Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Den Haag 260417 Treinkapingszaken. Onvoldoende zwaarwegende belangen voor openstelling hoger beroep tussenvonnis

Rb Den Haag 260417 Treinkapingszaken. Onvoldoende zwaarwegende belangen voor openstelling hoger beroep tussenvonnis

2 De beoordeling van het verzoek tot het openstellen van hoger beroep
2.1.
De Staat verzoekt hoger beroep open te stellen van het tussenvonnis van
1 februari 2017 (hierna: het tussenvonnis) [niet gepubliceerd red. LSM]. In de eerste plaats meent de Staat dat “het oordeel van de rechtbank dat de Staat zich niet op verjaring kan beroepen in een geval waarin destijds niet een onderzoek conform de (huidige) maatstaven van art. 2 EVRM onderzoek is gedaan” potentieel verstrekkend is, omdat dit oordeel gevolgen kan hebben “voor alle gevallen sinds 1954 waarin door overheids-functionarissen (militairen, maar ook politie) dodelijk geweld is gebruikt”. Voorts wijst de Staat erop dat de verwerping van het beroep op verjaring tot gevolg heeft dat een tijdrovend en kostbaar onderzoek zal plaatsvinden - het horen van getuigen, waaronder in ieder geval de mariniers van de aanvalsgroepen 2 en 5 - dat bovendien zeer belastend is voor de getuigen. De Staat acht het doelmatig dat eerst het verjaringsoordeel in hoger beroep kan worden aangevochten. Subsidiair verzoekt de Staat hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis, tijdens welk hoger beroep het genoemde onderzoek (voor de rechtbank) zal kunnen worden verricht, door uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bewijsopdrachten uit het tussenvonnis. De Staat wijst er in dat verband op dat, indien eisers niet zullen slagen in het leveren van het hen opdragen bewijs, voor de Staat na eindvonnis waarin de vorderingen van eisers worden afgewezen, geen hoger beroep open zal staan (tegen het verjaringsoordeel).

2.2.
Eisers verzetten zich tegen het openstellen van hoger beroep van het tussenvonnis, ook als gedurende het hoger beroep door de rechtbank getuigen zullen worden gehoord. Zij wijzen op de hoofdregel luidende dat geen hoger beroep van tussenvonnissen openstaat, ter voorkoming van vertraging van procedures.
Zij benadrukken dat het beroep op verjaring is verworpen op grond van de specifieke feiten en omstandigheden van de onderhavige zaken, zodat dit oordeel geen gelding heeft voor andere (toekomstige) zaken. Het verwerpen van een beroep op verjaring op grond van de overweging dat dit beroep onaanvaardbaar is, is sinds jaar en dag aan de orde in de rechtspraak. Het betreft dan ook geen controversiële rechtsvraag. Eisers menen voorts dat het onderzoek in het kader van de bewijsopdrachten niet (te) tijdrovend, kostbaar en belastend zal zijn. Zij wijzen erop dat, gezien de afgebakende bewijsopdrachten, de vragen aan de getuigen overzichtelijk en beperkt zullen zijn, terwijl met tussentijds hoger beroep minimaal één à twee jaar gemoeid zal zijn.

2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 337 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts tegelijk kan worden ingesteld met dat van het eindvonnis (behoudens het in dit verband niet relevante geval dat in het tussenvonnis een voorlopige voorziening is getroffen). Vastgehouden moet worden aan het door de wetgever aan deze wettelijke bepaling ten grondslag gelegde uitgangspunt dat het tussentijds aanwenden van rechtsmiddelen leidt tot vertraging van de procedure en daarom als regel achterwege dient te blijven.

2.4.
Voor een uitzondering op de onder 2.3 weergegeven hoofdregel - die in verband met de vereiste rechtszekerheid een strakke regel behoort te zijn - is slechts ruimte indien bijzondere procesrechtelijke redenen daartoe nopen. De bevoegdheid tot het maken van een uitzondering op bedoelde hoofregel is overgelaten aan het procesbeleid van de rechter. Bij bijzondere procesrechtelijke redenen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat in de tussenuitspraak is beslist op een controversiële rechtsvraag, hetgeen doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, omdat een andere beslissing tot een aanzienlijke bekorting van de procedure zou hebben geleid, omdat een kostbaar onderzoek is gelast waarvan het nut is betwist of omdat de behandeling van samenhangende zaken anders uiteen dreigt te lopen.

2.5.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval onvoldoende zwaarwegende redenen bestaan om van de onder 2.3 beschreven hoofdregel af te wijken door tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis open te stellen.

2.5.1.
De rechtbank is met eisers van oordeel dat het verwerpen van het beroep op verjaring is geënt op de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaken. Hiermee is geen oordeel gegeven over eventuele toekomstige zaken betreffende “gevallen sinds 1954 waarin door overheidsfunctionarissen dodelijk geweld is gebruikt”. In de overwegingen die tot bedoelde verwerping leiden - die ongeveer tien pagina’s van het tussenvonnis beslaan - wordt niet alleen gewicht gehecht aan de schending van de uit artikel 2 EVRM voortvloeiende onderzoeksplicht, maar wordt een groot aantal andere omstandigheden gewogen en voor een deel ook aan de beslissing tot verwerping ten grondslag gelegd. De omschrijving van het oordeel van de rechtbank door de Staat (“het oordeel van de rechtbank dat de Staat zich niet op verjaring kan beroepen in een geval waarin destijds niet een onderzoek conform de (huidige) maatstaven van art. 2 EVRM onderzoek is gedaan”) is dan ook te kort door de bocht. Van onvoldoende gewicht is dan ook het argument dat het oordeel over de verjaring potentieel verstrekkend kan zijn vanwege mogelijke toepassing in toekomstige zaken, nog daargelaten of dit argument, dat dus niet op de onderhavige zaken ziet, al als een procesrechtelijke reden als bedoeld onder 2.4 mag worden beschouwd.

2.5.2.
Eveneens van onvoldoende gewicht is het tweede argument van de Staat, luidende dat het doelmatig is hoger beroep toe te staan voordat wordt overgegaan tot een (wellicht overbodig) tijdrovend, kostbaar en voor de betrokken getuigen belastend onderzoek. De rechtbank is van oordeel dat de bevolen getuigenverhoren, naar nu valt te overzien, niet wezenlijk tijdrovender, kostbaarder of belastender zullen zijn dan de getuigenverhoren in andere zaken van min of meer dezelfde omvang en gelijk belang. Daarbij weegt mee, zoals eisers terecht benadrukken, dat nu afgebakende bewijsopdrachten zijn gegeven, de vragen aan de getuigen een overzichtelijk terrein beslaan en dan ook beperkt zullen zijn (“gefocuste verhoren”) en dat de rechtbank in het tussenvonnis reeds het voornemen heeft uitgesproken de getuigen anoniem en afgeschermd te horen. Voorts is de bij tussenvonnis aan de Staat opgedragen vervaardiging van transcripties van geluidsbanden weliswaar bewerkelijk, maar naar het oordeel van de rechtbank niet in een zodanige mate dat om die reden hoger beroep zou moeten worden opengesteld.

2.6.
Afgezien van het oordeel dat de door de Staat aangevoerde argumenten onvoldoende zwaarwegend zijn, weegt bij het oordeel van de rechtbank mee dat met een tussentijds hoger beroep naar verwachting inderdaad wellicht wel twee jaar gemoeid zal zijn, nog daargelaten dat dan wellicht zal blijken dat ook nog een (tussentijds) cassatieberoep moet worden afgewacht.

2.7.
Het subsidiaire verzoek van de Staat om tussentijds hoger beroep toe te staan terwijl de rechtbank aanstonds aanvangt met de getuigenverhoren, wordt eveneens verworpen. Niet alleen de door de Staat onderkende onwenselijkheid van het tegelijkertijd in twee instanties lopen van dezelfde zaken (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) leidt tot dat oordeel, maar ook het te beperkte gewicht van het, ook aan dit subsidiaire verzoek ten grondslag gelegde, onder 2.5.1 beoordeelde argument.ECLI:NL:RBDHA:2017:3993