Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 231209 motorcrossongeval; motorcrosser springt op achter springbult verscholen medecrosser; geen waarschuwing

Rb 231209 motorcrossongeval; motorcrosser springt op achter springbult verscholen medecrosser; geen waarschuwing
2.6.  Tijdens de vrije training op 2 april 2005 is de motor van de motorfiets van [gedaagde sub 1] in een bocht voor een springbult afgeslagen. [gedaagde sub 4] zag dat gebeuren en is afgestapt om [gedaagde sub 1] te gaan helpen, met achterlating van zijn eigen motorfiets uiterst rechts van het circuit. Samen hebben zij geprobeerd de motor te starten en aan te duwen. Toen dat niet lukte hebben zij geprobeerd de motor aan de gang te krijgen door deze met [gedaagde sub 1] erop van een springbult af te laten rijden. Op enig moment bevonden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zich met de (nog steeds niet werkende) crossmotor van [gedaagde sub 1] op het parcours van de motorcrossbaan, direct achter de springbult waarvóór [gedaagde sub 1] tot stilstand was gekomen. Achter die springbult waren zij voor de achteropkomende motorcrossers niet zichtbaar. Op dat moment maakte [eiser] met zijn crossmotor een sprong over die bult en is hij tijdens de landing in aanraking gekomen met [gedaagde sub 1]. Door dit ongeval zijn [eiser] en [gedaagde sub 1] gewond geraakt.

(...)
3.  Het geschil
3.1.  [eiser] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alle gedaagden zal veroordelen aan hem te betalen alle geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijke rente over de schade vanaf 2 april 2005 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten en nakosten. Aan zijn vorderingen heeft [eiser], kort gezegd, ten grondslag gelegd dat alle gedaagden jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld, waardoor het ongeval heeft kunnen gebeuren en de schade is ontstaan.

3.2.  [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hebben zich volgens [eiser] jegens hem onzorgvuldig, want gevaarzettend, gedragen, door op de crossbaan te proberen de motorfiets van [gedaagde sub 1] weer aan de gang te krijgen in plaats van zich, conform de regel, onmiddellijk met die motorfiets van de baan te verwijderen. In het bijzonder valt hen te verwijten dat zij zich daarbij uiteindelijk op een plaats hebben opgehouden - direct na een hoge springschans - waar zij onzichtbaar waren voor achteropkomende motorcrossers die over die schans heen sprongen, zonder voor het daardoor ontstane gevaar te waarschuwen, aldus [eiser]. Hierop hoefde hij, zelfs als een sport- en spelsituatie aanwezig zou moeten worden geacht - hetgeen hij betwist - niet op bedacht te zijn en daardoor heeft het kunnen gebeuren dat hij na zijn sprong met zijn motorfiets is geland op [gedaagde sub 1], met alle gevolgen van dien. Daarnaast rekent [eiser] het [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] aan dat zij met daartoe ongeschikte motorfietsen en zonder voldoende ervaring zijn gaan deelnemen aan de vrije training, waardoor zij de andere coureurs onnodig in gevaar hebben gebracht.

3.3.  [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hebben de door [eiser] gestelde toedracht van het ongeval betwist. De door [eiser] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring die zij hebben ondertekend is door een belangenbehartiger van [eiser] op papier gesteld en deze is op onderdelen onjuist, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4]. Zij betwisten het bestaan van de door [eiser] beweerde regel, alsmede het bestaan van de feitelijke mogelijkheid de baan ter plaatse van het uitvallen van de motor te verlaten. In het licht van de voor sport- en spelsituaties geldende jurisprudentie achten zij zich niet aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. Zij bestrijden onrechtmatig te hebben gehandeld. Ook betwisten zij dat causaal verband bestaat tussen hun gedrag op het circuit en het ontstaan van de aanrijding. Subsidiair hebben zij zich beroepen op de eigen schuld van [eiser], door de wijze waarop hij heeft gereden en de beschermende middelen waarvan hij al dan niet gebruik heeft gemaakt alsmede door deel te nemen aan een training terwijl hij wist dat hij andere deelnemers niet aansprakelijk zou kunnen stellen en er onderling geen verzekering gold.

3.4.  Het verwijt dat [eiser] de KNMV c.s. maakt, bestaat eruit dat deze hun zorgplicht ten aanzien van de motorcrossers, die deelnemen aan een gevaarlijke sport, hebben geschonden, doordat zij niet alle veiligheidsmaatregelen hebben genomen die in de gegeven omstandigheden van hen mochten worden verwacht. [eiser] acht het onzorgvuldig dat de KNMV c.s. de deelnemers aan de bewuste vrije training niet vóóraf veiligheidsinstructies hebben gegeven, in het bijzonder de instructie bij motorpech zo snel mogelijk de baan te verlaten. Ook waren er tijdens de fatale training volgens [eiser] geen dan wel te weinig baancommissarissen of vlaggenisten daadwerkelijk op de baan aanwezig. Ook deze eenvoudig te nemen maatregel - die wel wordt getroffen bij officiële wedstrijden en trainingen en, blijkens de desbetreffende website, door de [Motorclub M] te [woonplaats] ook bij vrije trainingen (zie onder 2.10) - had volgens [eiser] bij deze vrije training niet achterwege mogen blijven. Daarbij komt volgens hem mede betekenis toe aan het gegeven dat tijdens deze training vele ervaren en onervaren coureurs, op zware en minder zware motoren, gelijktijdig op de baan waren. Bovendien is daarbij van belang de omstandigheid dat geen adequate verzekeringsdekking bestaat, terwijl de KNMV c.s. zich - volgens [eiser] overigens ten onrechte - op het standpunt stellen dat de deelnemer aan de training via de licentie is gebonden aan een exoneratieclausule op grond waarvan in geval van een ongeval ondanks de schuld daaraan van een ander de licentiehouder zijn eigen schade moet dragen. Voor zover de KNMV bij het eerder genoemde onzorgvuldig handelen in het kader van de training niet zelf rechtstreeks betrokken is, geldt dat zij als toezichthouder tekort is geschoten, aldus [eiser]. Overigens rust volgens [eiser] op de KNMV c.s. in de gegeven omstandigheden de verplichting een adequate verzekeringsdekking te bewerkstellingen inzake de aanzienlijke schade die de crossers kunnen lijden. Een dekking van maximaal € 4.538,-- bij blijvende invaliditeit acht hij niet behoorlijk. Volgens hem is een fatsoenlijke dekking te bekostigen door hogere contributies en dagkaartprijzen te hanteren.

3.5.  De KNMV c.s. hebben zich verweerd met het volgende. Aan hen kan - overigens om (deels) uiteenlopende redenen - geen verwijt worden gemaakt ter zake van het ontbreken van instructie aan de rijders over wat te doen bij pech voorafgaand aan de training, het ontbreken van (voldoende) baancommissarissen en de samenstelling van de trainingsgroep. Zij betwisten dat zij jegens [eiser] uit hoofde van deze drie aspecten (veiligheids-)normen hebben geschonden. Van de KNMV zou volgens hen hoe dan ook niet gevergd kunnen worden concreet toezicht te houden op de naleving hiervan door de clubs die dergelijke activiteiten organiseren. De aansprakelijkheid van de KNMV c.s. kan evenmin worden gegrond op het ontbreken van een adequate verzekeringsdekking, aangezien zij menen tot het bewerkstelligen daarvan rechtens niet gehouden te zijn. Subsidiair beroepen zij zich op de eigen schuld van [eiser] aan het ontstaan van de schade, die volgens hen maakt dat die zijn eigen schade geheel, althans grotendeels, zelf zal moeten dragen. Die eigen schuld bestaat volgens hen uit de wijze waarop [eiser] heeft gereden terwijl hij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] vóór de springbult al had gezien althans had moeten zien, zijn deelname aan een naar de aard gevaarlijke sport terwijl hij bovendien wist dat er geen baancommissarissen waren. Overigens menen de KNMV c.s. dat de door [eiser] ondertekende exoneratieclausule aan hun aansprakelijkheid hoe dan ook in de weg staat.

4.  De beoordeling
de vorderingen ten aanzien van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4]

4.1.  Voorop moet worden gesteld dat bij de beantwoording van de vraag of aan iemand die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt - en of derhalve het achterwege laten van die maatregelen in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed -, moet worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Voor het antwoord op de vraag of een waarschuwing kan worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen een bepaald gevaar, is van doorslaggevende betekenis of te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden (o.a. HR 5 november 1965, NJ 1966, 136; HR 28 mei 2004, NJ 2005, 105). Voorts is in het onderhavige geval nog van belang dat de vraag of een deelnemer aan een sport- of spelsituatie onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan het geval zou zijn geweest wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (o.a. HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622). Afhankelijk van de aard van de activiteit en de overige omstandigheden van het geval houdt deze verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aanvaarden niet steeds en geheel op te gelden doordat en op het moment waarop aan de sport of het spel volgens de daarvoor geldende regels een einde komt (HR 28 maart 2003, NJ 2003, 718 en 719; HR 20 februari 2004, NJ 2004, 238).

4.2.  Bij de huidige stand van het partijdebat heeft de rechtbank voor de toepassing van het hiervoor geschetste toetsingskader in de onderhavige zaak nadere informatie nodig over, onder meer, de precieze feitelijke toedracht van het ongeval, de crosservaring van [eiser], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1], hun bekendheid met het trainingscircuit van [gedaagde motorclub], de eigenschappen van het circuit, de (feitelijk) gebruikelijke gang van zaken tijdens een motorcrosstraining bij motorpech en de tijdens een dergelijke training geldende regels bij motorpech. Deze nadere informatie is (deels) ook van belang voor de beoordeling van hetgeen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] met betrekking tot het ontbreken van causaal verband en de eigen schuld van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hebben aangevoerd. Er zal dan ook een comparitie van partijen worden gelast voor het inwinnen van inlichtingen hierover.

de vorderingen ten aanzien van de KNMV c.s.

4.3.  De vorderingen jegens [gedaagde motorclub] zijn er overwegend op gegrond dat die als organisator van de motorcrosstraining is tekortgeschoten in haar zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van de deelnemers. Aan de KNMV maakt [eiser] hetzelfde verwijt, maar hij verwijt de KNMV tevens te kort te zijn geschoten als toezichthouder. Daarnaast ligt er ten aanzien van deze beide organisaties nog het verwijt dat zij niet hebben gezorgd voor een adequate verzekering van de crossers.

4.4.  Ook voor de beoordeling van deze verwijten heeft de rechtbank behoefte aan meer informatie, die ter comparitie zal worden ingewonnen. Het betreft onder andere informatie over de eigenschappen van het circuit (zoals het aantal springbulten, de overzichtelijkheid, de aanwezigheid van begroeiing etc), de toelatingsregels tijdens vrije trainingen, de tijdens vrije en wedstrijdtrainingen geldende veiligheidsregels bij motorpech, het (verschil in) toezicht op de naleving van de regels bij vrije en bij wedstrijdtrainingen en de verzekerbaarheid van het risico van de deelnemers. Ook hier geldt dat die informatie mede van belang is voor de verweren ten aanzien van het causaal verband en de eigen schuld van [eiser].

exoneratieclausule(s)

4.5.  Geconstateerd wordt dat in verschillende documenten (zie onder 2.3 en 2.5 bij de feiten) een exoneratieclausule is opgenomen en dat de tekst en de context daarvan niet dezelfde zijn. Ter comparitie zal de rechtbank ook hierover en over de door de partijen met betrekking tot de exoneratie(s) ingenomen standpunten inlichtingen inwinnen.

deskundige?
4.6.  Voorshands houdt de rechtbank er rekening mee dat zij in een later stadium van de procedure behoefte zal hebben aan voorlichting door een deskundige op het gebied van de (organisatie van) motorcrosstrainingen over de voor deelnemers en/of organisatoren geldende regels. Vooruitlopend daarop bestaat er ter comparitie gelegenheid voor de partijen zich over de persoon van de eventueel later te benoemen deskundige (en de aan deze te stellen vragen) uit te laten en daarover - en eventueel over andere aspecten van de zaak - zo mogelijk overeenstemming te bereiken.

4.7.  De partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.
LJN BL0333

Deze website maakt gebruik van cookies