Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Almelo 051108 verjaring na erfverharding met asbest, gezichtspunten a t/m g; dagvaarding te laat

Rb Almelo 051108 verjaring na erfverharding met asbest, gezichtspunten a t/m g; dagvaarding te laat
16. Van de meest vergaande strekking is het verweer van Eternit dat de vordering van X verjaard is.

17. In het arrest van 28 april 2000 NJ 2000,430 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat aan de absolute en objectieve verjaringstermijn van, in casu, dertig jaren strikt de hand moet worden gehouden, zulks in verband met het door die verjaringstermijn gediende beginsel van rechtszekerheid, tenzij dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, waarbij van onaanvaardbaarheid slechts sprake zal kunnen zijn in uitzonderlijke gevallen.
De Hoge Raad heeft daarbij voorts overwogen dat een zodanig uitzonderlijk geval zich kan voordoen wanneer onzeker is of de blootstelling aan asbest tot de ziekte mesothelioom zal leiden, die onzekerheid lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven en dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.

18. De rechtbank stelt vast dat de dertigjarige termijn in 1963 is aangevangen, in welk jaar de laatste aanvulling van de erfverharding bij de ouders van Y heeft plaatsgevonden.
Weliswaar rept X nog over de zeventiger jaren, maar baseert zulks op een niet nader geadstrueerde de auditu-verklaring, terwijl bovendien vaststaat dat Y vanaf 1969 niet meer bij haar ouders woonde, zodat die onvoldoende onderbouwde stelling geen nader onderzoek behoeft.
Dat betekent dat de verjaringstermijn eindigde in 1993.
Vaststaat dat de diagnose mesothelioom bij Y is gesteld op 20 juli 2004, derhalve nadat die verjaringstermijn was verstreken.
Uitgaande van de veronderstelling dat Y in de periode 1958-1963 bij gelegenheid van de erfverharding aan asbest is blootgesteld, is aldus volledig voldaan aan het hiervoor verwoorde criterium van de Hoge Raad.

19. Eénzelfde redenering geldt m.n. voor de nader door X opgevoerde gronden, allereerst bestaande uit het door Eternit nagelaten te hebben het asbestcementafval te verwijderen, omdat zulks vanaf 1967 geboden geweest kan zijn en op basis van het bepaalde in artikel 3:314 jo 316 BW na 20 jaar –derhalve 1987- verjaard is.

Ten aanzien van een mogelijk aan Eternit te maken verwijt niet te hebben gewaarschuwd aan Y voor het gebruik van asbestcementafval als erfverharding geldt voor de aanvraag van de verjaringstermijn van een daarop gebaseerde vordering het (laatste) moment van ter beschikking stellen daarvan in 1963, derhalve aanvangende 1994, en is eveneens inmiddels verjaring ingetreden.
De rechtbank voegt daar aan toe dat Y na 1969 niet meer op het betrokken erf gewoond heeft en ook uit dien hoofde nadien geen waarschuwingsverplichting voor Eternit tegenover haar heeft bestaan.

De vordering van X voorzover gebaseerd op deze laatste twee gronden is eveneens verjaard.

20. De Hoge Raad heeft in hiervoor bedoeld arrest aangegeven dat de rechter, oordelend over de hiervoor geformuleerde onaanvaardbaarheid van het beroep op verjaring, er blijk van moet geven dat hij in zijn beoordeling heeft betrokken:
a. of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in
vermogensschade bestaat en -mede in verband daarmede- of de gevorderde
schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een
derde;
b. in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade
een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
c. de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokenen kan worden verweten;
d. in hoeverre de aangesprokene reeds voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening
heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade
aansprakelijk zou zijn;
e. of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering
te verweren;
f. of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
g. of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een
aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is
ingesteld.

21. ad a. X vordert vergoeding van materiële en immateriële schade.
De materiële schade is ondanks betwisting c.q. verzoek daartoe zijdens Eternit op geen enkele wijze door X onderbouwd.
De omstandigheid dat die schade dient te worden opgemaakt bij staat (zoals gevorderd), betekent niet dat X niet aan zijn stelplicht zou behoeven te voldoen.
Zelfs schadeposten zijn niet gesteld, laat staan criteria aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of die schade niet reeds nu vastgesteld kan worden. X heeft dat alles volstrekt in het vage gelaten en heeft dienvolgens onvoldoende gesteld om nader feitenonderzoek of verwijzing naar een schadestaatprocedure te rechtvaardigen.
De conclusie is dat de onderhavige kwestie handelt om vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (zulks met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten).
Nu Y is overleden komt die schadevergoeding niet aan haar maar aan haar nabestaanden (X en zijn twee zonen) ten goede.

22. ad b. Gesteld noch gebleken is dat Y en/of X ter zake van de schade aanspraak kunnen maken op een uitkering uit anderen hoofde.

23. ad c. Het verweer van Eternit dat in de periode 1958-1963 het optreden van mesothelioom als gevolg van asbestbesmetting medisch en wetenschappelijk gezien onbekend was, kan haar niet baten.
Immers vaststaat wel dat in die periode al wel bekend was dat (het werken met) asbest aanleiding kon geven tot asbestgerelateerde aandoeningen als asbestose en longkanker.
Uitgaande van de veronderstelling dat Y in die periode blootgesteld geweest is aan asbest, kan Eternit een verwijt gemaakt worden voor het feit dat Y een asbestgerelateerde aandoening heeft opgelopen; dat de aandoening mesothelioom destijds (nog) niet bekend was, maakt ten deze geen verschil.

24. ad d. Dit is geen dispuut tussen partijen.

25. ad e. Naar het oordeel van de rechtbank had Eternit voor het verstrijken van de verjaringstermijn(en) rekening moeten houden met aansprakelijkheden als de onderhavige, zulks gezien het voorgaande gekoppeld aan het voortschrijdend inzicht omtrent asbestgerelateerde ziektes (als mesothelioom) respectievelijk de daarmede gepaard gaande lange(re) incubatietijden.

26. ad f. Tussen partijen staat vast dat de onderhavige schade niet door verzekering is gedekt.
Dat dientengevolge enige vergoeding van schade door Eternit voor eigen rekening c.q. ten laste van eigen vermogen komt, spreekt voor zich, maar is naar het inzicht van de rechtbank niet bij dit criterium te betrekken.

27. ad g. De rechtbank is van oordeel dat echter niet kan worden aangenomen dat Y althans X na het stellen van de diagnose mesothelioom bij Y en mitsdien aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld.
Nadat op 20 juli 2004 deze ziekte was gediagnosticeerd,volgde weliswaar aansprakelijkstelling van Eternit op 16 september 2004 edoch de dagvaarding tot schadevergoeding in deze procedure dateert eerst van 1 februari 2008, mitsdien drie-en-een-half jaar later.
Mede verwijzend naar HR 28 april 2000 NJ 2000, 431 is dit geen redelijke termijn (meer) te noemen, zodanig dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid uitzondering zou moeten worden gemaakt op het door verjaringstermijnen gediende stelsel van rechtszekerheid.
Die verjaring is immers al ingetreden in het jaar 1987, 1994 of ten laatste in 1997.

Slotsom
28. Het beroep van Eternit op verjaring wordt gehonoreerd en de vordering van X wordt afgewezen met veroordeling van X in de proceskosten. LJN BG5098

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies