Artikelen

RBDHA 090621 Knieletsel na ongeval in indoorskihal; skihal niet aansprakelijk voor gebrekkige binding ski's, onvoldoende nazorg of opstal

Hoofdcategorie: Aansprakelijkheid bij Sport en Spel
Categorie: Aansprakelijkheid Wintersporten; Schaatsen, Skiƫn

RBDHA 090621 Knieletsel na ongeval in indoorskihal; skihal niet aansprakelijk voor gebrekkige binding ski's, onvoldoende nazorg of opstal

4
De beoordeling

Inleiding

4.1.
Vast staat dat [eiseres] als gevolg van het ongeval ernstig knieletsel aan haar linkerknie heeft opgelopen. Hoewel het herstel na de knieoperatie in 2014 aanvankelijk voorspoedig verliep, is uiteindelijk in 2015 besloten tot een nieuwe operatie waarbij een totale knieprothese is geplaatst. [eiseres] stelt dat zij nog dagelijks klachten – pijn en hinder – heeft aan haar linkerknie. De klachten aan de linkerknie hebben, zo stelt [eiseres] , bovendien geleid tot klachten aan de rechterknie. Zij kan slechts beperkte afstanden lopen, niet lang staan en heeft een hulpmiddel nodig om zich buitenshuis voort te bewegen.

4.2.
De vraag die de rechtbank nu moet beoordelen is of Snowworld aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden als gevolg van het ongeval. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat in het aansprakelijkheidsrecht als uitgangspunt geldt dat ieder zijn eigen schade draagt. Een eerste stap die moet worden gemaakt om te kunnen komen tot de conclusie dat Snowworld aansprakelijk is tegenover [eiseres] voor de schade die zij ten gevolge van het knieongeval stelt te hebben geleden, is of Snowworld met betrekking tot het ongeval juridisch verwijtbaar tegenover [eiseres] heeft gehandeld of nagelaten. In dit verband en gelet op het debat tussen partijen zal de rechtbank eerst ingaan op het geschilpunt of Snowworld aan [eiseres] gebrekkige ski’s heeft verhuurd en vervolgens of zij onjuiste nazorg aan [eiseres] heeft geleverd (de gestelde aansprakelijkheid op grond van de artikelen 6:173 BW, 7:208 BW en 6:162 BW).

Gebrekkige ski’s?

4.3.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat Snowworld haar gebrekkige ski’s, namelijk ski’s met een ondeugdelijk afgestelde skibinding, heeft verhuurd, aangezien de ski’s tijdens het ongeval niet van de skischoenen zijn losgeschoten. [eiseres] stelt dat Snowworld in verband hiermee aansprakelijk is op grond van artikel 6:173 BW in samenhang met artikel 7:208 BW. Daarnaast is Snowworld volgens [eiseres] aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW, omdat zij door de levering van gebrekkig skimateriaal gevaarzettend heeft gehandeld.

4.4.
Aanvankelijk was tussen partijen in geschil of de ski’s waarmee [eiseres] ten val is gekomen door Snowworld aan haar zijn verstrekt. Blijkens het verhandelde ter zitting gaan partijen er (inmiddels) als vaststaand van uit dat de betreffende ski’s van [eiseres] na het ongeval bij de andere ski’s zijn teruggeplaatst in het depot van Snowworld. Uitgangspunt voor de rechtbank is daarmee dat [eiseres] het skimateriaal van Snowworld heeft gehuurd.

4.5.
Dan rijst de vraag of de aan [eiseres] verhuurde ski’s gebrekkig waren omdat zij een ondeugdelijke binding hadden. Volgens de hoofdregel van het bewijsrecht is het aan [eiseres] om voldoende feiten te stellen waaruit kan volgen dat haar ski’s met een ondeugdelijke skibinding ter beschikking zijn gesteld en die feiten, bij voldoende gemotiveerde betwisting door Snowworld, te bewijzen. Snowworld draagt dus, anders dan [eiseres] lijkt aan te nemen, niet de bewijslast van de feiten die zij stelt ter motivering van haar betwisting.

4.6.
Tussen partijen staat – op basis van de informatie van Snowworld, die [eiseres] niet heeft weersproken – het volgende vast over skibindingen en de afstelling daarvan in algemene zin. Een skibinding is de verbinding tussen de ski en de skischoen. Deze verbinding zorgt ervoor dat de skischoen tijdens het skiën aan de ski vast blijft zitten. Een skibinding dient ook als veiligheidsmechanisme, namelijk het mechanisme dat ervoor zorgt dat de skischoen van de ski losschiet als er op de skibinding een bepaalde kracht komt. Een skibinding wordt afgesteld aan de hand van zogeheten DIN-waarden (DIN staat voor Deutsches Institut für Normung). De kracht die nodig is om de skibinding open te laten springen, is afhankelijk van de DIN-waarde waarop de skibinding is ingesteld. De DIN-waarde bepaalt dus de uitbraakwaarde van de skibinding. Hoe hoger de DIN-waarde is ingesteld, hoe meer kracht er nodig is om de skischoen los te laten schieten. De in te stellen DIN-waarde is afhankelijk van een aantal variabele factoren, zoals de maat van de skischoen en het gewicht, de lengte en de ervaring van de skiër.

4.7.
Snowworld heeft in haar conclusie van antwoord naar voren gebracht dat zij voor het afstellen van de skibindingen geen individuele berekening per bezoeker/huurder hanteert, maar een uniforme methode. Snowworld heeft deze methode als volgt toegelicht. Per maat ski hanteert Snowworld een standaardinstelling voor de DIN-waarde. Voor het bepalen van de in te stellen DIN-waarde wordt een berekening uitgevoerd per maat ski op basis van de hiervoor genoemde variabele factoren. Hierdoor ontstaat een serie DIN-waarden voor alle mogelijke gebruikers per maat ski. Vervolgens wordt per maat ski de laagste DIN-waarde uit de vastgestelde serie DIN-waarden gekozen. Deze DIN-waarde wordt eenmalig bepaald, wordt bij alle nieuwe ski’s ingesteld en wordt nadien niet meer aangepast. Een skibinding krijgt hiermee een instelling waarbij de DIN-waarde lager of gelijk is aan de DIN-waarde die op basis van een individuele berekening zou zijn berekend en koppelt dus sneller of bij dezelfde kracht los.

4.8.
Voor zover [eiseres] zich op het standpunt stelt dat Snowworld de skibinding op basis van een op haar persoonlijk toegesneden berekening had moeten afstellen, geldt het volgende. Snowworld heeft onweersproken gesteld dat een meer op [eiseres] toegespitste DIN-waarde, gezien haar lengte en gewicht, er alleen toe had kunnen leiden dat een hogere DIN-waarde zou zijn gehanteerd, waarbij de skibinding dus minder snel zou zijn losgegaan dan bij de op basis van de standaardmethode ingestelde DIN-waarde. [eiseres] heeft niet feitelijk toegelicht of onderbouwd dat en waarom de door Snowworld gehanteerde standaardmethode te onnauwkeurig en/of onvoldoende is voor het doel van verhuur van ski’s aan de bezoekers van Snowworld. Ook is niet gesteld of gebleken dat de door Snowworld gehanteerde standaardmethode, waarbij op zichzelf rekening is gehouden met alle voor de afstelling van een skibinding relevante factoren, gebaseerd is op onjuiste uitgangspunten of berekeningen. Om deze reden kan niet worden aangenomen dat de door Snowworld gehanteerde afstelprocedure in zijn algemeenheid onzorgvuldig is.

4.9.
Dan resteert nog de vraag of, uitgaande van de standaardmethode die Snowworld hanteert, de skibinding in het geval van [eiseres] onjuist was afgesteld (of [eiseres] ski’s heeft gekregen die bedoeld waren voor personen met een ander(e) lengte/gewicht en/of de standaardmethode anderszins niet goed is uitgevoerd). Snowworld heeft in dit verband gesteld dat zij, als een bezoeker skimateriaal wenst te huren, op basis van de schoenmaat van de bezoeker de juiste maat skischoen uitgeeft en vervolgens op basis van de lengte en gewicht van de bezoeker de juiste maat ski bepaalt. Vast staat dat [eiseres] bij het uitgeven van de skischoenen is gevraagd naar haar schoenmaat. [eiseres] heeft onder punt 49 van de dagvaarding gesteld dat Snowworld de ski’s vervolgens zonder verdere vragen aan haar heeft verstrekt en zodoende de skibinding niet juist heeft afgesteld. Ter zitting heeft [eiseres] echter meegedeeld dat bij het uitreiken van de ski’s wel naar haar lengte en gewicht is gevraagd. De rechtbank wijst in dit verband ook naar de als productie 20 bij dagvaarding overgelegde brief namens [eiseres] , waarin dit ook is erkend. De rechtbank gaat er dus van uit dat [eiseres] bij het huren van de ski’s haar lengte en gewicht heeft vermeld. Aan de stelling van [eiseres] dat Snowworld de skibinding niet juist kon hebben afgesteld omdat niet naar de benodigde gegevens voor het afstellen van de skibinding is gevraagd, gaat de rechtbank dus voorbij.

4.10.
[eiseres] heeft haar stelling dat Snowworld de skibinding van de aan haar verstrekte ski’s niet deugdelijk heeft afgesteld, verder ook niet feitelijk onderbouwd. Het enkele feit dat de skibinding niet is losgeschoten, is onvoldoende basis voor de conclusie dat de skibinding niet deugdelijk was afgesteld. Snowworld heeft in dit verband gemotiveerd toegelicht dat skibindingen niet bij iedere val hoeven los te schieten. Of een ski in een concreet geval los komt van de schoen is, aldus Snowworld, namelijk afhankelijk van verschillende factoren, zoals de snelheid tijdens de val, de kracht die op de skibinding wordt uitgeoefend en de richting van de kracht. Het enkele niet losschieten van een skibinding betekent dus niet per definitie dat de skibinding verkeerd of te strak was afgesteld. [eiseres] heeft dit zelf ook erkend in de namens haar aan Snowworld gerichte brief van 8 april 2015 (overgelegd als productie 24 bij dagvaarding), waarin is opgenomen: “In uw brief geeft u aan dat het niet losschieten van de bindingen niet direct leidt tot de conclusie dat de binding onjuist is afgesteld. Dit is correct. Niet bij iedere val hoeft de binding van een ski los te schieten.” Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgen vervolgens onvoldoende feitelijke aanknopingspunten die kunnen meebrengen dat de skibinding in de gegeven omstandigheden wel had moeten losschieten. [eiseres] heeft in dit verband gewezen op het feit dat zij, op het moment dat ze wilde gaan remmen, over de kop is geslagen. Ook heeft zij gewezen op de aard van het opgelopen letsel, waaruit moet worden afgeleid dat sprake is geweest van een horizontale krachtsinwerking. De rechtbank acht deze omstandigheden, zonder enige nadere onderbouwing, niet voldoende om [eiseres] toe te laten tot bewijs van haar stelling dat Snowworld ski’s met een ondeugdelijk afgestelde skibinding aan [eiseres] heeft verstrekt of een deskundigenopdracht te gelasten om de rechtbank te informeren.

4.11.
De rechtbank merkt op dat het wel op de weg van Snowworld had gelegen om de aan [eiseres] verhuurde ski’s apart te houden voor nader onderzoek, zoals [eiseres] stelt. Ook acht de rechtbank de opstelling van Snowworld tegenover [eiseres] blijkens de stukken, gegeven de ernst van het ongeval, defensief en niet passend. De rechtbank heeft overwogen, zoals ter zitting is meegedeeld, om een nadere mondelinge behandeling te gelasten om zich door een deskundige te laten voorlichten over de mate van waarschijnlijkheid dat de ski’s niet goed waren afgesteld. Hier staat tegenover dat [eiseres] lijkt te menen dat ook de gevolgen van ‘pech’ door Snowworld moeten worden vergoed, enkel omdat het ongeval in de skihal van Snowworld heeft plaatsgevonden en zij geen begin van een feitelijke onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat Snowworld de skibinding van de aan haar overhandigde ski’s niet deugdelijk heeft afgesteld. [eiseres] heeft volstaan met het overleggen van de correspondentie over de aansprakelijkheid tussen partijen en heeft ter onderbouwing van haar standpunt alleen gewezen op de conclusie van de door haar ingeschakelde medisch adviseur (geciteerd in de hiervoor genoemde brief van 8 april 2015). Van [eiseres] had mogen worden verwacht haar standpunt van een nadere onderbouwing te voorzien. [eiseres] heeft dit echter nagelaten. Daarom ziet de rechtbank onvoldoende gronden, de gemotiveerde betwisting door Snowworld mede in aanmerking genomen, die het gelasten van een nadere mondelinge behandeling zoals hiervoor genoemd kunnen rechtvaardigen. Voor omkering van de bewijslast, voor zover [eiseres] dit beoogt, of het aannemen van een bewijsvermoeden bestaat bij gebreke aan een voldoende onderbouwing evenmin grond.

4.12.
De slotsom is dat de door [eiseres] aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat de verstrekte ski’s niet voldeden aan de eisen die [eiseres] op basis van de met Snowworld gesloten huurovereenkomst aan de ski’s mocht stellen. De ski’s kunnen niet als gebrekkig worden aangemerkt en van schending van de op Snowworld rustende zorgplicht is op dit punt geen sprake. Het verwijt dat Snowworld ook niet heeft gewaarschuwd voor het mogelijke gevaar van een niet goed afgestelde skibinding, slaagt bij deze stand van zaken ook niet.

Onjuiste nazorg?

4.13.
Het tweede verwijt van [eiseres] aan Snowworld houdt in dat Snowworld is tekortgeschoten in het verlenen van de juiste zorg direct na het ongeval. [eiseres] stelt hiertoe dat Snowworld heeft nagelaten adequaat toezicht te houden en te voorzien in gekwalificeerd en deskundig personeel om in geval van letsel adequaat te handelen en de juiste eerste hulp te verlenen.

4.14.
Aan het verwijt van [eiseres] dat Snowworld heeft nagelaten adequaat (de rechtbank begrijpt uit de stellingen van [eiseres] : permanent) toezicht te houden gaat de rechtbank voorbij omdat nader toezicht het ongeval niet had kunnen voorkomen. Het verwijt dat Snowworld heeft nagelaten te voorzien in gekwalificeerd en deskundig personeel slaagt ook niet. Het klopt dat [eiseres] aanvankelijk te hulp is geschoten door twee medewerkers van Snowworld zonder EHBO-diploma, maar niet veel later is de destijds bij Snowworld in dienst zijnde EHBO’er [X] gearriveerd. Dat de betrokken medewerkers die direct na het ongeval arriveerden niet deskundig waren om de situatie te beoordelen en niet adequaat hebben gehandeld heeft [eiseres] , in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door Snowworld, niet onderbouwd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de direct na het ongeval verleende eerste hulp het letsel van [eiseres] (mogelijk) heeft verergerd. Ter zitting heeft [eiseres] wel gesteld dat zij door de betrokken medewerkers is opgetild met de ski nog aan haar been, maar uit de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde verklaring van de zoon van [eiseres] blijkt dat hij de ski’s van [eiseres] al had losgemaakt voordat [eiseres] werd opgetild.

4.15.
De rechtbank concludeert dat ook met betrekking tot de verleende nazorg onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat Snowworld de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden.

Tussenconclusie

4.16.
Het vorenstaande leidt tot de tussenconclusie dat de vorderingen van [eiseres] voor zover gebaseerd op de artikelen 6:173 BW in verbinding met 7:208 BW en 6:162 BW stranden.

Gebrekkige opstal?

4.17.
[eiseres] grondt haar vorderingen tot slot nog op artikel 6:174 BW. [eiseres] stelt in dit verband dat Snowworld als bezitter van een opstal aansprakelijk is, omdat zij ondeugdelijk skimateriaal heeft verstrekt en niet heeft voorzien in deugdelijk toezicht en adequate hulpverlening. Nog los van het feit dat, zoals in het voorgaande is geoordeeld, deze verwijten niet slagen, vallen de verwijten ook niet onder het toepassingsbereik van artikel 6:174 BW. Niet is gesteld of gebleken dat de opstal zelf (de skibaan) als zodanig gebrekkig en daardoor gevaarlijk was. Aansprakelijkheid van Snowworld kan dus ook niet op dit artikel worden gebaseerd.

Slotsom en proceskosten

4.18.
Het voorgaande leidt ertoe dat Snowworld niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het ongeval. De hoofdvorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe niet toe aan een beoordeling van het causaal verband en de omvang van de schade. Ook het beroep van Snowworld op haar exoneratie kan onbesproken blijven. ECLI:NL:RBDHA:2021:7475

 

Deze website maakt gebruik van cookies