak van

[ X ] ,
wonende te [ woonplaats ] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. Y.B. Boendermaker te Hilversum,

tegen

de naamloze vennootschap
NATIONALE~NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. C.W. Gijsbers te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [ X ] en NN genoemd worden.

1.
Deze procedure

1.1.
Het verloop van deze procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 september 2017;
- het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2018.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.
Het geschil tussen partijen

2.1.
Het geschil tussen partijen houdt in de kern verband met het volgende.

2.1.1.
[ X ] is op 18 juli 2005 betrokken geweest bijeen ongeval. NN heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van dit (eerste) ongeval erkenden partijen zijn met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van de schade. Op 17 januari 2008 is [ X ] opnieuw betrokken geweest bij een verkeersongeval. Tussen partijen staat vast dat NN niet aansprakelijk is voor de gevolgen van dit (tweede) ongeval.
In het kader van de vraag in hoeverre de bij [ X ] levende psychische klachten samenhangen met het eerste ongeval, zijn partijen overeengekomen een psychiatrische expertise te laten uitvoeren door psychiater J.L.M. Schoutrop (hierna: Schoutrop) .
Schoutrop heeft op 5 september 2014 een definitief rapport uitgebracht. Vervolgens heeft Schoutrop, in antwoord op door NN gestelde vragen naar aanleiding van dat definitieve rapport, op 4 apri12016 een aanvullend rapport uitgebracht.
Tussen partijen is op dit moment in geschil de medische causaliteit tussen het eerste ongeval - waarvoor NN de aansprakelijkheid draagt - en de psychische/psychiatrische gezondheidsklachten van [ X ] . Meer specifiek speelt de vraag hoe de conclusie op dat punt van Schoutrop precies luidt en in hoeverre partijen aan de twee rapporten van Schoutrop zijn gebonden.

2.l.2.
In zijn rapport van 5 september 2014 concludeert Schoutrop onder meer (in antwoord op vraag If):
"Diagnose
f. Wat is uw diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differeniaaldiagnostische overwegingen geven?
Antwoord
Sinds de kinderleeftijd heeft betrokkene moeite gehad in sociale situaties. Dankzij veel doorzettingsvermogen en haar intelligentie heeft zij maatschappelijk kunnen functioneren, zij het met beperkingen. Het ongeval in 2005 is een belastende en daarmee luxerende factor geweest bij het toenemen en escaleren van de al daarvoor bestaande problematiek. Dit geld ook hoogstwaarschijnlijk (maar in mindere mate) voor het ongeval in 2008. Op dit moment is er sprake van complexe psychiatrische problematiek, die geleid heeft tot sociaal/maatschappelijk slecht functioneren
" .

2.1.3.
In zijn aanvullend rapport van 4 april 2016 concludeert Schoutrop (in antwoord op een door NN gestelde vraag):
"4. Acht u de volledige arbeidsongeschiktheid welke na maart 2008 aantrad (eerste WIA dag 29-03-2010) toe te schrijven aan de gevolgen van ongeval 2 respectievelijk ongeval 1 afspelen andere factoren hierbij mede een rol?
Antwoord
Mijns inziens is ongeval 1 één van de factoren geweest die heeft bijgedragen aan het ontstaan van het klachtenpatroon na ongeval 2. Ook andere stressactoren hebben een rol gespeeld. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2 voor een nadere toelichting. De draagkracht van betrokkene werd overschreden door het tweede ongeval. Ongeval 2 was de druppel die de emmer deed overlopen. Na het tweede ongeval is een proces opgetreden waarin betrokkene in toenemende mate lichamelijke en geestelijke klachten heeft gekregen. Mijns inziens is er bij de behandeling van de klachten te veel gefixeerd op de ongevallen als oorzaak van het klachten patroon. Er is onvoldoende stilgestaan bij het feit dat ook andere factoren een belangrijke rol hebben gespeeld bij het ontstaan, verergeren en in stand houden van het ziektebeeld."
.

2.1.4.
[ X ] stelt zich - kort weergegeven - op het volgende standpunt.
Volgens [ X ] kan de discussie tussen partijen worden teruggebracht tot voormelde twee - tegenstrijdige - conclusies van Schoutrop. Schoutrop zegt twee verschillende dingen; in 2014 wijst Schoutrop nog naar het tweede ongeval als "hoogstwaarschijnlijk in mindere mate" een belastende en luxerende factor, maar in 2016 lijkt Schoutrop het tweede ongeval als voornaamste luxerende factor te bestempelen.
Partijen zijn gebonden aan het eerste rapport van Schoutrop. dat op hun gezamenlijk verzoek is opgesteld. Er zijn geen zwaarwegende bezwaren tegen dit rapport in te brengen.
Uit dat eerste rapport volgt volgens [ X ] dat het eerste ongeval de oorzaak is geweest van de psychische klachten van. [ X ] . NN, althans haar medisch adviseur, heeft erkend dat dit rapport de basis voor de schaderegeling moet zijn.
Aan het tweede rapport van Schoutrop kleven volgens [ X ] zowel formele als inhoudelijke bezwaren.
NN heeft nog lang niet alle schade van [ X ] als gevolg van het eerste ongeval vergoed.

2.1.5.
NN stelt zich - samengevat - op het volgende standpunt.
Toen de medisch adviseurs van partijen de vragen voor Schoutrop opstelden, wisten zij niet dat [ X ] ondertussen een tweede ongeval was overkomen. Dat tweede ongeval is cruciaal voor de vraag naar het (medisch) causale verband tussen het eerste ongeval en de daarmee samenhangende gezondheidsklachten. In het eerste rapport van Schoutrop is ten onrechte geen, althans onvoldoénde aandacht besteed aan het tweede ongeval. Dat maakte het stellen van aanvullende vragen aan Schoutrop noodzakelijk.
In het eerste rapport van Schoutrop is mogelijk sprake van een verschrijving; de jaartallen in het antwoord op vraag 1 f zijn mogelijk verwisseld. NN stelt zich daarom primair op het standpunt, dat uit beide rapporten van Schoutrop volgt dat de psychische klachten van [ X ] zijn ontstaan naar aanleiding van het tweede ongeval en daarvoor is NN niet aansprakelijk. Subsidiair moet het eerste rapport volgens NN wegens zwaarwegende bezwaren buiten beschouwing worden gelaten, zodat bij de beoordeling van de medische causaliteit alleen wordt uitgaan van het tweede rapport. Meer subsidiair stelt NN dat aanvullende vragen aan Schoutrop moeten worden gesteld.
In geen geval heeft [ X ] meer schade geleden dan € 69.500,-, zijnde het bedrag dat NN als voorschot al aan [ X ] heeft betaald. NN is daarmee gekweten van haar verplichting tot schadevergoeding voortvloeiende uit het eerste ongeval.

2.2.
Partijen hebben met betrekking tot hun geschil eerder bij deze rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv een deelgeschilprocedure gevoerd. Deze procedure is geëindigd met een beschikking van 29 december 2016 (zaaknummer c/o 1/309826/ EX RK 16·123; hierna: het deelgeschil). De deelgeschilrechter heeft daarin bij de beoordeling van het verzoek van [ X ] vastgesteld dat de inhoud van het deskundigenbericht van 5 september 2014 niet consistent is. Daarbij heeft de deelgeschilrechter erop gewezen dat de beantwoording door Schoutrop van vraag of in zijn rapport van 2014 niet geheel in lijn is met andere passages in het rapport.
De rechtbank concludeert vervolgens ten aanzien van het verzoek van [ X ] als volgt:
"5.4. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de beantwoording van de vraagstelling, niet geheel in lijn is met de bevindingen en conclusies, zoals omschreven in he/rapport uit 2014, en vragen oproept. Het rapport is voor partijen om die reden niet zonder meer bindend. In het licht van de geconstateerde inconsistenties bezien, is het niet onbegrijpelijk dat NN nadere vragen wilde stellen aan Schoutrop. Niet in geschil is dat NN daartoe is overgegaan. Tevens staat vast dat [ X ] pas in mei 2016 in kennis is gesteld van de aanvullende vragen die door NN zijn gesteld aan Schoutrop en de aanvullende rapportage van 4 april 2016 toegestuurd heeft gekregen. De rechtbank volgt [ X ] in haar standpunt dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om te reageren op de concept-rapportage en dat zij geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de vraagstelling. De omstandigheid dat de aanvullende rapportage is opgesteld zonder voldoende medewerking van [ X ] . brengt naar het oordeel van de rechtbank echter niet mee dat deze rapportage geheel buiten beschouwing moet worden gelaten en dat geen enkele waarde aan de inhoud van de rapportage gehecht kan worden.
Daarom kan het verzoek van [ X ] niet worden toegewezen
."

Ten aanzien van het primaire tegenverzoek van NN oordeelt de rechtbank in het deelgeschil.
"5,7. NN stoelt het primair verzoek; kort gezegd, op het standpunt dat de rapporten van psychiater Schoutrop van 5 september 2014 en 4 april 2016 niet tegenstrijdig zijn en enkel jaartallen zijn verwisseld in de beantwoording van vraag 1f Dit verzoek dient te worden afgewezen, nu van tegenstrijdigheid wel degelijk sprake lijkt te zijn. Dat die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid samenhangt met de enkele verwisseling van jaartallen kan op grond van de inhoud van de rapporten niet zonder meer worden geconcludeerd.
In de aanvullende rapportage van 4 april 2016 is de psychiater ingegaan op de gevolgen van beide ongevallen in 2005 en 2008. De psychiater concludeert dat er geen sprake was van een psychiatrische ziekte of ernstige psychiatrische problematiek naar aanleiding van ongeval 1 en dat pas na ongeval 2 klachten op zijn vakgebied zijn ontstaan. Aansluitend hierop vermeldt de psychiater dat bij de beantwoording van de vraag of alle klachten en problemen op zijn vakgebied alleen maar het gevolg waren van ongeval twee, lastig te beantwoorden is.
Aangegeven wordt dat ongeval 2 een luxerend moment is geweest voor het ontslaan van de klachten en dat het ongeval het slot was van een reeks gebeurtenissen, die het evenwicht tussen belasting/belastbaarheid hebben verstoord.
Op de vraag 3 ('Kunt u aangeven hoe de gevolgen van ongeval 1 zich zouden hebben ontwikkeld indien het ongeval 2 zich niet had voorgedaan? Betrokkene werkte immers weer vanaf 0 1-11-2006') heeft de psychiater in zijn rapportage het
volgende antwoord gegeven:
'Indien ongeval 2 zich niet zou hebben voorgedaan, acht ik het niet erg waarschijnlijk dat betrokkene het huidige klachtenpatroon zou hebben ontwikkeld zoals blijkt uit de beantwoording van vraag 1 ga ik er niet vanuit dat betrokkene op het moment dat ongeval 2 plaatsvond psychiatrische problemen had als gevolg van het eerste ongeval. '
Met verwijzing naar het voorgaande, concludeert de rechtbank dat de aanvullende rapportage van 4 april 2016 inhoudelijk consistent is voor wat betreft de beoordeling van de gevolgen van het ongeval in 2005 op psychiatrisch gebied. Dit geldt evenwel niet voor hel rapport van 5 september 2014. Zoals reeds hiervoor overwogen, is het rapport van 5 september 2014 voor wat betreft de inhoud niet consistent. Het standpunt van NN dat beide rapporten inhoudelijk: niet tegenstrijdig zijn, kan aldus niet worden gevolgd. Reeds hierom dient het verzoek van NN te worden afgewezen
."

Ook de subsidiaire en meer subsidiaire tegenverzoeken van NN, die zagen op het stellen van nadere vragen aan Schoutrop heeft de rechtbank afgewezen met als reden dat een deelgeschil zich daarvoor niet leent.

2.3.
[ X ] vordert in deze (bodem-) procedure in conventie op grond van haar hiervoor vermelde stellingen:
I, een verklaring voor recht dat NN is gebonden aan het deskundigenrapport van Schoutrop van 5 september 2014;
II. een verklaring voor recht dat het rapport van Schoutrop van 4 april 2016 buiten beschouwing moet worden gelaten;
III. veroordeling van NN om de schade van [ X ] te vergoeden, op te maken bij staat;
IV. met veroordeling van NN in de kosten van deze procedure.

2.4. De rechtbank begrijpt de vorderingen van NN in de voorliggende procedure in reconventie aldus, dat zij vordert:
A. primair een verklaring voor recht dat voor zover sprake is van schade ten gevolge van het ongeval van 18 juli 2005, de schade kan worden vastgesteld op hooguit een bedrag vanê 69.500,- en dat NN op grond van de door haar betaalde bedragen aan [ X ] (in totaal een bedrag van € 69.500,-) gekweten is van al haar verplichtingen tot schadevergoeding;
B. subsidiair een verklaring voor recht dat het rapport van Schoutrop van 5 september 2014 wegens zwaarwegende bezwaren buiten beschouwing dient te worden gelaten waardoor bij de beoordeling van het (medisch) causaal verband uit dient te worden gegaan van het rapport van Schoutrop van 4 april 2016;
C. meer subsidiair te bepalen dat één of meer aanvullende vragen aan Schoutrop worden gesteld, ter verduidelijking van zijn antwoord op vraag 1 f

2.5.
[ X ] en NN voeren verweer tegen elkaars vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.
De beoordeling in conventie en in reconventie

3.1.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen van [ X ] en NN, behandelt de rechtbank die vorderingen samen.

3.2.
De rechtbank stelt vast dat in navolging van het deelgeschil, ook in deze procedure voorligt de vraag naar de status van het rapport van Schoutrop van 5 september 2014 en zijn aanvullende rapportage van 4 april 2016. Partijen hebben in deze procedure hun daarmee samenhangende vorderingen gegrond op in wezen dezelfde argumenten als in het deelgeschil.
De rechtbank ziet geen reden om over de status van de twee rapporten anders te oordelen dan de deelgeschilrechter heeft gedaan. De stellingen van partijen bieden daarvoor geen grond. De rechtbank onderschrijft derhalve de hiervoor geciteerde oordelen van de deelgeschilrechter over de door hem geconstateerde inconsistenties en de status van de beide rapporten van Schoutrop en maakt die oordelen in deze procedure tot de hare. Dit leidt ertoe dat de rapporten - afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien - op dit moment onvoldoende basis bieden om het medisch causaal verband tussen het eerste ongeval en de psychische klachten van [ X ] te kunnen beoordelen. De rechtbank wenst daarom nader geïnformeerd te worden door Schoutrop en acht dat ook noodzakelijk voor de verdere beoordeling van de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie. Anders dan in de deelgeschilprocedure, kunnen hem in deze procedure aanvullende vragen worden gesteld om de onduidelijkheden in zijn rapporten toe te lichten.

3.3.
De rechtbank begrijpt vooralsnog uit de beide rapporten van Schoutrop (uit de gedeelten waarover partijen geen debat hebben), dat er voorafgaand aan de ongevallen bij [ X ] al sprake was van een sluimerende psychische/psychiatrische problematiek, die door de ongevallen is geluxeerd. Hoe dan ook lijkt Schoutrop te betogen dat ook het eerste ongeval een rol heeft gespeeld bij het tot uiting komen van de psychiatrische problematiek op enig moment. De vraag is hoe groot die rol is geweest. Is dat een grote rol geweest, zoals het eerste rapport onder of lijkt te betogen, of is dat een kleinere) rol geweest, zoals uit het tweede rapport lijkt te volgen. Het ligt voor de hand daarover aanvullende vragen aan Schoutrop te stellen.

3.4.
Voordat tot het stellen van nadere vragen aan Schoutrop zal worden overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de aan hem voor te leggen vragen. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

3.5.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat het navolgende aan Schoutrop moet worden voorgelegd:
In uw rapport van 5 september 2014 antwoordt u op vraag of:
"Sinds de kinderleeftijd heeft betrokkene moeite gehad in sociale situaties. Dankzij veel doorzettingsvermogen en haar intelligentie heeft zij maatschappelijk kunnen functioneren, zij het met beperkingen. Het ongeval in 2005 is een belastende en daarmee luxerende factor geweest bij het toenemen en escaleren van de al daarvoor bestaande problematiek. Dit geld ook hoogstwaarschijnlijk (maar in mindere mate) voor het ongeval in 2008. Op dit moment is er sprake van complexe psychiatrische problematiek, die geleid heeft tot sociaal/maatschappelijk slecht functioneren" .
In uw aanvullend rapport van 4 april 20] 6 concludeert u vervolgens:
"Mijns inziens is ongeval 1 één van de factoren geweest die heeft bijgedragen aan het ontstaan van het klachten patroon na ongeval 2. Ook andere stressactoren hebben een rol gespeeld, Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2 voor een nadere toelichting. De draagkracht van betrokkene werd overschreden door het tweede ongeval. Ongeval 2 was de druppel die de emmer deed overlopen. Na het tweede ongeval is een proces opgetreden waarin betrokkene in toenemende mate lichamelijke en geestelijke klachten heeft gekregen. Mijns inziens is er bij de behandeling van de klachten te veel gefixeerd op de ongevallen als oorzaak van het klachtenpatroon. Er is onvoldoende stilgestaan bij het feit dat ook andere factoren een belangrijke rol hebben gespeeld bij het ontstaan, verergeren en in stand houden van het ziektebeeld."
1. Sluiten deze antwoorden/conclusies bezien vanuit uw vakgebied op elkaar aan voor wat betreft de oorzaak van de psychische klachten van [ X ] ?
Kunt u zowel bij een bevestigend als bij een ontkennend antwoord op deze vraag nader toelichten wat op uw vakgebied voor [ X ] de gevolgen van het eerste ongeval in 2005 en van het tweede ongeval in 2008 zijn geweest?
2. Kunt u aangeven welk aandeel het eerste ongeval heeft gehad in de psychische/psychiatrische klachten van [ X ] en welk aandeel het tweede ongeval daarin heeft gehad?
3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

3.6.
De rechtbank ziet in de omstandigheid dat NN de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het eerste ongeval heeft erkend, aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van Schoutrop door NN moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door NN moeten worden betaald.

3.7.
Iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie zal worden aangehouden.

4.
De beslissing

De rechtbank,

in conventie en in reconventie:

4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 augustus 2018 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage;

4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op I augustus 2018.

Met dank aan mr. Y. Boendermaker, Boendermaker Letselschade Advocatuur voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/RBOBR-010818

 

Deze website maakt gebruik van cookies