Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBOVE 130520

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/RBOVE-130520

Voor locatie ongeval zieGoogle Maps

vonnis

RECHTBANK OVER1JSSEL
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer. C/08/236700! HA ZA 19-395

Vonnis van 13 mei 2020

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap
UNIGARANT N.V.,
gevestigd te Hoogeveen,
2. [ eiser ] ,
wonende te [ woonplaats ] .
eisers,
advocaat mr. D.D. Markvoort te Hoogeveen,

tegen

[ gedaagde ] ,
wonende te [ woonplaats ] ,
gedaagde,
advocaat mr. N.M. Dekker te Eibergen.

Partijen zullen hierna Unigarant c.s. en [ gedaagde ] genoemd worden.

1.
De procedure

l.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- het e-mailbericht van mr. Markvoort Van 5 november 2019
- het e-mailbericht van de griffier van 6 november 2019
- het e-mailbericht van mr. Dekker van 6 november 2019
- het e-mailbericht van mr. Markvoort van 7 november 20 t 9
- het e-mailbericht van de griffier van 7 november 2019
- de brief van mr. Markvoort van 16 december 2019
- de brief van mr. Dekker van 18 december 2019
- de conclusie van repliek
- het e-mailbericht van de griffier van 20 december 20 I 9
- de conclusie van dupliek, tevens akte in het geding brengen van een productie
- de akte uitlating producties van de zijde van Unigarant c.s.
- de akte in het geding brengen van producties van de zijde van [ gedaagde ]
- de akte uitlating producties van de zijde van Unigarant c.s.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.
De feiten

2.1.
Op 30 mei 2018 reed [ eiser ] met zijn Kia Rio. kenteken [ kenteken ] . op de Pastoor Wienholtsstraat in Haaksbergen. Toen [ eiser ] de Sterkerstraat naderde, kwam voor hem van rechts [ gedaagde ] vanuit de Sterkerstraat op zijn wielrenfiets aangereden. Op het moment dat [ gedaagde ] de auto van [ eiser ] zag, is hij vol in de remmen gegaan. Hij is daarbij (schuin) achter de auto van [ eiser ] ten val en op de grond terecht gekomen. Hij heeft daarbij (onder meer) aangezichtsletsel en een gebroken schouder opgelopen.

2.2.
De kruising Pastoor Wienholtsstraat/Sterkerstraat ligt binnen een 30-kilometer zone in een woonwijk in Haaksbergen. Het is, mede door bosschages, een onoverzichtelijke kruising. Daar waar de Sterkerstraat. waar [ gedaagde ] reed, de Pastoor Wienholtsstraat kruist, is deze straat smal en alleen bestemd voor ongemotoriseerd verkeer en bestemmingsverkeer.

2.3.
De auto van [ eiser ] was verzekerd op een ANWB-polis. Deze verzekering werd aangeboden door Unigarant.

2.4.
[ eiser ] was ten tijde van het ongeval 92 jaar oud.

2.5.
De politie heeft naar aanleiding van het ongeval een proces-verbaal opgemaakt.
Daarin staat onder meer:
"( ... )
Toedracht
Fietser [ gedaagde ] kwam met zijn wielrennersfiets vanuit de Sterkerstraat en reed in de richting van de Pastoor Wienholtsstraat. Op de kruising is hij kennelijk geschrokken van een van links over de kruising passerende auto, bestuurd door [ eiser ] . Betrokkene [ gedaagde ] heeft kennelijk hard geremd en is daarbij gevallen. Hij heeft het voertuig, dat over de kruising was gereden volgens rapporteurs niet geraakt. Hij is achter deze auto gevallen.
Verbalisant heeft op geen van beide voertuigen sporen gezien, die erop wijzen, dat ze elkaar geraakt hebben.

Bestuurder [ eiser ] die al op leeftijd is, verklaarde de kruising rustig te zijn over gereden.
Hoe snel de wielrenner heeft gereden is niet bekend.

De fietser verklaarde op 7 juni dat hij de auto wel aan de zijkant had geraakt en daarna gevallen is.

Bestuurder [ eiser ] is gestopt omdat hij de fietser zag/hoorde vallen. Of hij partij is aan deze aanrijding valt ernstig te betwijfelen.

Tevens dient vermeld te worden, dat het een onoverzichtelijke kruising is met veel struiken die het uitzicht belemmeren."

2.6.
Unigarant heeft aansprakelijkheid erkend tot een percentage van 50%. Omdat [ gedaagde ] daarmee niet akkoord ging, heeft hij bij deze rechtbank een deelgeschil jegens Unigarant c.s. aanhangig gemaakt. Unigarant c.s. heeft in die procedure verstek laten gaan.

Bij beschikking van 29 mei 2019 heeft de rechtbank bepaald dat [ eiser ] als eigenaar van de Kia Rio volledig aansprakelijk is door de door [ gedaagde ] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het hem op 30 mei 2018 overkomen ongeval en dat hij die schade dient te voldoen. alsmede dat Unigarant op grond van artikel 6 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) gehouden is de ten gevolge van het ongeval op 30 mei 2018 door [ gedaagde ] geleden en nog te lijden schade te vergoeden, des dat de één betalende de ander zal zijn gevrijwaard, met begroting van de kosten ex artikel 1019aa lid I van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op € 3.469,52 inclusief BTW. Daartoe is het volgende overwogen:
"( ... )
3.4.
[ gedaagde ] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij ten gevolge van hel ongeval dat op 30 mei 2018 heeft plaatsgevonden tussen hem op zijn fiets en [ eiser ] met zijn auto ( ... ) ernstig letsel heeft opgelopen. [ gedaagde ] [lees: [ eiser ] ] heeft hem geen voorrang verleend. daar waar dat wel had gemoeten. Daardoor is er een botsing ontstaan [ gedaagde ] heeft ernstige verwondingen aan zijn gezicht en een gebroken schouder opgelopen. De politie heeft proces-verbaal opgemaakt van het ongeval. ( .. ) [ gedaagde ] is in overleg getreden met Unigarant. Unigarant heeft schriftelijk bevestigd dat er geen sprake is van overmacht. Unigarant heeft aangeven 50% van de schade te willen vergoeden omdat, volgens Unigarant. [ gedaagde ] zijn fiets niet goed onder controle had en niet met aangepaste snelheid het kruispunt was genaderd. Met een vergoeding van 50% van de schade kan [ gedaagde ] niet akkoord gaan. Er is geen sprake van eigen schuld aan de zijde van [ gedaagde ] . Indien en voor zover daarvan wel sprake zou zijn, dan zorgt de billijkheidscorrectie ervoor dat de vergoedingsplicht van Unigarant alsnog op 100% dient te worden gezet. [ eiser ] heeft een verkeersfout gemaakt en dient op grond van artikel 185 WVW de door [ gedaagde ] ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden schade te vergoeden.
Unigarant is. als verzekeraar. op grond van artikel 6 WAM gehouden de schade van [ gedaagde ] aan [ gedaagde ] te vergoeden. aldus [ gedaagde ] .

3.5.
[ eiser ] en Unigarant hebben tegen het verzoek van [ gedaagde ] geen verweer gevoerd. Dat betekent dat hetgeen [ gedaagde ] in deze procedure ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht. als vaststaand tussen partijen moet worden aangenomen.
( ... )
"

2.7.
Unigarant heeft J.L.M. Meuwissen, van Meuwissen Verkeers Ongevallen Analyse, onderzoek laten doen naar onder meer de vraag of er aanleiding is om te veronderstellen dat [ gedaagde ] de auto van [ eiser ] heeft geraakt en of een reconstructie kan worden gemaakt van de opmaat naar het ongeval, gebaseerd op de plaats waar [ gedaagde ] terecht is gekomen na zijn val. Op pagina 13 van zijn rapport van 13 november 20 I 9 heeft Meuwissen inzichtelijk gemaakt wat de posities van [ gedaagde ] en [ eiser ] geweest kunnen zijn uitgaande van de gevraagde snelheidsvarianten. Hij heeft tevens geschreven dat hij op basis van de hem voorliggende informatie vanuit technische zin geen uitspraak kan doen over de vraag of er nu wel of geen contact is geweest tussen de fiets van [ gedaagde ] en de auto van [ eiser ] .

2.8.
[ eiser ] heeft tegenover J.L.M. Meuwissen onder meer verklaard:
"( ... )
Ik reed met ongeveer 20 km/h aan de linkerkant van de weg omdat rechts auto 's geparkeerd stonden.

Omdat ik door goed bekend ben rijd ik heel rustig omdat ik voor mij moet kijken of er mogelijk een plek. rechtsvrij is om tussen te krulpen als er een tegenligger aankomt. Ik passeerde het eerste deel van de Sterkerstraat en zag daar niks aankomen. Daarna wordt het zicht belemmerd naar rechts door struiken en bomen. Daarna komt het tweede deel van de Sterkerstraat die bij de kruising versmald is zodat daar de snelheid geminderd moet worden voor hel verkeer wat daar vandaan komt. ( ... ) "

3.
Het geschil

3.1.
Unigarant c.s. vordert na wijziging van eis - samengevat - dat de rechtbank de beschikking van 29 mei 2019 heroverweegt en, opnieuw recht doende:
primair, verklaart voor recht dat de vergoedingsplicht van Unigarant c.s. op basis van artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) wordt bepaald op 50% van de schade van [ gedaagde ] ;
subsidiair, verklaart voor recht dat Unigarant c.s. op basis van artikel 185 WVW gehouden is om de schade van [ gedaagde ] te vergoeden, met inachtneming van een percentage eigen schuld van [ eiser ] [bedoeld zal zijn: [ gedaagde ] . toevoeging rechtbank], door de rechtbank in goede justitie vast te stellen;
primair en subsidiair, in het vonnis opneemt dat Unigarant de proceskosten van [ gedaagde ] ten bedrage van € 2.033,96 vergoedt.
Unigarant c.s. heeft ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten van [ gedaagde ] opgemerkt dat zij sinds de uitspraak in het deelgeschil de kosten buiten rechte voor 100% heeft vergoed en dat zij het bedrag van € 2.033,96 inmiddels heeft betaald. Unigarant c.s. heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de fiets van [ gedaagde ] en de auto van [ eiser ] elkaar niet hebben geraakt, dat [ gedaagde ] de kruising met een, gegeven de plaatselijke omstandigheden, te hoge snelheid is opgereden en dat hij zijn fiets onvoldoende onder controle had.

3.2.
[ gedaagde ] voert verweer.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.
De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van het geschil voorop dat zij bij beschikking van 29 mei 2019 in het deelgeschil de vergoedingsplicht van Unigarant c.s. op 100% heeft vastgesteld. Ingevolge artikel 1019cc, eerste lid Rv is, voor zover in de deelbeschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. de rechter daar in de procedure ten principale op dezelfde wijze aan gebonden als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure. Indien de beschikking tevens een veroordeling van een der partijen inhoudt, komt aan die veroordeling in de procedure ten principale geen verder- gaande betekenis toe dan wanneer zij zou zijn opgenomen in een tussen partijen gewezen vonnis in kort geding (1019cc, tweede lid Rv). Nu in de deelbeschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is bepaald dat de vergoedingsplicht van Unigarant 100% is, is de rechtbank aan die beslissing op dezelfde wijze gebonden als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in deze procedure. Ter zake is de leer van de bindende eindbeslissing van toepassing.

4.2.
De leer van de bindende eindbeslissing houdt in dat de rechter in beginsel in dezelfde instantie niet meer kan terugkomen van door hem gegeven eindbeslissingen. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter. aan w ie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven. maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om na partijen de gelegenheid te hebben geboden zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing. om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag als de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van één of meer gedingstukken, welke lezing. bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.

4.3.
In de kern ligt derhalve de vraag voor of de beslissing van de rechtbank in haar deelbeschikking dat Unigarant c.s. volledig aansprakelijk is voor de schade van [ gedaagde ] als gevolg van het ongeval van 30 mei 2018, berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Ter zake overweegt de rechtbank als volgt.

4.4.
In artikel 185, eerste lid WVW is bepaald:
"Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig of - indien er een houder van het motorrijtuig is - de houder verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is."

4.5.
Niet ter discussie staat dat artikel 185 WVW hier van toepassing is. Op grond van artikel 185, eerste lid WVW en/juncto artikel 6, eerste lid WAM zijn [ eiser ] en Unigarant - als verzekeraar van diens auto - aansprakelijk voor de schade van [ gedaagde ] , tenzij sprake was van overmacht bij [ eiser ] . Unigarant c.s. beroept zich niet op deze tenzij-regel. Van overmacht is geen sprake.

4.6.
Unigarant c.s. dient op grond van de in de jurisprudentie aanvaarde zogenaamde 50%-regel op billijkheidsgronden ten minste 50% van de schade van [ gedaagde ] te vergoeden, wegens de verwezenlijking van het aan motorrijtuigen verbonden gevaar ("Betriebsgefahr'). De zwakke positie van de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer [ gedaagde ] zit in deze 50 reeds verdisconteerd.

4.7.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of er reden is om af te wijken van de 50%-regel, omdat de schade voor meer dan 50% het gevolg is van omstandigheden die aan [ eiser ] moeten worden toegerekend; de wederzijdse causaliteit. Daarna dient de rechtbank nog te beoordelen of de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval een andere verdeling eist dan de maatstaf van de wederzijdse causaliteit; de zogenoemde billijkheidscorrectie.

4.8.
Artikel 6-101,eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een regeling voor het geval dat door een persoon (gelaedeerde) geleden schade niet slechts het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is te houden. maar ook is veroorzaakt door een gebeurtenis. die aan de gelaedeerde zelf is toe te rekenen. Voor het oorzakelijke verband tussen deze laatste gebeurtenis en de schade is ten minste vereist dat de schade zonder die gedraging hetzij in het geheel niet zou zijn ingetreden, hetzij lager zou zijn uitgevallen dan in werkelijkheid is geleden. Daarbij speelt ook artikel 6:98 BW een rol bij de bepaling van het causaal verband. Bij de aan de gelaedeerde toe te rekenen gebeurtenissen gaat het niet slechts om door de gelaedeerde zelf gemaakte fouten, maar ook om omstandigheden die volgens de wet en/of de verkeersopvatting voor zijn/haar risico komen. In genoemd geval wordt de schade over beide personen verdeeld in eerste instantie naar rato van de mate waarin de aan ieder van de betrokken partijen toe te rekenen omstandigheden aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Het gaat om een afweging van causaliteit, welke afweging in geval van een uit een aanrijding bestaand verkeersongeval neerkomt op het bepalen van de mate van waarschijnlijkheid dat de omstandigheden aan weerszijden aan het ontstaan van de geleden schade hebben bijgedragen. De verwijtbaarheid van gedragingen aan weerszijden blijft in dit stadium van de verdeling van de schade last buiten beschouwing. Zij kan een rol spelen bij de in tweede instantie te beantwoorden vraag of de ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden, bijvoorbeeld de ernst van het letsel, het billijk doen zijn dat de schade, in afwijking van de verdeling van de schadelast op basis van de causaliteitsafweging, anders wordt verdeeld dan wel dat de vergoedingsplicht geheel vervalt of juist geheel in stand blijft (de billijkheidscorrectie).
Het is aan Unigarant c.s. te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat er aan de zijde van [ gedaagde ] sprake is geweest van gedragingen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Unigarant heeft in dat kader gesteld dat de fiets van [ gedaagde ] en de auto van [ eiser ] elkaar niet hebben geraakt, dat [ gedaagde ] de kruising met een, gegeven de plaatselijke omstandigheden, te hoge snelheid is opgereden en dat hij zijn fiets onvoldoende onder controle had.

4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [ eiser ] de voor hem van rechts komende [ gedaagde ] op de gelijkwaardige kruising Pastoor Wienholtsstraat/Sterkerstraat te Haaksbergen voorrang had moeten verlenen. Voorrang verlenen wil zeggen dat [ eiser ] [ gedaagde ] in staat had moeten stellen zijn weg ongehinderd te vervolgen. Dat heeft [ eiser ] niet gedaan. [ gedaagde ] moest immers, zo is wel vast komen te staan, vol in de remmen om de auto van [ eiser ] te ontwijken. Of de fiets van [ gedaagde ] de auto van [ eiser ] heeft geraakt, is niet van belang bij de beantwoording van de vraag of [ eiser ] al dan niet voorrang heeft verleend: voldoende is dat [ gedaagde ] zijn weg als gevolg van het handelen van [ eiser ] niet ongehinderd kon vervolgen. Aldus heeft [ eiser ] een verkeersfout gemaakt. Op grond van de verklaring van [ eiser ] is aannemelijk dat hij meer oog had voor de mogelijkheden om na de kruising aan de rechterzijde van de weg een uitwijkmogelijkheid te vinden dan voor het verkeer van rechts.

4.10.
Ten aanzien van de vraag of er sprake is van eigen schuld aan de kant van [ gedaagde ] overweegt de rechtbank als volgt. Unigarant c.s. omschrijft niet nader wat zij bedoelt met de zinssnede dat [ gedaagde ] zijn fiets onvoldoende onder controle had: een fiets heeft geen eigen energie.

Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat Unigarant c.s. bedoeld dat [ gedaagde ] met een zodanige snelheid te kruising is opgereden dat hij niet in staat was tijdig te remmen zonder daarbij te vallen.

4.11.
Op basis van de verklaring van [ gedaagde ] zelf en de heer [ X ] . bewoner van de Sterkerstraat [ nummer ] , die [ gedaagde ] vlak voor het ongeval door de straat heeft zien fietsen, moet worden aangenomen dat [ gedaagde ] reed met een snelheid van niet meer dan 20 km/u. Dat is, gelet op de situatie ter plaatse en het feit dat hij op een voorrangsweg reed, naar het oordeel van de rechtbank niet een te hoge snelheid. Andere gedragingen van [ gedaagde ] die aanleiding zouden kunnen geven tot het oordeel dat er sprake is van eigen schuld aan zijn zijde, zijn niet door Unigarant c.s. naar voren gebracht.

4.12.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat Unigarant c.s. niet aannemelijk heeft gemaakt dat [ gedaagde ] enig verwijt treft ter zake van het ongeval. Op grond daarvan is de conclusie dat Unigarant c.s. niet heeft onderbouwd dat de deelbeschikking van 29 mei 2019 berust op een ondeugdelijke feitelijke of juridische grondslag. De vorderingen van Unigarant c.s. zullen daarom worden afgewezen.

4.13.
Als de in het ongelijk gestelde partij dient Unigarant de kosten van het geding te dragen. Deze kosten aan de zijde van [ gedaagde ] bedragen € 297,- aan griffierecht. Wat betreft de verdere kosten heeft [ gedaagde ] bij conclusie van antwoord gesteld dat de kosten van zijn advocaat € 2.033,96 bedragen, te vermeerderen met een resultaatsafhankelijke beloning, inhoudende de vermenigvuldiging van het uurtarief van mr. Dekker met 1,75, omdat [ gedaagde ] de kosten niet kan voorschieten. Bij conclusie van dupliek heeft [ gedaagde ] gesteld dat de kosten inmiddels zijn opgelopen tot € 8.092,59, inclusief het reeds betaalde bedrag van € 2.033,96. Unigarant heeft daarop verklaard bereid te zijn de met de conclusie van dupliek gemoeide kosten te vergoeden, maar heeft gesteld dat geen sprake kan zijn van vergoeding van de resultaatsafhankelijke beloning, omdat Unigarant de kosten betaalt, en dat de kosten niet adequaat zijn verantwoord. De rechtbank is van oordeel dat [ gedaagde ] zijn kosten voldoende heeft onderbouwd, maar dat de resultaatsafhankelijke beloning niet door Unigarant hoeft te worden voldaan, omdat Unigarant de kosten in feite "voorschiet". De nog door Unigarant te vergoeden kosten belopen dan (zie ook productie 12 van [ gedaagde ] ) een bedrag van € 896,61 min € 297,- (griffierecht) plus € 1.821,05 plus € 896,61 plus € 1.821,05 is € 5.138,32, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten als na te melden.

5.
De beslissing

De rechtbank

5.1 .
wijst de vordering af:

5.2.
veroordeelt Unigarant in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [ gedaagde ] begroot op € 297,- aan griffierecht en € 5.138,32 aan salaris van zijn advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de vijftiende dag na datum vonnis tot de dag der algehele voldoening, en met de nakosten ad € 157,- en, als Unigarant niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis voldoet, vermeerderd met € 82,- ingeval van betekening van de uitspraak;

5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. KJ. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2020.


Met dank aan mevrouw mr. N. Dekker, Lefers Advocaten https://www.lefers-advocaten.nl/ voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/RBOVE-130520

Deze website maakt gebruik van cookies