Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 's-Gravenhage 120212 geen letselzaak: botsing rechtsafslaande auto en snorfiets; snorfiets aangemerkt als motorrijtuig

Rb 's-Gravenhage 120212 geen letselzaak: botsing rechtsafslaande auto en snorfiets; snorfiets aangemerkt als motorrijtuig 

6  Beoordeling 
In conventie: 
6.1 [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] vordert in de onderhavige procedure veroordeling van Reaal, kennelijk als de WAM-verzekeraar van de door [X] bestuurde auto, tot vergoeding van de - na verkoop van de snorfiets nog resterende - materiële schade, op grond van het feit dat [X] een verkeersfout zou hebben gemaakt. 
Artikel 185 Wegenverkeerswet 
6.2 De meest verstrekkende stelling van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] is dat, ongeacht de toedracht van de aanrijding, Reaal op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk is voor de schade aan de snorfiets. De kantonrechter volgt [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] hier niet in. Zoals Reaal terecht heeft aangevoerd houdt artikel 185 lid 1 WVW een bijzondere (risico)aansprakelijkheid in van de eigenaar of houder van een motorrijtuig voor schade die wordt toegebracht aan niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers zoals voetgangers en fietsers. In artikel 185 lid 3 WVW is bepaald dat deze bijzondere (risico)aansprakelijkheid geen toepassing vindt ten aanzien van schade toegebracht aan "een ander motorrijtuig in beweging". Uit artikel 1 lid 1sub c WVW volgt dat als een motorrijtuig in de zin van de Wegenverkeerswet aangemerkt worden "alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning". Van deze omschrijving, welke het karakter heeft van een definitie, zijn snorfietsen aldus niet uitgezonderd. Dat een snorfiets als een motorrijtuig gezien moet worden vindt ook bevestiging in artikel 1 sub af RVV 1990 waarin een snorfiets als een "bromfiets", met bepaalde eigenschappen, staat omschreven. Weliswaar geeft het bepaalde in artikel 2b RVV 1990 een aanknopingspunt voor het door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] bepleite standpunt dat een snorfiets in bepaalde omstandigheden met een fiets gelijk gesteld moet worden, maar dit artikel laat uitdrukkelijk ruimte voor anders bepalen en vindt slechts toepassing binnen het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, dat een regeling van lagere rangorde dan de Wegenverkeerswet is. De wettelijke definitie in de Wegenverkeerswet leent zich naar haar aard niet voor een extensieve interpretatie die ten doel strekt tot het binnen het bereik van de omschrijving halen van hetgeen daartoe niet behoort. In het onderhavige geval heeft de snorfiets dan ook te gelden als 'een ander motorrijtuig in beweging' en vindt artikel 185 WVW geen toepassing. 

Verkeersfout 
6.3 De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of door [X] als bestuurder van de auto een verkeersnorm is overtreden en hij daarmee een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) heeft gepleegd. Hiervoor dient eerst bezien te worden wat kan worden vastgesteld met betrekking tot de toedracht van de aanrijding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond. 
6.4 [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft gesteld dat de snorfiets op het fietspad ten opzichte van de auto rechtdoorgaand verkeer was, waaraan de naar rechts afslaande auto voorrang had moeten verlenen. 
6.5 Indien [junior] voor [X] rechtdoorgaand verkeer was, dan heeft [X] in strijd met artikel 18 lid 1 RVV 1990 geen voorrang verleend. Met toepassing van de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde 'omkeringsregel' is het causaal verband tussen de normschending en het ongeval in beginsel gegeven. De uit artikel 5 WVW in samenhang met artikel 18 lid 1 RVV 1990 voortvloeiende norm strekt immers ter voorkoming van een specifiek gevaar, te weten het gevaar dat zich een verkeersongeval voordoet, in dit geval verwezenlijkt door een aanrijding met schade en letsel tot gevolg. Niet in geschil is dat, als de snorfiets voor de auto rechtdoorgaand verkeer was, de alsdan door [X] gemaakte verkeersfout een onrechtmatige daad oplevert die aan [X] toerekenbaar is. 
6.6 Door Reaal is echter gemotiveerd betwist dat de snorfiets rechtdoorgaand verkeer was, onder verwijzing naar het aanrijdingsformulier waarop (a) een duidelijke situatieschets is getekend waarin de snorfiets is afgebeeld als naar links afslaand en (b) [junior] met zoveel woorden heeft aangetekend dat hij linksaf sloeg. In dat geval brengt artikel 18 lid 2 RVV 1990 met zich mee dat [junior] aan [X] voorrang had moeten verlenen. 
6.7 [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft daar tegen ingebracht dat op het aanrijdingsformulier staat dat de snorfiets linksaf sloeg omdat zijn zoon voor de afslaande auto naar links is uitgeweken. Zijn zoon was op weg van huis naar school en diende daarvoor op het fietspad rechtdoor te rijden. Als hij op de plek van de aanrijding linksaf had willen slaan, zou hij terug richting huis gegaan zijn, wat niet het geval kan zijn omdat hij om half negen een toets had, aldus [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie]. Gelet op het door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] gedane bewijsaanbod, zal hij in de gelegenheid worden gesteld om te bewijzen dat de snorfiets rechtdoorgaand verkeer was. 
Eigen schuld 
6.8 Om proces-economische redenen zal de kantonrechter nu reeds beoordelen het verweer van Reaal dat, als [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] in het bewijs zou slagen, de aansprakelijkheid van Reaal beperkt is omdat sprake is van eigen schuld van [junior]. 
6.9 Artikel 6:101 BW bepaalt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. 
6.10 In dit kader heeft Reaal gesteld dat [junior] met de snorfiets tegen de toegestane rijrichting in reed, dat [junior] er dus rekening mee moest houden dat andere verkeersdeelnemers hem niet zouden waarnemen en dat uit niets blijkt dat hij zijn weggedrag hierop heeft afgestemd. 
6.11 Ter onderbouwing van haar stelling dat [junior] tegen de toegestane rijrichting in reed heeft Reaal een door To The Point Expertise B.V. op 21 juni 2011 gedateerd rapport overgelegd. Hierin is de verkeerssituatie op en rond de plek van de aanrijding weergegeven. De bevindingen in het rapport zijn door partijen niet weersproken. Uit het rapport volgt dat op de plek waar de snorfiets de afslag naar het parkeerterrein passeerde en waar de aanrijding plaatsvond, bij het fietspad een verkeersbord G11 (dat fietsers en snorfietsers verplicht van het fietspad gebruik te maken en een verplichte rijrichting meebrengt) staat voor (snor)fietsers die in dezelfde richting als de auto rijden (en dus tegenovergesteld aan de richting waaruit de snorfiets kwam). Daarbij is geen bord bevestigd dat het fietspad bestemd is voor beide richtingen. Van waarschuwingsborden voor de auto dat deze bij het kruisen van het fietspad rekening moet houden met (snor)fietsers uit beide richtingen is evenmin sprake. Aangenomen moet derhalve worden dat [junior] tegen de toegestane rijrichting in reed. Daaraan doet niet af dat bij de verkeerslichten waar de snorfiets vanuit een zijstraat links het fietspad is opgereden voor (snor)fietsers die daar rechtsaf zouden slaan bij het fietspad een bord stond, dat het fietspad vanaf daar bestemd is voor beide richtingen. Een dergelijk bord stond er immers niet voor het gedeelte van het fietspad links (dat [junior] in is gereden). [junior] kon er dan ook niet van uit gaan dat deze bestemming naar twee kanten gold. 
6.12 Het instellen van een verplichte rijrichting strekt ertoe om verkeersongevallen, zoals de onderhavige aanrijding, te voorkomen. Het handelen van [junior] in strijd met deze norm kwalificeert als een verkeersfout, welke een onrechtmatige daad oplevert die aan [junior] toerekenbaar is. 
6.13 In geval dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] in het bewijs slaagt, is gelet op het voorgaande sprake van een situatie waarin beide bestuurders een verkeersfout hebben gemaakt. Vervolgens dient beoordeeld te worden in welke mate de aan de bestuurders toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen tot de schade. [junior] heeft een verkeersfout gemaakt, maar [X] had bij het kruisen van het fietspad ook rekening behoren te houden met de mogelijkheid dat aldaar verkeer zou zijn dat zich niet overeenkomstig de verkeersregels gedroeg. [X] had aldus het door [junior] bereden fietspad niet eerder mogen oversteken zonder zich ervan te vergewissen dat dit zonder gevaar kon geschieden. [X] heeft weliswaar verklaard naar beide kanten te hebben gekeken, maar hij heeft kennelijk de snorfiets over het hoofd gezien. Uit het in 6.10 genoemde rapport van de situatie ter plaatse volgt dat [X] bij het naar rechts afslaan in beginsel een vrij uitzicht op het fietspad en een hierop van links naderende snorfiets zal hebben gehad. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden, zodat aangenomen moet worden dat sprake is geweest van (enige mate van) onoplettendheid van [X]. Echter ook [junior] zal in beginsel een vrij uitzicht op de naar rechts afslaande en voor hem het fietspad kruisende auto hebben gehad en - bij een normale snelheid - de tijd hebben gehad om zijn weggedrag daarop aan te passen, hetgeen op zijn weg had gelegen gelet op de omstandigheid dat hij rekening behoorde te houden met de mogelijkheid dat een naar rechts afslaande auto geen of onvoldoende rekening zou houden met een tegen de toegestane rijrichting op het fietspad rijdende en voor de auto van links komende snorfiets. Evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden, zodat aangenomen moet worden dat tevens sprake is geweest van (enige mate van) onoplettendheid van [junior].
6.14 Een en ander tegen elkaar afwegend komt de kantonrechter tot het oordeel dat, in het geval [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] slaagt in het bewijs, de wederzijdse gedragingen in gelijke mate tot de schade hebben bijgedragen. 
6.15 Voor zover [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft willen betogen dat, als artikel 185 WVW geen toepassing vindt, de billijkheid ex artikel 6:101 BW met zich brengt dat de schade geheel aan [X] moet worden toegerekend, omdat [X] met een auto en [junior] met een snorfiets reed en [junior] als een in zoverre zwakkere (kwetsbare) verkeersdeelnemer gelijk gesteld dient te worden met de bestuurder van een fiets, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. De billijkheid vereist niet dat een voor fietsers geldende uitzonderingsbepaling extensief geïnterpreteerd dient te worden. 
Schade 
6.16 Om proces-economische redenen zal de kantonrechter voorts beoordelen het verweer van Reaal dat, als [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] in het bewijs zou slagen, de omvang van de gevorderde schade niet is aangetoond. 
6.17 De omvang van de schade aan de snorfiets is door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] nog onvoldoende onderbouwd. Uit de hoogte van de reparatieofferte en de door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] gestelde (nieuw)waarde volgt dat de reparatiekosten de waarde van de snorfiets overstegen, en deze total loss zal zijn verklaard. Uit de door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] overgelegde order bevestiging en de door Reaal verstrekte informatie volgt dat een vergelijkbaar type snorfiets een cataloguswaarde van ongeveer € 2.600,00 / € 2.900,00 heeft. Dat de snorfiets in 2009 meer gekost heeft en dus ten tijde van de aanrijding meer waard was dan - een twee jaar oude - standaard uitvoering snorfiets, omdat de snorfiets met een kostbare matgrijze kleur en verschillende extra accessoires was uitgevoerd, is door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] niet op enige wijze (met stukken) onderbouwd. De reparatieofferte is daartoe onvoldoende onderbouwing. Ook heeft [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie], gegeven de betwisting wegens gebrek aan wetenschap door Reaal van het door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] genoemde bedrag van € 1.250,00, verzuimd stukken te overleggen waaruit blijkt voor welk bedrag de snorfiets door hem is verkocht en ontvangen, welk bedrag in mindering strekt op de schade. 
6.18 [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] zal, voor het geval hij slaagt in het bewijs, in de gelegenheid gesteld worden om de schade nader te onderbouwen. 
Verdere beslissingen 
6.19 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 

In reconventie 
6.20 Reaal heeft de vordering in reconventie tijdens de comparitie ingetrokken. De vordering was Reaal ingegeven door haar vermoeden, op grond van het feit dat op het aanrijdingsformulier zowel de geboortedatum als het rijbewijsnummer niet door [junior] zijn ingevuld, dat [junior] ten tijde van de aanrijding jonger dan 16 jaar was en niet gerechtigd was om zich op een snorfiets in het verkeer te begeven. Met de bij antwoord in reconventie door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] overgelegde kopie van het rijbewijs van [junior] is dit vermoeden voor Reaal voldoende ontkracht. 
6.21 Uitgangspunt is, dat een gedaagde die kosten heeft moeten maken voor verweer tegen een vordering die wordt ingetrokken op gronden die geheel in de sfeer van eiser liggen, zoals in het onderhavige geval, recht heeft op een kostenveroordeling te zijnen gunste. 
6.22 Reaal zal dan ook in de kosten van de procedure in reconventie worden veroordeeld. Bij de bepaling daarvan houdt de kantonrechter er rekening mee dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] feitelijk in persoon procedeert en er een zodanige samenhang is tussen de procedures in conventie en reconventie, dat het verweer in reconventie weinig extra kosten met zich mee zal hebben gebracht. 

Beslissing 
de kantonrechter: 

In conventie 
1 laat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] toe tot bewijslevering zoals hiervoor onder 6.6 is overwogen; 

2 verwijst deze zaak naar de civiele rolzitting van deze rechtbank, sector kanton, locatie Delft, van donderdag 9 februari 2012 te 11:00 uur, teneinde [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] in de gelegenheid te stellen: 

(A) zich uit te laten of hij bewijs wenst te leveren, dan wel dat hij om hem moverende redenen van die bewijslevering wenst af te zien; 
indien [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] bewijs wenst te leveren door het voorbrengen van getuigen, dan dient hij opgave te doen van de namen en woonplaatsen van die getuigen onder gelijktijdige opgave van verhinderdata van beide partijen en hun gemachtigde, alsmede van de getuigen in de periode maart, april en mei 2012; 
de eventueel voor te brengen getuigen worden op de zitting van donderdag 9 februari 2012 te 11:00 uur nog niet gehoord; 

(B) de door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] gestelde schade nader te onderbouwen aan de hand van stukken; 

3 houdt elke verdere beslissing aan; 

in reconventie: 
4 veroordeelt Reaal in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] vastgesteld op € 100,00 als noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten; LJN BV8991

Deze website maakt gebruik van cookies