Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBOBR 291216

RBOBR 291216

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/RBOBR-291216

zie ook: ECLI:NL:RBOBR:2016:7525

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/309826/ EX RK 16-123

Beschikking van 29 december 2016

in de zaak van

[ X ] ,
wonende te [ woonplaats ] ,
verzoekster,
hierna te noemen: '[ X ] ',
advocaat mr. Y.B. Boendermaker te Almere,

tegen

naamloze vennootschap
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster,
hierna te noemen: 'NN',
advocaat mr. C.W. Gijsbers te 's-Gravenhage.

1.
De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [ X ] ex artikel 10 19w Rv met producties,
- het verweerschrift van NN, tevens houdende zelfstandig tegenverzoek, met producties,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 27 oktober 2016.

2.
De feiten

2.1.
Op 18 juli 2005 heeft op de Rijksweg A2 een aanrijding plaatsgevonden met een Peugeot 206 en een vrachtwagen. De Peugeot werd bestuurd door [ X ] . Als gevolg van de aanrijding is [ X ] tegen de vangrail tot stilstand gekomen.

2.2.
Op 26 juli 2005 is [ X ] naar de huisarts gegaan. Zij heeft aangegeven dat zij vooral last had van vlagen van misselijkheid, braakneigingen, nekpijn en tintelende bevende, koud blijvende armen, minder kracht in de handen, uitstralende pijn in haar hals, last van haar rug, schouders, elleboog en polsen. [ X ] beeft verder aangegeven dat zij snel benauwd is, paniekerig, moe en niet geconcentreerd.

2.3.
[ X ] heeft de WAM-verzekeraar van de vrachtwagen, NN, op 1 september 2005 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van het ongeval heeft geleden.
NN heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.4.
In het kader van het schaderegelingstraject is [ X ] thuis bezocht en hebben partijen gecorrespondeerd over de voortgang van het herstel van [ X ] . Het schaderegelingsbeleid is gericht geweest op afwachten, welk beleid ook in 2007 is voortgezet.

2.5.
In december 2007 is [ X ] aangemeld voor behandeling bij Winnock.

2.6.
Op 17 januari 2008 is [ X ] wederom betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Het betrof een achterop-aanrijding, waarbij de auto van [ X ] op een auto voor haar is gebotst.

2.7.
Partijen zijn overeengekomen een psychiatrische expertise door psychiater J.L.M. Schoutrop (hierna: Schoutrop) te laten uitvoeren.
De vraagstelling zag op 1) de situatie met ongeval en 2) de situatie zonder ongeval. De vragen die Schoutrop diende te beantwoorden onder 1) luiden als volgt:
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? ( ... )
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van cliënte een beschrijving geven van:
- de medische voorgeschiedenis van cliënte op uw vakgebied;
- de medische behandeling van het letsel van cliënte en het resultaat daarvan;
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van cliënte zelf de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van cliënte op de door ti geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differientaaldiagnostische overwegingen geven?
g. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? ( ... )
h. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij cliënte in haar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
i. Acht ui de huidige toestand van cliënte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
j. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
k. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
I. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor het percentage functionele invaliditeit en beperkingen als bedoeld in vraag 1g en 1h?'

De vragen die Schoutrop diende te beantwoorden onder 2) luiden als volgt:
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval
a. Bestonden voor het ongeval bij cliënte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die cliënte thans nog steeds heeft?
b. Zo ja, kunt u dan aangeven hoeveel procent functionele invaliditeit en welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
c. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval cliënte niet was overkomen?
d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
e. Kunt ti aangeven hoeveel procent functionele invaliditeit en welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen en het percentage invaliditeit (als bedoeld in vraag 2e)'?'

2.8.
Schoutrop heeft [ X ] op 28 februari 2014 onderzocht.

2.9.
Op 1 augustus 2014 heeft Schoutrop zijn concept rapportage gestuurd aan beide medisch adviseurs van partijen, nadat [ X ] geen gebruik heeft gemaakt van haar blokkeringsrecht, De medisch adviseur van [ X ] heeft op 5 augustus 2014 gereageerd op de rapportage en geen inhoudelijk commentaar geleverd. Van de medisch adviseur van NN is geen reactie ontvangen op het conceptrapport. Het definitieve rapport is op 5 september 2014 vastgesteld (prod. 52 verzoekschrift)

2.10.
De medisch adviseur van NN, [ Y ] , heeft op 15 oktober 2014 op het definitieve rapport gereageerd.

2.11.
Een andere, opvolgend, medisch adviseur van NN, [ Z ] , heeft bij brief van 1 februari 2016 aanvullende vragen gesteld aan Schoutrop naar aanleiding van zijn rapportage van 5 september 2014. Volgens NN had Schoutrop in zijn rapportage geen aandacht besteed aan het ongeval uit 2008. De aanvullende vragen luiden als volgt:
'1. Wat waren dc gevolgen van het ongeval 1 op uw vakgebied?
2. Wat waren de gevolgen van het ongeval 2 ( ... )?
3. Kunt u aangeven hoe de gevolgen van ongeval 1 zich zouden hebben ontwikkeld indien het ongeval 2 zich niet had voorgedaan? Betrokkene werkte immers weer vanaf 0 1-11-2006.
4. Acht u de volledige arbeidsongeschiktheid welke na maart 2008 optrad (eerste WIA dag 29-03-2010) toe te schrijven aan de gevolgen van ongeval 2 respectievelijk ongeval lof spelen andere factoren hierbij mede een rol?'

2.12.
Schoutrop heeft de aanvullende vragen op 4 april 2016 beantwoord (prod. 73 verzoekschrift) .

2.13.
Bij email van 6 mei 2016 heeft NN de aanvullende vragen, de reactie hierop van Schoutrop en het medisch advies d.d. 19 april 2016, dat naar aanleiding van de reactie van Schoutrop is opgesteld, aan [ X ] toegezonden.

3.
Het verzoek

3.1.
[ X ] verzoekt de rechtbank,
- voor recht te verklaren dat de reactie van Schoutrop van 4 april 2016 bij de beoordeling van het deskundigenbericht van 5 september 2014 buiten beschouwing moet worden gelaten;
- de kosten van het deelgeschil te begroten op 6.929,23 euro, te vermeerderen met de kosten voor de voorbereiding en het bijwonen van de mondelinge behandeling, begroot op 10 uur,
en NN te veroordelen tot betaling van de kosten.

[ X ] legt het volgende, kort weergegeven, aan haar verzoek ten grondslag.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat partijen in beginsel gebonden zijn aan de inhoud van een deskundigenbericht dat op gezamenlijk verzoek is opgesteld, tenzij er zwaarwegende bezwaren zijn in te brengen tegen dat bericht. Van zwaarwegende bezwaren is geen sprake.
[ X ] heeft geen bezwaren aangevoerd tegen de wijze waarop het rapport van Schoutrop van 5 september 2014 tot stand is gekomen. NN heeft evenmin inhoudelijke bezwaren gehad, gelet op het advies van medisch adviseur [ Y ] van 14 oktober 2014 op het
definitieve rapport. Dat de medisch adviseur van oordeel is dat hij eerder over het conceptrapport had willen beschikken is een interne kwestie tussen de adviseur en NN en tast voornoemd uitgangspunt niet aan. Vervolgens heeft NN 1,5 jaar getalmd met de afwikkeling van de kwestie, Toen pas heeft NN aanleiding gezien om aanvullende vragen te stellen. [ X ] heeft zich hiertegen verzet.
Tegen het rapport van 4 april 2016 van Schoutrop zijn zwaarwegende bezwaren aan te voeren. Er is sprake van innerlijke tegenstrijdigheden tussen de rapporten van 5 september 2014 en 4 april 2016. De aanvullende vragen die zijn voorgelegd waren reeds in de vraagstelling van het rapport van 5 september 2014 opgenomen. Feitelijk is Schoutrop gevraagd twee keer hetzelfde te beantwoorden, hetgeen dus verschillend is gedaan.
Schoutrop had de medisch adviseur van [ X ] in de gelegenheid moeten stellen te reageren op de concept beantwoording, hetgeen niet gebeurd is. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet toegepast. De vragen zijn zonder medeweten van [ X ] aan Schoutrop ter beantwoording voorgelegd. Als [ X ] al had willen instemmen met het stellen van aanvullende vragen, dan had zij invloed willen uitoefenen op de redactie daarvan. In de correspondentie is telkens toegelicht dat [ X ] zich verzet tegen het stellen van aanvullende vragen en dat het rapport van 5 september 2014 definitief is. Ook uit de email van 23 februari 2016 blijkt de visie van [ X ] ten aanzien van de aanvullende vragen. Op die datum had NN alsnog Schoutrop en haar medisch adviseur moeten informeren, hetgeen niet gebeurd is.

3.2.
NN voert, kort weergegeven, het volgende verweer.
De rapporten van 5 september 2014 en 4 april 2016 zijn niet innerlijk tegenstrijdig. Het rapport van 4 april 2016 is in lijn met het eerdere rapport van 5 september 2014 en bevat geen nieuwe, tegenstrijdige visie van Schoutrop op het klachtenpatroon van [ X ] .
Er bestaan onvoldoende gronden om het rapport van Schoutrop van 4 april 2016 buiten beschouwing te laten. NN is van oordeel dat [ X ] , althans haar belangenbehartiger. op 16 december 2015 telefonisch heeft ingestemd met het stellen van aanvullende vragen aan Schoutrop.
Ook indien wordt geoordeeld dat [ X ] niet heeft ingestemd met het stellen van aanvullende vragen, is er onvoldoende reden om het rapport van Schoutrop van 4 april 2016 geheel buiten beschouwing te laten. In een dergelijk geval zou geoordeeld moeten worden dat sprake is van een eenzijdig tot stand gekomen rapport, waarvan de bewijskracht lager is dan het rapport van 5 september 2014. Ook in dat geval is het rapport van 4 april 2016 bruikbaar bij de beoordeling/interpretatie van het op vraag I f gegeven antwoord.
De belangen van [ X ] zijn niet geschaad. NN daarentegen is wel in haar belangen geschaad. Zo was er geen overeenstemming bereikt over de vraagstelling aan Schoutrop voorafgaande aan het uitbrengen van het rapport van 5 september 2014 en heeft NN niet de mogelijkheid gehad om opmerkingen te maken ten aanzien van het conceptrapport van Schoutrop. dan wel om aan Schoutrop aanvullende vragen te stellen.
Om het geschil tussen partijen op te lossen zal het stellen van aanvullende vragen aan Schoutrop noodzakelijk zijn.

4.
Het tegenverzoek

4.1.
NN verzoekt de rechtbank, kort weergegeven,
Primair, de vordering tot verklaring voor recht af te wijzen, nu er geen reden is om het rapport van 4 april 2016 buiten beschouwing te laten, en voor recht te verklaren dat de rapporten van Schoutrop niet tegenstrijdig zijn, en de in het antwoord op vraag t f
opgenomen jaartallen met elkaar verwisseld zijn;
Subsidiair, te bepalen dat aanvullende vragen aan Schoutrop dienen te worden gesteld omtrent de in beide rapporten opgenomen conclusies en bevindingen;
Meer subsidiair - in het geval geoordeeld wordt dat het rapport van 4 april 2016 wél buiten beschouwing dient te worden gelaten - te bepalen dat aanvullende vragen aan Schoutrop dienen te worden gesteld ten aanzien van de uitleg/interpretatie van het door Schoutrop gegeven antwoord op vraag lf in het rapport van 5 september 2014;
Nog meer subsidiair, voor recht te verklaren dat sprake is van zwaarwegende bezwaren waardoor het rapport van 5 september 2014 buiten beschouwing dient te worden gelaten.

NN legt het volgende, kort weergegeven, aan haar tegenverzoek ten grondslag.
Het rapport van 4 april 2016 van Schoutrop is niet tegenstrijdig met zijn eerdere rapport van 5 september 2014. Het rapport van 4 april 2016 verduidelijkt de inhoud van het rapport van 5 september 2014 waardoor er geen reden is om het rapport van 4 april 2016 buiten beschouwing te laten. De in het rapport van 4 april 2016 opgenomen bevindingen en conclusies zijn geheel in lijn met de in het rapport van 5 september 2014 opgenomen bevindingen. Enkel het gegeven antwoord op vraag 1f in het rapport van 5 september 2014 is niet in lijn met de in beide rapporten opgenomen conclusies en bevindingen. Het lijkt er op dat sprake is van een verschrijving van de jaartallen in het antwoord op vraag 1f Het geschil tussen partijen kan eenvoudig worden opgelost met het stellen van aanvullende vragen aan Schoutrop.
Mocht worden geoordeeld dat het rapport van 4 april 2016 buiten beschouwing dient te worden gelaten, en er geen ruimte is om aanvullende vragen te stellen, dan dient het rapport van 5 september 2014 buiten beschouwing te worden gelaten aangezien er aan de zijde van [ X ] in strijd is gehandeld met de redelijkheid en billijkheid, het rapport niet voldoet aan de minimumvereisten en er inhoudelijke bezwaren zijn tegen het rapport.

4.2.
[ X ] voert verweer.

5.
De beoordeling

Het verzoek van [ X ]

5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de beoordeling van de gevolgen van het ongeval in 2005 op psychiatrisch gebied een psychiatrische expertise kennelijk noodzakelijk was en dat partijen psychiater Schoutrop hebben verzocht om [ X ] te onderzoeken.
Hetgeen in dit geschil ter discussie staat is in feite de status van het expertiserapport van psychiater Schoutrop van 5 september 2014 en van de aanvullende rapportage van 4 april 2016.
[ X ] grondt haar verzoek op de stelling dat het rapport van Schouten van 5 september 2014, welk rapport op verzoek van beide partijen is uitgebracht, bindend is tussen partijen en voor de beoordeling van de medische causaliteit als leidend moet worden geacht. Dit standpunt kan niet zonder meer worden gevolgd. De rechterbank neemt tot uitgangspunt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan het deskundigenbericht, tenzij zwaarwegende - en vanzelfsprekend steekhoudende - bezwaren tegen het rapport nopen tot een andere conclusie. Van zwaarwegende bezwaren is onder andere sprake indien het bericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. De rechtbank stelt vast dat de inhoud het deskundigenbericht van 5 september 2014 niet consistent is. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

5.2.
Op de vraag 1f (Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overwegingen geven?) heeft psychiater Schouten in zijn rapport van 5 september 2014 (pagina 24) het volgende antwoord gegeven:
'Sinds de kindertijd heeft betrokkene moeite gehad in sociale situaties. Dankzij veel doorzettingsvermogen en haar intelligentie heeft zij maatschappelijk kunnen functioneren, zij het met beperkingen. Het ongeval in 2005 is een belastende en daarmee luxerende factor geweest bij het toenemen en escaleren van de al daarvoor bestaande problematiek. Dit geldt ook hoogstwaarschijnlijk (maar in mindere mate) voor het ongeval in 2008. Op dit moment is er sprake van complexe psychiatrische problematiek, die geleid heeft tot sociaal/maatschappelijk slecht functioneren. In de termen van de DSM-lV is er sprake van de volgende diagnosen: ( ... ) Sociale fobie (sociale angststoornis), ( ... ) Gegeneraliseerde angststoornis. ( ... ) conversiestoornis, ( ... ) Ontwijkende persoonlijkheidsstoonis, ( ... ) Er is sprake van invaliderende lichamelijke klachten (motorische, sensorische en neurocognitief), waarvoor echter geen somatische/neurologische oorzaak is gevonden, ( ... ) Er is een aantal psychosociale stressfactoren: - problemen gebonden aan de sociale omgeving (beperkingen in sociaal functioneren) - werkproblemen. ernstige beperkingen in bet sociaal/maatschappelijk functioneren. Mijn differentiaaldiagnostische overwegingen zijn opgenomen in het gedeelte Overwegingen en conclusies. Voor een toelichting verwijs ik naar dat gedeelte van dit rapport.'
Dit antwoord is niet geheel in lijn met andere passages in het rapport. Zo schrijft psychiater Schoutrop onder het kopje 'Overwegingen en conclusies' op pagina 20 van het rapport dat uit het medisch dossier blijkt dat er na het eerste ongeval sprake was van een aantal klachten op lichamelijk gebied en dat in het medisch dossier tot aan het tweede ongeval in 2008 slechts summier melding is gemaakt van psychische klachten. Ten aanzien van het tweede ongeval in 2008 meldt de psychiater het volgende:
'In het dossier (zie het stuk d.d. 09-03-2009) staat beschreven dat betrokkene heeft aangegeven dat zij op het moment van het tweede ongeval lichamelijk en geestelijk volledig uitgeput was naar aanleiding van onder andere een te hoge werkdruk. Naast een grote hoeveelheid opdrachten volgde zij naast haat werk een opleiding. Door het ongeval werd een negatieve spiraal ontketend die de al bestaande angsten deden toenemen en die tot stemmingsproblemen hebben geleid.
In januari 2008 (na het tweede ongeval) startte-de behandeling bij Winnock. ( ... ) Tijdens de behandeling bij Winnock werd al snel duidelijk dat er psychische klachten waren. Deze klachten zijn in loop van de behandeling alleen maar toegenomen' .
Verder vermeldt Schoutrop onder het kopje 'Overwegingen en conclusies' dat er in 2013 een neuropsychologisch onderzoek is verricht naar aanleiding van door [ X ] aangegeven cognitieve problemen, dat er geen cognitieve stoornissen en/of cognitief verval is
geconstateerd, en dat de onderzoekers van mening zijn dat het doorgemaakte ongeluk in 2005 een luxerende factor is geweest bij al bestaande psychologische problematiek.
Onder het kopje 'Conclusies' op p. 21 van de rapportage concludeert Schouten vervolgens onder meer het volgende:
'In eerste instantie stond na het ongeval in 2005 vooral lichamelijke problematiek centraal. In hel medisch dossier wordt gesproken over angstklachten bij het autorijden, maar verder worden er nauwelijks psychische klachten beschreven. Betrokkene geeft tijdens de anamnese aan dat ze ernstigere psychische klachten had, maar dat ze deze voor haar omgeving verborgen heeft gehouden en er nooit aandacht voor heeft gevraagd. Ze heeft min of meer door kunnen werken, hoewel dat haar veel energie kostte. Ik kan niet uitsluiten dat dit zo was, maar uit de anamnese en uit het medisch dossier blijkt al dat de klachten op mijn vakgebied na het tweede ongeval in 200S qua aard en ernst duidelijk zijn veranderd.'

5.3.
Zoals blijkt uit het gegeven antwoord op vraag 1 d constateert de psycholoog ook dat er een discrepantie is tussen informatie verkregen van de patiënt en de feiten uit het medisch dossier aangezien [ X ] met betrekking tot de periode 2005-2008 stelt dat zij in die tijd forse psychische klachten heeft ondervonden, terwijl in het medisch dossier slechts summiere aanwijzingen zijn voor problematiek op het vakgebied van Schoutrop. Schoutrop heeft verder geen inhoudelijk oordeel gegeven over deze geconstateerde inconsistentie en daar geen consequenties aan verbonden.

5.4.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de beantwoording van de vraagstelling, niet geheel in lijn is met de bevindingen en conclusies, zoals omschreven in het rapport uit 2014, en vragen oproept. Het rapport is voor partijen om die reden niet zonder meer bindend. In het licht van de geconstateerde inconsistenties bezien, is het niet onbegrijpelijk dat NN nadere vragen wilde stellen aan Schoutrop. Niet in geschil is dat NN daartoe is overgegaan. Tevens staat vast dat [ X ] pas in mei 2016 in kennis is gesteld van de aanvullende vragen die door NN zijn gesteld aan Schoutrop en de aanvullende rapportage van 4 april 2016 toegestuurd heeft gekregen. De rechtbank volgt [ X ] in haar standpunt dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om te reageren op de concept-rapportage en dat zij geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de vraagstelling. De omstandigheid dat de aanvullende rapportage is opgesteld zonder voldoende medewerking van [ X ] , brengt naar het oordeel van de rechtbank echter niet mee dat deze rapportage geheel buiten beschouwing moet worden gelaten en dat geen enkele waarde aan de inhoud van de rapportage gehecht kan worden.
Daarom kan het verzoek van [ X ] niet worden toegewezen.

5.5.
[ X ] begroot de kosten voor het deelgeschil op € 6.929,23 incl. btw en kantoorkosten. Dit bedrag hangt samen met 22,18 gedeclareerde uren tegen een tarief van€ 240,- per uur, (vermeerderd met 7% kantoorkosten en 21% btw). De gedeclareerde uren
betreffen de uren voor het bestuderen van het dossier, het opstellen van het verzoekschrift en het communiceren van het verzoekschrift met alle betrokkenen.
Daarnaast maakt [ X ] nog aanspraak op de kosten die nadien zijn gemaakt, zoals de kosten die samenhangen met de voorbereiding van en het bijwonen van de mondelinge behandeling. [ X ] komt, zoals ter zitting ook toegelicht, tot een begroting van 10 uur.
NN heeft verweer gevoerd tegen het aantal gevorderde uren.

5.6.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het gehanteerde uurtarief acht de rechtbank niet ongebruikelijk of onredelijk.
De uren die advocaat van [ X ] aan dit deelgeschil heeft besteed - de hiervoor genoemde 22,18 uren - komen de rechtbank bovenmatig voor, in die zin dat er zal worden gematigd tot 20 uur. Deze kosten worden, conform de opgaaf van [ X ] , begroot op een bedrag van€ 6.214,56 incl. btw en kantoorkosten. De overige 10 uur voor de voorbereiding van de mondelinge behandeling acht de rechtbank verdedigbaar en niet onredelijk. Dil komt neer op een bedrag van € 3.107,28 incl. btw en kantoorkosten.
De rechtbank zal de kosten van het deelgeschil aldus begroten op een totaalbedrag€ 9.321,84 incl. btw en kantoorkosten. NN zal, nu zij aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, worden veroordeeld tot betaling van deze kosten van het deelgeschil.
Dat het verzoek van [ X ] is afgewezen, maakt het voorgaande niet anders.

Het tegenverzoek van NN

5.7.
NN stoelt het primair verzoek, kort gezegd, op het standpunt dat de rapporten van psychiater Schoutrop van 5 september 2014 en 4 april 2016 niet tegenstrijdig zijn en enkel jaartallen zijn verwisseld in de beantwoording van vraag 1 f. Dit verzoek dient te worden afgewezen, nu van tegenstrijdigheid wel degelijk sprake lijkt te zijn. Dat die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid samenhangt met de enkele verwisseling van jaartallen kan op grond van de inhoud van de rapporten niet zonder meer worden geconcludeerd.
In de aanvullende rapportage van 4 april 2016 is de psychiater ingegaan op de gevolgen van beide ongevallen in 2005 en 2008. De psychiater concludeert dat er geen sprake was van een psychiatrische ziekte of ernstige psychiatrische problematiek naar aanleiding van ongeval 1 en dat pas na ongeval 2 klachten op zijn vakgebied zijn ontstaan. Aansluitend hierop vermeldt de psychiater dat bij de beantwoording van de vraag of alle klachten en problemen op zijn vakgebied alleen maar het gevolg waren van ongeval twee, lastig te beantwoorden is.
Aangegeven wordt dat ongeval 2 een luxerend moment is geweest voor het ontstaan van de klachten en dat het ongeval het slot was van een reeks gebeurtenissen, die het evenwicht tussen belasting/belastbaarheid hebben verstoord.
Op de vraag 3 ('Kunt u aangeven hoe de gevolgen van ongeval 1 zich zouden hebben ontwikkeld indien het ongeval 2 zich niet had voorgedaan? Betrokkene werkte immers weer vanaf 01-1 1-2006') beeft de psychiater in zijn rapportage het volgende antwoord gegeven:
'Indien ongeval 2 zich niet zou hebben voorgedaan, acht ik het niet erg waarschijnlijk dat betrokkene het huidige klachtenpatroon zou hebben ontwikkeld. Zoals blijkt uit de beantwoording van vraag 1 ga ik er niet vanuit dat betrokkene op het moment dat ongeval 2 plaatsvond psychiatrische problemen had als gevolg van het eerste ongeval.'
Met verwijzing naar het voorgaande, concludeert de rechtbank dat de aanvullende rapportage van 4 april 2016 inhoudelijk consistent is voor wat betreft de beoordeling van de gevolgen van het ongeval in 2005 op psychiatrisch gebied. Dit geldt evenwel niet voor het rapport van 5 september 2014. Zoals reeds hiervoor overwogen, is het rapport van 5 september 2014 voor wat betreft de inhoud niet consistent. Het standpunt van NN dat beide rapporten inhoudelijk niet tegenstrijdig zijn, kan aldus niet worden gevolgd. Reeds hierom dient het verzoek van NN te worden afgewezen.

5.8.
Ook de subsidiair en meer subsidiaire verzoeken die zien het op stellen van aanvullende vragen aan Schoutrop dienen te worden afgewezen. Hoewel het begrijpelijk is dat NN aanvullende vragen wenst te stellen aan Schoutrop om duidelijkheid te verkrijgen, oordeelt de rechtbank dat een deelgeschil zich daar niet voor leent. Ten overvloede geeft de rechtbank partijen nog het volgende mee. De rechtbank wijst partijen erop dat zij in geschil zijn over de medische causaliteit en dat zij gezamenlijk vragen aan Schoutrop of aan een andere deskundige zouden kunnen voorleggen om de impasse, waarin partijen zich thans bevinden, te beëindigen.

5.9.
NN verzoekt nog meer subsidiair voor recht te verklaren dat sprake is van zwaarwegende bezwaren en dat het rapport van Schoutrop van 5 september 2014 buiten beschouwing dient te worden gelaten. NN voert een aantal omstandigheden aan op grond waarvan zij meent dat het rapport geheel buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. De rechtbank heeft ten aanzien van het eerste rapport uit 2014 reeds geoordeeld dat het rapport, gezien de inconsistentie, niet geacht kan worden zonder meer bindend te zijn tussen partijen. Dit brengt evenwel niet mee dat geen enkele waarde aan de inhoud van dit rapport kan worden gehecht. Ook de omstandigheid dat partijen geen overeenstemming hadden bereikt over de vraagstelling aan de deskundige en dat [ X ] NN niet tijdig/volledig zou hebben geïnformeerd over het tweede ongeval, zoals gesteld door NN, - wat hier verder ook van zij - leidt niet zonder meer tot de conclusie dat het rapport geheel buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Ook dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.10.
De conclusie van het voorgaande is dat alle tegenverzoeken van NN worden afgewezen.

6.
De beslissing

De rechtbank

6.1.
wijst het verzoek van [ X ] af;

6.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [ X ] op € 9.321,84,

en veroordeelt NN tot betaling van dit bedrag aan [ X ] en wijst het meer of anders verzochte af;

6.3.
wijst de verzoeken van NN af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2016.


Met dank aan mr. Y. Boendermaker, Boendermaker Letselschade Advocatuur voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/RBOBR-291216

Deze website maakt gebruik van cookies