Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 121120 executoriale titel voor schadevergoeding bp sex. misbruik, na schorsing vervolging in hoger beroep wegens dementie verdachte

RBMNE 121120 executoriale titel voor schadevergoeding bp sex. misbruik, na schorsing vervolging in hoger beroep wegens dementie verdachte

3
De gronden van de beslissing

3.1.
Eisers hebben gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens hun dochter door het plegen van ontucht met haar. De dochter (en haar ouders) heeft hierdoor schade geleden en [gedaagde] dient deze schade te vergoeden. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De kantonrechter heeft het volgende overwogen.

Onrechtmatig handelen

3.2.
[gedaagde] is door de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer (hierna te noemen: de strafrechter), bij vonnis van 12 juli 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar (waarvan één jaar voorwaardelijk) voor het plegen van ontucht met de destijds vijfjarige dochter van eisers. [gedaagde] ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten ontuchtige handelingen en is in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 24 juni 2019 heeft het gerechtshof Amsterdam de vervolging van [gedaagde] op grond van artikel 16 van het Wetboek van Strafvordering geschorst in verband met vastgestelde dementie bij [gedaagde] . Dit betekent dat het vonnis van de strafrechter van 12 juli 2017 (nog) niet onherroepelijk is en dus geen dwingende bewijskracht heeft in de zin van artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3.3.
De kantonrechter zal daarom zelfstandig beoordelen of er door [gedaagde] een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) is gepleegd jegens de dochter van eisers. Daarover kan de kantonrechter kort zijn. Ter onderbouwing van het gestelde seksueel misbruik van de destijds vijfjarige dochter van eisers, hebben zij het volledige strafdossier in het geding gebracht op grond waarvan de strafrechter tot een overtuigende bewezenverklaring van het seksueel misbruik is gekomen. De kantonrechter ziet geen enkele aanleiding om op dit punt tot een ander oordeel te komen dan de strafrechter. Voor de enkele stelling van [gedaagde] dat het seksueel misbruik niet zou hebben plaatsgevonden en dat hij het slachtoffer zou zijn geworden van roddel en achterklap, ziet de kantonrechter geen enkel aanknopingspunt. De kantonrechter is derhalve met de strafrechter van oordeel dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van de destijds vijfjarige dochter van eisers, hetgeen zonder meer een onrechtmatige daad oplevert op grond waarvan hij gehouden is de materiële en immateriële schade die daarvan het gevolg is te vergoeden.

Schade

3.4.
Eisers maken allereerst aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 80,35 aan aanvullende materiële schade (in de vorm van reis- en parkeerkosten in hoger beroep). Nu deze schade nog niet eerder door de (straf)rechter is beoordeeld, voldoende aannemelijk is en zonder meer kan worden aangemerkt als vermogensschade als gevolg van het seksueel misbruik, komt deze schade voor vergoeding in aanmerking.

3.5.
Voor de overige materiële schade (reiskosten in eerste aanleg) en de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 3.000,00 ligt het ingewikkelder. Over deze schadeposten heeft de strafrechter zich immers al gebogen en in zijn vonnis van 12 juli 2017 ook geoordeeld, waarbij een bedrag van € 111,59 aan materiële schade (reiskosten in eerste aanleg) en een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade is toegewezen. Hierbij is voor het totaal toegewezen bedrag van € 1.611,59 ook de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. In beginsel kunnen deze schadeposten niet nogmaals ter beoordeling aan de civiele rechter worden voorgelegd.

3.6.
Door de eerdergenoemde schorsing van de vervolging van [gedaagde] in hoger beroep, is het strafvonnis in eerste aanleg echter nog altijd niet onherroepelijk. Dat brengt mee dat het vonnis voor wat betreft de aan de dochter van eisers toegekende schadevergoeding (nog) niet geëxecuteerd kan worden en de schadevergoedingsmaatregel (formeel) evenmin ten uitvoer kan worden gelegd. Het is daarbij zeer onwaarschijnlijk dat de geestelijke toestand van [gedaagde] in de toekomst nog zal verbeteren en het ligt dus ook niet in de lijn der verwachting dat de strafzaak in hoger beroep zal worden voortgezet. Deze uitzonderlijke situatie creëert in het onderhavige geval een onwenselijk vacuüm in de door de wetgever zo belangrijk geachte rechtsbescherming van slachtoffers van misdrijven. Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter zich derhalve bevoegd zich over de vordering uit te spreken, zodat eisers voor de toegewezen schadevergoeding aan hun dochter over een executoriale titel beschikken die ook daadwerkelijk ten uitvoer kan worden gelegd.

3.7.
Daarbij acht de kantonrechter zich inhoudelijk echter wel gebonden aan het oordeel van de strafrechter in het vonnis van 12 juli 2017, zowel voor wat betreft de reeds toegewezen materiële schade van € 111,59 (reiskosten in eerste aanleg), als de reeds toegewezen immateriële schadevergoeding van € 1.500,00.

3.8.
Inzake de immateriële schade heeft de strafrechter overwogen dat de dochter van eisers als benadeelde partij op grond van artikel 6:106 BW recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit. Daarbij rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, heeft de strafrechter de immateriële schade naar billijkheid begroot op een bedrag van € 1.500.00. De kantonrechter acht zich niet vrij deze inhoudelijke beoordeling over te doen.

3.9.
Dat de strafrechter daarbij heeft overwogen dat de dochter van eisers als benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering en deze aangebracht kan worden bij de civiele rechter, maakt niet dat er thans ruimte bestaat voor het toekennen van een (substantieel) hogere immateriële schadevergoeding. Ook de strafrechter heeft de door eisers genoemde rechtspraak meegewogen in zijn oordeel. De omstandigheid dat de dochter van eisers in de periode van oktober tot en met december 2017 (dus na het strafvonnis in eerste aanleg) kort psychologische begeleiding heeft gehad, leidt evenmin tot een ander oordeel. Zonder afbreuk te willen doen aan de impact van het misbruik op het (geestelijk) welzijn van de dochter van eisers, is niet gebleken van na de uitspraak van de strafrechter opgekomen feiten en omstandigheden die een hogere immateriële schadevergoeding rechtvaardigen.

Slotsom

3.10.
Op grond van het voorgaande is in totaal toegewezen een bedrag van € 1.691,96 aan schadevergoeding, bestaande uit € 191,96 aan reiskosten (in eerste aanleg en in hoger beroep) en € 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding. ECLI:NL:RBMNE:2020:5767