Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Arnhem 031208 processuele en feitelijke complicaties bij infectie bij oogoperatie

Rb Arnhem 031208 processuele en feitelijke complicaties bij infectie bij oogoperatie
Vervolg op Rb Arnhem 220306: LJN AW2865

2.2.  Onder 2.20 van dat tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat het ziekenhuis in de gelegenheid zal worden gesteld zich uit te laten over de vraag of en zo ja hoe het tegenbewijs wenst te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [eiseres] dat er bij de operatie van 2 december 1998 gebruik is gemaakt van instrumenten die onvoldoende waren gesteriliseerd.

2.3.  Naar aanleiding daarvan heeft het ziekenhuis bij brief van 23 mei 2006 uiteengezet dat het zich met de beslissing in dat vonnis niet kan verenigen en gevraagd tussentijds appel van dat vonnis open te stellen. Bij brief van 30 mei 2006 heeft de rechtbank partijen bericht dat niet te zullen doen. Bij akte van 28 juni 2006 (onder 2 t.m. 8) heeft het ziekenhuis opnieuw uiteengezet dat het zich met het tussenvonnis niet kan verenigen en is het erbij gebleven dat tussentijds appel dient te worden opengesteld. Het ziekenhuis heeft verder gesteld dat het tegenbewijs wenst te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [eiseres] dat er bij de operatie van 2 december 1998 gebruik is gemaakt van instrumenten die onvoldoende waren gesteriliseerd en dat het dit wenst te doen door middel van een deskundigenbericht door de heer [deskundige], als ziekenhuisapotheker verbonden aan het UMC te Utrecht. [eiseres] heeft bij haar akte, kort gezegd, haar eerdere stellingen gehandhaafd.

2.4.  Hierover wordt het volgende overwogen. Blijkens de rechtsoverwegingen 2.9 en 2.10 van het vonnis van 22 maart 2006 (zie LJN AW2865) heeft de rechtbank aangenomen dat het ziekenhuis niet heeft willen betogen dat een onvoldoende sterilisatie van de ‘reusables’ niet de oorzaak van de infectie zou kunnen zijn. Naar thans uit de daarna genomen akte van het ziekenhuis blijkt, is dat uitgangspunt onjuist. In die akte betoogt het ziekenhuis dat, doordat er uitsluitend met disposables in het oog is gewerkt en doordat bacteriën niet tegen de stroom op kunnen zwemmen, de bacterie onmogelijk – ten gevolge van onvoldoende sterilisatie in het ziekenhuis – tijdens de operatie in het oog kan zijn gekomen. Gezien deze stellingname van het ziekenhuis is de in het vonnis van 22 maart 2006 aangekondigde tegenbewijsopdracht tegen de stelling van [eiseres] dat de reusables onvoldoende gesteriliseerd waren, prematuur. Teneinde te voorkomen dat de rechtbank op een ondeugdelijke grondslag uitspraak zou doen, zal zij de rechtsoverwegingen 2.9 en 2.10 van het vorige tussenvonnis heroverwegen.

2.5.  Dat maakt de situatie thans als volgt. In beginsel rust op [eiseres] de stelplicht en de bewijslast terzake van haar stelling dat zij bij de oogoperatie op 2 december 1998 oogletsel heeft opgelopen als gevolg van het gebruik van onvoldoende gesteriliseerde instrumenten. Van het ziekenhuis kan worden verlangd dat zij [eiseres] voldoende feitelijke aanknopingspunten verschaft ter motivering van haar betwisting daarvan. In dat kader dient het ziekenhuis zijn stelling dat het tijdens de operatie uitsluitend met disposables in het oog heeft gewerkt, met voldoende feitelijke gegevens aannemelijk te maken. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van het ziekenhuis, opdat het ziekenhuis zich hierover zal kunnen uitlaten.

2.6.  Het ziekenhuis heeft bij zijn laatste akte na tussenvonnis tevens gesteld dat ‘bacteriën niet tegen de stroom op zwemmen’. Verder heeft het ziekenhuis er op gewezen dat [betrokkene] tot de conclusie is gekomen dat het bij [eiseres] gaat om een póstoperatieve infectie, en dat hij, gezien het ontstaan van de meeste bacteriële infecties, vanuit de eigen flora van de patiënt, en het ontbreken van meerdere gevallen, de kans klein acht dat de infectie is veroorzaakt door een structurele fout, zoals ontbrekende sterilisatie van instrumentarium.
Het is de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk wat het ziekenhuis hiermee bedoelt te betogen. Met name is het de rechtbank onduidelijk of het ziekenhuis bedoelt te betogen dat de bacterie niet tijdens de operatie in het oog kan zijn gekomen. Dan is evenmin duidelijk op welke gronden het van mening is dat een infectie met een op ieders huid levende bacterie wél mogelijk is. Evenmin is het de rechtbank duidelijk waarom een bacterie niet met een instrument in het oog gebracht kan worden omdat die niet ‘tegen de stroom op’ zou kunnen zwemmen. Het ziekenhuis zal bij zijn akte de gelegenheid hebben duidelijk en gemotiveerd uiteen te zetten wat op deze punten (het ‘tegen de stroom opzwemmen’ en de ‘póstoperatieve infectie’) zijn stelling is en wat de betekenis daarvan is voor de onderhavige zaak.

2.7.  De rechtbank ziet aanleiding thans ook in te gaan op de tweede grondslag van de vordering van [eiseres], te weten onbereikbaarheid van de oogartsen in het weekend en een op zaterdag 5 december 1998 gegeven onjuist advies om op maandag contact met de dienstdoende oogarts op te nemen. Hierover heeft de rechtbank onder 2.21 van het tussenvonnis van 22 maart 2006 overwogen dat het ziekenhuis in de gelegenheid zal worden gesteld informatie te verschaffen zoals genoemd onder 19 in het tussenvonnis van 23 februari 2005. Daar had de rechtbank overwogen dat van het ziekenhuis kan worden verlangd dat het opgave doet van de naam van de in het weekend van 5 en 6 december 1998 dienstdoende oogarts en van de namen van de in dat weekend werkzame telefonistes en dat het bij die personen navraag doet of zij zich telefoongesprekken met [eiseres] in dat weekend kunnen herinneren. Deze informatie dient ertoe [eiseres] de mogelijkheid te geven te reageren op het verweer van het ziekenhuis zoals weergegeven in het tussenvonnis van 23 februari 2005 onder 18, te weten de gemotiveerde betwisting dat [eiseres] in dat weekend telefonisch contact heeft opgenomen.
  
2.8.  [betrokkene] had reeds ter comparitie verklaard (zoals ook gesteld in de dagvaarding) dat zij dienst had in het weekend van 5 en 6 december 1998. Het ziekenhuis heeft onder verwijzing naar die verklaring datzelfde gesteld in zijn conclusie van antwoord na deskundigenbericht. [betrokkene] heeft ter comparitie verder verklaard dat zij in het weekend van 5 en 6 december 1998 geen oproep van het ziekenhuis heeft gehad betreffende [eiseres] en dat zij nog nooit heeft gehoord dat zij tijdens een weekenddienst niet bereikbaar zou zijn geweest. Het ziekenhuis heeft voorts bij akte een verklaring van 1 juni 2006 in het geding gebracht over de gang van zaken als iemand in het weekend naar het ziekenhuis belt. Die verklaring is ondertekend door acht telefonistes die destijds voor het ziekenhuis werkten, te weten [getuigen]. In die verklaring staat onder meer:

  De patiënt die het ziekenhuis belt, krijgt in het weekend de telefoniste aan de lijn. (…) Als het om een medische kwestie gaat, verbindt de telefoniste de patiënt in het weekend altijd door met de afdeling spoedeisende hulp. (…) De telefoniste zegt ook niet dat een patiënt wordt teruggebeld, maar verbindt enkel door. (…)
  Het niet direct kunnen bereiken van een specialist die dienst heeft komt in de praktijk overigens eigenlijk niet voor. In dat geval wordt dat genoteerd.

2.9.  Het is gezien de gemotiveerde betwisting van het ziekenhuis aan [eiseres] het bewijs te leveren van haar stellingen dat de dienstdoende oogartsen in het weekende na de oogoperatie onvoldoende bereikbaar waren en dat zij op zaterdag 5 december 1998 van een voor het ziekenhuis werkzame oogarts het advies heeft gekregen om op maandag contact met de dienstdoende oogarts op te nemen. [eiseres] zal de gelegenheid krijgen te reageren op de thans door het ziekenhuis te nemen akte. Bij haar akte zal zij tevens dienen aan te geven of zij het in deze rechtsoverweging genoemde bewijs wenst te leveren en zo ja, hoe.
  
2.10.  Voor het geval [eiseres] in het bewijs van die stellingen zou slagen, komt de vraag aan de orde of er causaal verband bestaat tussen die onbereikbaarheid van de oogartsen in het weekend en het onjuiste verwijzingsadvies enerzijds en de kort daarna opgetreden blindheid aan het rechteroog anderzijds. Aangenomen moet worden dat dit causaal verband zal zijn gegeven indien genoegzaam komt vast te staan dat de blindheid voorkomen had kunnen worden in het geval dat de oogartsen bij voldoende bereikbaarheid [eiseres] op 5 december 1998 reeds naar het ziekenhuis zouden hebben laten komen. (zie rechtsoverweging 20 van het vonnis van 23 februari 2005). Het ziekenhuis en [eiseres] zullen bij de thans te nemen aktes de gelegenheid hebben zich uit te laten over de vraag of dat de blindheid had kunnen voorkomen en dus of dit causale verband bestaat. LJN BH0294