Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBDHA-241120 Duinrell niet aansprakelijk voor ongeval op glijbaan, niet obv ovk, niet obv 6:174 en niet obv 6:162

RBDHA-241120 Duinrell niet aansprakelijk voor ongeval op glijbaan, niet obv ovk, niet obv 6:174 en niet obv 6:162
- verzocht 18,5 x 225 + 21 %; begroot, niet toegewezen, 15 x 225 + 21 % = 5036,63

2. De feiten

2.1.
Duinrell exploiteert een attractiepark in Wassenaar. Voor het bezoeken van dit attractiepark is een toegangsprijs verschuldigd. In het attractiepark is een omheinde speeltuin "de Schaapskooi" aangelegd. In deze speeltuin bevindt zich onder meer een glijbaan. Deze glijbaan bestaat uit een toren waarin vanaf drie verschillende hoogtes via een buis naar beneden kan worden gegleden. In deze procedure gaat het om de buisglijbaan die vanaf het hoogste plateau van de toren naar beneden gaat (hierna: de glijbaan).

2.2.
Op woensdag 26 juli 2017 heeft [ verzoekster ] met haar gezin een bezoek gebracht aan het attractiepark. Daar is [ verzoekster ] een ongeval overkomen toen zij met haar zoontje (van destijds 4 jaar oud) van de glijbaan ging. Onderaan de glijbaan is de kleine teen van haar linkervoet in aanraking gekomen met de glijbaan ter hoogte van de aanhechting van het einde van de ronde glijbaanbuis met het vlakke plateau waarover je naar beneden glijdt. Hierbij heeft zij letsel opgelopen.

2.3.
Voor de diverse segmenten van de glijbaan is een TÜV-certificaat met nr. B 14 08 21833 717 afgegeven. Dit betreft een productcertificaat waaruit blijkt dat de verschillende segmenten van de glijbaan voldoen aan de volgende normen:
DIN EN 1176-1:2008
EN 1176-1:2008
DIN EN 1176-3:2008
EN 1176-3:2008

2.4.
Vóór ingebruikname van de glijbaan heeft op 28 maart 2017 een inspectie plaatsgevonden door ingenieur [ X ] , DIN 79161 gecertificeerd speeltuininspecteur. [ X ] heeft in zijn rapport van 8 april 2017 geconcludeerd dat de speeltoestellenconstructie in zijn geheel voldoet aan de EN 1176 normen en dat deze voor openbaar gebruik kan worden vrijgegeven.

2.5.
Duinrell heeft een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven afgesloten bij Achmea.

2.6.
[ verzoekster ] heeft Duinrell en Achmea aansprakelijk gesteld voor de schade die zij door het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. Duinrell en Achmea hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3.
Het geschil

3.1.
[ verzoekster ] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - te verklaren voor recht dat Duinrell aansprakelijk is voor alle door haar geleden en te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval; - Duinrell te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil.

3.2.
[ verzoekster ] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat Duinrell toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst die zij met [ verzoekster ] heeft gesloten. [ verzoekster ] stelt hiertoe dat Duinrell niet heeft voldaan aan haar contractuele zorgplicht als attractiepark- en speeltuinbeheerder door zich niet te houden aan het bepaalde in de artikelen 4 en 15 van het Besluit van 3 september 1996 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet op de gevaarlijke werktuigen (hierna: Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen). Subsidiair stelt [ verzoekster ] zich op het standpunt dat Duinrell als bezitter van de glijbaan, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. De glijbaan voldoet volgens haar namelijk niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en is dus een gebrekkige opstal. Zij stelt hiertoe dat zich aan de binnenkant van de glijbaan een gevaarlijke hoek bevindt. Meer subsidiair meent [ verzoekster ] dat vanwege deze hoek er sprake is van onrechtmatige gevaarzetting, hetgeen een zelfstandige grond oplevert voor aansprakelijkheid van Duinrell op grond van artikel 6:162 BW.

3.3.
Duinrell en Achmea voeren gemotiveerd verweer. Zij betwisten dat er sprake is van schending van de zorglicht en zij betwisten dat de glijbaan gebrekkig was en/of een gevaarzettende situatie creëerde.

4.
De beoordeling

Behandeling in deelgeschil

4.1.
In de eerste plaats moet worden beoordeeld of het verzoek van [ verzoekster ] zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling van het geschil tussen partijen betreffende de gestelde aansprakelijkheid van Duinrell voor het letsel van [ verzoekster ] zich leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure. De rechtbank zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

4.2.
Vaststaat dat [ verzoekster ] letsel heeft opgelopen toen zij in Duinrell met haar zoontje van de betreffende glijbaan ging. Partijen twisten erover of Duinrell aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. [ verzoekster ] baseert de gestelde aansprakelijkheid van Duinrell in de eerste plaats op artikel 6:74 BW (contractuele aansprakelijkheid).

Contractuele aansprakelijkheid

4.3.
[ verzoekster ] heeft primair aangevoerd dat Duinrell tekort is geschoten in de nakoming van haar zorglicht op grond van de overeenkomst. De glijbaan voldoet volgens [ verzoekster ] , gelet op het redelijkerwijs te verwachten gebruik, niet aan de daaraan te stellen eisen vanwege de volgende redenen. De glijbaan bevat aan de binnenzijde een gevaarlijke hoek op de plaats van het einde van de ronde glijbaanbuis en het vlakke plateau waarover je naar beneden glijdt en is daarom niet veilig in gebruik. Zij heeft bij normaal gebruik immers letsel opgelopen doordat haar linker kleine teen in die onveilige hoek is blijven hangen. Verder heeft [ verzoekster ] aangevoerd dat Duinrell haar onvoldoende heeft geïnformeerd over het gebruik van de glijbaan. Tot slot meent [ verzoekster ] dat er onvoldoende toezicht op de glijbaan werd gehouden en dat de glijbaan onvoldoende is geïnspecteerd.

4.4.
Duinrell heeft gemotiveerd betwist dat zij tekort is geschoten in de zorgplicht die gelet op de overeenkomst op haar rustte, kort gezegd omdat de glijbaan over de juiste certificering beschikte en vier maanden vóór ingebruikname bovendien uitgebreid is geïnspecteerd.

4.5.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Door een kaartje te kopen en het attractiepark te betreden is tussen [ verzoekster ] en Duinrell een overeenkomst tot stand gekomen, die moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. Duinrell moet als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. Dat houdt in dit geval in dat van Duinrell mag worden verwacht dat zij de aanwezige attractie- en speeltoestellen zo aanbiedt en onderhoudt dat zij bij normaal gebruik door bezoekers voor hen geen gevaar opleveren.

4.6.
De invulling van de zorgplicht van Duinrell als opdrachtnemer draait in dit geval dus om de vraag of het speeltoestel bij normaal gebruik veilig is. Deze norm volgt ook uit het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (hierna: het besluit), namelijk uit artikel 4, dat zich richt tot de ontwerper/producent van de toestellen, en meer in het bijzonder uit artikel 15 dat is gericht tot een aanbieder van speeltoestellen, zoals Duinrell. Op grond van artikel 15 van het besluit moet degene die een speeltoestel voorhanden heeft ervoor zorgen "dat het toestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd en zodanig is beproefd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften is voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat.” Uit artikel 1, aanhef en onder c, van dit besluit volgt dat de glijbaan een speeltoestel is als in het besluit bedoeld.

4.7.
[ verzoekster ] heeft aangevoerd dat de glijbaan niet zodanig is ingericht dat er bij normaal gebruik geen gevaar voor gezondheid of veiligheid van personen bestaat. Zij heeft immers bij normaal gebruik van de glijbaan letsel aan haar voet opgelopen doordat zich aan de binnenzijde van de glijbaan een hoek bevindt waarachter men met een lichaamsdeel kan blijven hangen. Deze hoek had volgens [ verzoekster ] gemakkelijk kunnen worden geëgaliseerd. Daar komt bij dat bezoekers van de speeltuin niet door Duinrell worden geïnstrueerd over de juiste wijze van gebruik van de glijbaan, aldus [ verzoekster ] .

4.8.
Duinrell heeft in weerwoord hierop verwezen naar het TÜV-certificaat, waaruit volgens haar blijkt dat de diverse segmenten van de glijbaan aan de veiligheidsvoorschriften voldoen. In aanvulling hierop heeft zij ter zitting naar voren gebracht dat zij niet zomaar wijzigingen in het ontwerp van de glijbaan mag aanbrengen, juist vanwege het betreffende productcertificaat. Tevens heeft zij verwezen naar het uitgebreide inspectierapport van [ X ] waaruit blijkt dat het volledige speeltoestel, zoals dat is geïnstalleerd in de omgeving waarin zich dit bevindt, voldoet aan de daarvoor geldende normen. Verder heeft Duinrell verklaard dat alle speeltoestellen regelmatig worden gekeurd door haar eigen technisch personeel op mankementen en oneffenheden die door gebruik kunnen ontstaan, zoals bijvoorbeeld loszittende bouten en moeren. In het licht van al het voorgaande hoefde Duinrell geen extra veiligheidsmaatregelen te treffen. Hierbij heeft Duinrell tevens gesteld dat [ verzoekster ] zelf niet heeft gehandeld conform de huisregels omdat bij de ingang van de speeltuin op een bord vermeld stond dat de speeltuin alleen bedoeld is voor kinderen. Desondanks heeft [ verzoekster ] , een volwassen vrouw, met teenslippers aan haar voeten, gebruik gemaakt van de glijbaan. Bovendien heeft zich een vergelijkbaar ongeval niet eerder en ook nadien niet meer voorgedaan in de glijbaan. Duinrell is dan ook van mening dat zij niet toerekenbaar tekort geschoten is in haar zorgplicht jegens [ verzoekster ] .

4.9.
De rechtbank oordeelt als volgt. Gesteld noch gebleken is dat de aanhechting tussen de glijbuis en het platte uitglijvlak aan het einde van de glijbaan, waarmee [ verzoekster ] in aanraking is gekomen (door haar “de hoek” genoemd) is ontstaan door gebrekkige installatie of montage van de glijbaan in de speeltuin of het gevolg is van gebrekkig onderhoud van de glijbaan. Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting kan worden aangenomen dat de glijbaanbuis zich ten tijde van het ongeval bevond in de staat zoals die door de producent/leverancier hiervan bij Duinrell is aangeleverd. Gelet hierop moet worden bezien of deze glijbaanbuis als product voldoet aan de daarvoor geldende normen.

4.10.
Ingevolge artikel 4 van het besluit zijn attractie- en speeltoestellen zodanig ontworpen en vervaardigd, en hebben zij zodanige eigenschappen en zijn zij van zodanige opschriften voorzien, dat zij bij redelijkerwijs te verwachten gebruik geen gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens. Zij voldoen daartoe aan de in bijlage 1 genoemde voorschriften. Weliswaar richt dit voorschrift zich in beginsel tot de producent. maar in dit geval, waar het draait om de contractuele zorgplicht van Duinrell jegens [ verzoekster ] , kan het ook aan Duinrell worden tegengeworpen. Van Duinrell mag immers worden verwacht dat zij in haar attractiepark speeltoestellen plaatst die aan de in artikel 4 van het besluit bedoelde veiligheidsnorm voldoen.

4.11.
Ingevolge artikel 5 lid 1 van het besluit kunnen bij ministeriële regeling normen worden aangewezen en nadere voorschriften worden gesteld voor attractie- en speeltoestellen. Volgens lid 2 worden attractie- en speeltoestellen die voldoen aan de normen. bedoeld in lid 1. vermoed te voldoen aan artikel 4 van het besluit.

4.12.
Naar aanleiding van artikel 5 van het besluit is er een ministeriële regeling "Nadere regels attractie- en speeltoestellen" opgesteld. In artikel 5 van deze regeling staat vermeld: ".4/s normen, bedoeld in artikel 5. eerste lid, van het besluit worden aangewezen de in bijlage 1l bij deze regeling vermelde normen." In bijlage II staan voor zover in deze zaak van belang de volgende normen opgenomen:

Normen voor attractie- en speeltoestellen
a. NEN-EN 1176-1: 2008: Speeltoestellen - Deel 1 Algemene veiligheidseisen en beproevingsmethoden;
( ... )
c . NEN-EN 1176-3: 2008: Speeltoestellen - Deel 3 Aanvullende bijzondere veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor glijbanen;
( ... )

4.13.
Blijkens het overgelegde TÜV-certificaat voldoen de diverse segmenten van de glijbaan, en daarmee dus ook de glijbaanbuis met de betreffende aanhechting van de buis aan het platte uitglijvlak, aan de hierboven vermelde normen voor glijbanen. Gelet hierop bestaat het bewijsvermoeden dat de glijbaan voldoet aan artikel 4 van het besluit (zie artikel 5, lid 2, van het besluit). Het is aan [ verzoekster ] om tegenbewijs te leveren van dit vermoeden. De rechtbank is van oordeel dat zij daarvoor onvoldoende feitelijke aanknopingspunten heeft aangereikt die zich lenen voor bewijslevering. [ verzoekster ] heeft haar stelling dat de betreffende "hoek" niet in de glijbaan had mogen zitten en dat de glijbaan dus onveilig is - mede in het licht van het gemotiveerde verweer daartegen van Duinrell - onvoldoende toegelicht aan de hand van de genoemde concrete normen en veiligheidseisen die voor glijbanen gelden. Weliswaar staat vast dat [ verzoekster ] in deze glijbaan een ongeval met vervelende gevolgen is overkomen, maar deze omstandigheid alleen is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van een onveilige of gebrekkige glijbaan. Ook de stelling van [ verzoekster ] dat, gezien de snelheid waarmee gebruikers door de glijbaan gaan, de hoek een gevaar oplevert, is niet onderbouwd aan de hand van een concrete op speeltoestellen zoals deze toepasselijke norm. Zij heeft geen feiten gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat de "hoek” in de glijbaan - niettegenstaande de certificering en inspectie - niettemin in strijd komt met de daarvoor geldende veiligheidseisen.

4.14.
Het voorgaande geldt eveneens voor de stelling dat Duinrell bezoekers onvoldoende heeft geïnstrueerd over het gebruik van de glijbaan. Wat die instructie dan concreet had moeten inhouden in dit geval heeft [ verzoekster ] niet verduidelijkt of toegelicht. Voor zover [ verzoekster ] hierbij het oog heeft op een instructie dat de glijbaan niet door volwassenen mocht worden gebruikt, en dat dit met een soort “stopbord” had moeten worden aangegeven, slaagt dit niet. Niet in geschil is dat bij de entree van de omheinde speeltuin "de Schaapskooi” goed zichtbaar een bord is geplaatst waarop onder meer staat dat de speeltuin bestemd is voor kinderen tot 9 jaar. Dit laat aan duidelijkheid niets te wensen over.

4.15.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Duinrell ervan mocht uitgaan dat de glijbaanbuis veilig was en ook zodanig is geïnstalleerd en/of gemonteerd dat bij te verwachten gebruik geen gevaar voor gezondheid of veiligheid van personen bestaat. Duinrell is dan ook op dit punt niet tekort geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens [ verzoekster ] als bezoeker van haar attractiepark.

4.16.
Nu een frequentere inspectie van de glijbaan en meer toezicht op het gebruik van de glijbaan dit specifieke ongeval niet hadden kunnen voorkomen, kan in het midden blijven of Duinrell op deze onderdelen aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Gebrekkige opstal en onrechtmatige gevaarzetting

4.17.
Subsidiair heeft [ verzoekster ] nog aangevoerd dat de glijbaan is te kwalificeren als een gebrekkige opstal (artikel 6:174 BW) dan wel dat Duinrell zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige gevaarzetting (artikel 6:162 BW). De beoordeling hiervan loopt grotendeels parallel aan de beoordeling van de vraag of Duinrell haar contractuele zorgplicht jegens [ verzoekster ] heeft geschonden.

4.18.
Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Daarbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de zogenoemde 'kelderluikcriteria' (vergelijk HR 07-10-2016, ECLI:NL:HR:2016:2283), die mede maatstaf vormen voor de beoordeling van onrechtmatige gevaarzetting. In dit geval dienen de kelderluikcriteria ook ingevuld te worden door de normen en veiligheidseisen die voor glijbanen gelden. Zoals hiervoor reeds is overwogen, geldt het bewijsvermoeden dat de glijbaan voldoet aan deze veiligheidsnormen en heeft [ verzoekster ] geen feitelijke aanknopingspunten aangereikt die zich lenen voor het leveren van tegenbewijs. Hierbij speelt naar het oordeel van de rechtbank tevens een rol dat niet iedere kans op schade aanleiding geeft tot een verplichting tot het treffen van voorzorgsmaatregelen. Bovendien is van belang dat Duinrell onweersproken heeft gesteld dat zij vanwege het afgegeven productcertificaat niet gerechtigd is om eigenhandig wijzigingen in het ontwerp van de glijbaan aan te brengen.

Conclusie

4.19.
Dat de glijbaan onveilig, gebrekkig of gevaarlijk is kan dus op grond van hetgeen [ verzoekster ] daarover heeft aangevoerd, niet worden vastgesteld. Het verzoek zal gezien het vorenstaande worden afgewezen. Hiermee behoeven de door Duinrell opgeworpen vragen of de aansprakelijkheid van Duinrell is beperkt en of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [ verzoekster ] geen bespreking meer.

Kosten deelgeschil

4.20.
Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten van de deelschilprocedure aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Hierbij wordt de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.21.
De kosten van de procedure kunnen ook worden begroot in geval van afwijzing van het verzoek, behalve wanneer de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is, omdat partijen belang hebben bij duidelijkheid over de aansprakelijkheidsvraag. De rechtbank zal dan ook overgaan tot begroting van de kosten.

4.22. [ verzoekster ] verzoekt de kosten van dit deelgeschil te begroten met inachtneming van de als productie 9 bij het verzoekschrift gevoegde factuur, te vermeerderen met een geschatte tijdsbesteding voor het voorbereiden en bijwonen van de zitting en de daarbij komende griffierechten. Uit de factuur volgt een tijdsbesteding van 18,5 uur. Verder is uitgegaan van een uurtarief van € 225,-- en 21% btw.

4.23.
Duinrell en Achmea hebben bezwaar gemaakt tegen de kostenopgave van [ verzoekster ] . Zij hebben in dit verband aangevoerd dat een tijdsbesteding van 8 uur voldoende is en dat het gehanteerde uurtarief bovenmatig is en niet past bij een advocaat stagiair die geen lid is van een letselschadespecialistenvereniging. Zij wensen uit te gaan van een uurtarief van € 180,--

4.24.
De rechtbank is met Duinrell en Achmea van oordeel dat het aantal aan deze procedure bestede uren aan de hoge kant is. Mede gelet op de complexiteit van de zaak en de expertise van mr. Soeltan, die overigens wel lid is van een specialistenvereniging, acht de rechtbank het redelijk om voor het opstellen van het verzoek rekening te houden met een tijdsbesteding van 12 uur. De overige aan de zaak bestede tijd stelt de rechtbank in redelijkheid op 3 uur. In totaal zal de rechtbank dus rekening houden met een tijdsbesteding van 15 uur voor deze procedure. Hierbij komt het gehanteerde tarief van € 225,-- per uur de rechtbank niet onredelijk voor.

4.25.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten van deze procedure in redelijkheid begroten op een bedrag van € 4.166,75 (15 uur x € 225,--, te vermeerderen met 21% btw en met het betaalde griffierecht van € 83,--).

4.26.
Aangezien de aansprakelijkheid van Duinrell voor de gevolgen van het [ verzoekster ] overkomen ongeval niet vast staat, is de verzochte veroordeling van Duinrell tot voldoening van deze kosten niet toewijsbaar. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van Duinrell alsnog in rechte komt vast te staan.

Met dank aan mr. S.F. Soeltan, Reinboud Schoemaker Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak. Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2020/RBDHA-241120

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies