Zoeken

Inloggen

Artikelen

RBNNE 070721 fietser over stoep en tegen verkeer in raakt al dan niet scooter; scooter niet aansprakelijk (2)

RBNNE 070721 fietser over stoep en tegen verkeer in raakt al dan niet scooter; scooter niet aansprakelijk
- verzocht en begroot, niet toegewezen 15 uur x € 210,00 x 1,21 = € 3.811,50

locatie ongeval: goo.gl/maps/

2De feiten
2.1.
Op 24 december 2019 heeft op de Jousterkade in Sneek een ongeval plaatsgevonden, waarbij [A] ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. [A] reed ten tijde van het ongeval op haar fiets en [B] op haar scooter. Unigarant is de gevolmachtigd agent van de Wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar van [B] .

2.2.
[A] is op 24 december 2019 omstreeks 12.15 uur vanaf haar huis over de 1e Oosterkade richting de binnenstad van Sneek gefietst. [A] is links langs de railing en het water gefietst richting de rotonde. [A] is vervolgens over de stoep naar de Jousterkade gefietst met als doel om daar over te steken, naar de zijde van de Pets Place, gelegen aan de Jousterkade 2. [A] wilde al fietsend oversteken, maar werd verrast door [B] en is ten geval gekomen.

2.3.
[B] is die dag, na haar bezoek aan de Pets Place, met haar scooter de weg overgestoken op de Jousterkade richting de rotonde. Op een gegeven moment heeft [B] een klap gehoord, waarna zij haar scooter heeft stilgezet en zag dat [A] op straat lag.

2.4.
[A] is nadien per ambulance naar het Antonius Ziekenhuis in Sneek vervoerd. Op de spoedeisende hulp zijn fracturen in het bekken en in de rechterschouder van [A] geconstateerd. Ook had [A] een aantal ribben gekneusd. [A] is vanaf 24 december tot en met 30 december 2019 opgenomen geweest in het ziekenhuis. Daarna is zij voor verdere revalidatie overgebracht naar een revalidatiecentrum in Sneek. [A] zat toen in een rolstoel en haar rechterarm zat in een mitella. Vervolgens is [A] thuis verder gerevalideerd.

2.5.
Bij het ongeval is politie ter plaatse geweest. Blijkens het proces-verbaal van de politie te Sneek van 24 december 2019 heeft [B] verklaard:

"Vanaf haar van rechts, over de stoep, naderde mw [A] . Deze heeft vervolgens [B] aangetikt tegen de achterzijde van haar scooter waarna deze ten val is gekomen".

2.6.
Bij brief van 3 februari 2020 heeft de advocaat van [A] Unigarant aansprakelijk gesteld voor de door [A] geleden en nog te lijden schade op grond van artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) en artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW). In de brief staat vermeld dat [A] is aangereden door [B] . Unigarant heeft iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.7.
Op het schadeformulier dat [B] na het ongeval samen met haar vader heeft ingevuld staat onder meer vermeld dat een oudere dame achter [B] ten val is gekomen. Ook staat onder het kopje opmerkingen vermeld dat deze mevrouw waarschijnlijk tegen een stoep aanreed.

2.8.
Mevrouw [C] (hierna: [C] ), getuige van het ongeval, heeft op 29 oktober 2020 schriftelijk over het ongeval verklaard, voor zover van belang:

"(…). Ik zag een bromfiets over de straat rijden in de richting van de rotonde. Deze bromfiets kwam voor mij bezien van rechts. Deze bromfiets reed zeer langzaam op de rotonde af. Er kwam een wat oudere dame op een fiets over de stoep. Zij reed tegen het verkeer in en kwam vanaf de richting van Bar 't Ouwe VAT en de brievenbus die ervoor staat. Zij sneed de bocht als het ware af en was van plan om straat vóór de Petsplace over te steken. Ik had het idee dat de mevrouw schrok van de bromfiets die op de rotonde afreed. Ik vermoed dat zij geremd heeft. Zij ging op de grijze stenen/tegels die langs de stoep liggen onderuit. Dat was nog vóór de bromfiets langs. Zij heeft de bromfiets daarbij niet geraakt. Zij kwam op haar zij terecht. (…) De bromfietser stond op dat moment al stil of praktisch stil.

(…)

Het was op het moment van het ongeval niet druk bij de rotonde.

(…)

De bromfietser reed zeer langzaam en heeft het ongeval niet kunnen voorkomen. Ik zou niet weten wat de bromfietser anders had kunnen doen. Zij kon niet nog langzamer rijden. Zij stond al praktisch stil. (…)."

3Het verzoek
3.1.
[A] verzoekt de rechtbank om:

a.) voor recht te verklaren dat [B] en Unigarant jegens [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval dat [A] op 24 december 2019 in Sneek is overkomen, althans voor recht te verklaren dat [B] en [A] op 24 december 2019 bij een ongeval zijn betrokken in de zin van artikel 185 WVW,

b.) te bepalen dat Unigarant de schade van [A] integraal dient te vergoeden, en

c.) de buitengerechtelijke kosten in verband met dit deelgeschil aan de zijde van [A] te begroten op € 3.811,50 en Unigarant te veroordelen tot betaling van voornoemd bedrag aan [A] binnen veertien dagen na datum van de te wijzen beschikking,

alsmede één en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, voor zover de wet dat toestaat.

3.2.
Het verweer van Unigarant en [B] strekt tot afwijzing van het verzoek.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4Het geschil en de beoordeling daarvan
4.1.
Het verzoek van [A] strekt te komen tot hoofdelijke aansprakelijkheid van [B] en Unigarant en vergoeding van haar schade door Unigarant. Gelet op de mogelijkheid dat partijen tot nader overleg en een minnelijke regeling komen indien de rechtbank beslist dat [B] en Unigarant hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [A] heeft geleden, kan [A] in haar verzoek worden ontvangen.

Betrokkenheid ex artikel 185 WVW?

4.2.
[A] voert aan, verkort weergegeven, dat [B] jegens haar aansprakelijk is op grond van artikel 185 WVW. Volgens [A] was het voorafgaand aan het ongeval druk in de stad en op de betreffende rotonde. Een stilstaande auto op de Jousterkade, in de richting van de rotonde, heeft [A] ruimte geboden om over te steken, aldus [A] . Vervolgens werd [A] verrast door [B] , die op haar scooter het stilstaande autoverkeer op de Jousterkade volgens [A] rechts inhaalde en in de richting van de rotonde reed. [A] schat de snelheid van [B] op circa 25 à 30 km per uur. De toegestane maximumsnelheid was 30 km per uur. Volgens [A] konden zij en [B] elkaar niet meer ontwijken, met een aanrijding tot gevolg. [B] heeft na het ongeval bij de politie aangegeven dat [A] haar scooter heeft aangetikt, zodat sprake is van betrokkenheid in de zin van artikel 185 WVW, aldus [A] . Ook getuige [C] heeft verklaard dat [A] schrok. Met een schriksituatie als deze, waarbij het motorrijtuig een factor is, is betrokkenheid volgens [A] ook gegeven. De verklaring van [B] op het aanrijdingsformulier dat [A] waarschijnlijk tegen een stoep aanreed is onjuist. Er zijn ter plaatse geen opstaande stoepranden. Ook de verklaring van [C] is volgens [A] op onderdelen ongeloofwaardig, zodat daaraan geen waarde kan worden gehecht. Zo doet [C] het onder meer voorkomen alsof de Jousterkade een ijsbaan is, waarbij [A] plotseling onderuit is gegaan en voor de passerende scooter langs is gevallen. Dat kan niet waar zijn. Op het aanrijdingsformulier heeft [B] ingevuld dat [A] achter haar ten val kwam. Er was bovendien sprake van druk verkeer. [A] stak immers over nadat haar ruimte werd geboden door een wachtende auto. [C] kan dan ook geen vrij zicht hebben gehad, aldus [A] . Volgens [A] staat betrokkenheid van [B] bij het ongeval daarmee vast. [A] constateert dat Unigarant zich primair op overmacht beroept zodat ook om die reden kan worden uitgegaan van betrokkenheid. Het beroep van Unigarant op overmacht kan evenmin slagen, aldus [A] . De oversteekplaats waar [A] wilde oversteken is gemarkeerd met twee rijen grijze tegels die dwars over de rijbaan van de Jousterkade lopen. Het oversteken van [A] op deze locatie was niet zo onwaarschijnlijk dat [B] hiermee geen rekening hoefde te houden. Daarbij komt dat [B] op haar bromfiets een rij wachtende auto's rechts heeft ingehaald. Dat vereist extra oplettendheid. [A] betwist dat [B] haar snelheid had aangepast naar stapvoets.

4.3.
Unigarant en [B] voeren, samengevat weergegeven, primair aan dat geen sprake is van aansprakelijkheid van [B] (en Unigarant) op grond van artikel 185 WVW aangezien er sprake is van een overmachtssituatie. Subsidiair wordt de door [A] gestelde toedracht uitdrukkelijk betwist. Er is volgens [B] sprake van een eenzijdig ongeval aan de zijde van [A] , waarvan [B] geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dit verweer wordt bevestigd door de verklaring van een onafhankelijke getuige, aldus [B] . [A] fietste daarentegen met haar fiets aan de verkeerde kant van de weg, over de stoep. Volgens [B] mocht [A] niet fietsen op de oversteekplaats bedoeld voor voetgangers. Ook mocht zij niet fietsen in de rijrichting waarin zij reed. [B] heeft op een nette wijze aan het verkeer deelgenomen en is zeer langzaam op de rotonde afgereden, aldus [B] . [B] voert in dit verband aan dat zij ook niet hard kan hebben gereden, omdat zij vanaf de Pets Place kwam. Volgens [B] heeft zij gelijk weer afgeremd voor de rotonde, toen zij op de Jousterkade reed. Ook [C] heeft aangegeven dat [B] langzaam op de rotonde afreed en ten tijde van het vallen van [A] al praktisch stil stond. [B] betwist dat zij andere verkeersdeelnemers aan de rechterzijde zou hebben ingehaald. Er reed geen ander verkeer naast [B] . Dit blijkt ook uit de verklaring van [C] , die vanuit de Pets Place goed zicht had op de situatie en zowel [A] als [B] goed kon zien. [B] betwist dat zij en [A] elkaar niet meer konden ontwijken, zoals [A] heeft betoogd. [B] en [A] hebben elkaar niet geraakt, aldus [B] . De verklaring die [B] tegenover de politie heeft afgelegd kwam van de schrik en de adrenaline. Volgens [B] kon zij pas op het moment dat zij weer thuis was helder nadenken en heeft zij zich gerealiseerd dat er helemaal geen aanrijding heeft plaatsgevonden. Ook dit wordt bevestigd door [C] . Voor zover [A] vraagtekens plaatst bij de juistheid van de verklaring van [C] , had het voor de hand gelegen om [C] in een voorlopig getuigenverhoor te laten horen. De onderhavige procedure leent zich daar niet voor. [B] is van mening dat haar ten aanzien van de wijze waarop zij heeft deelgenomen aan het verkeer geen enkel verwijt valt te maken en dat zij niet aansprakelijk is voor (het ontstaan van) het ongeval. Volgens [B] dienen de vorderingen van [A] daarom te worden afgewezen.

4.4.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Artikel 185 lid 1 WVW bepaalt: " Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig of - indien er een houder van het motorrijtuig is - de houder verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is".

4.5.
Hoewel Unigarant en [B] zich in het verweerschrift primair op overmacht beroepen, begrijpt de rechtbank uit de stellingen van [B] dat in de kern genomen betrokkenheid in de zin van artikel 185 lid 1 WVW wordt betwist. Nu deze betrokkenheid vereist is voor toewijzing van de verzoeken van [A] , zal de rechtbank allereerst beoordelen of betrokkenheid van [B] bij het ongeval kan worden aangenomen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook bij afwezigheid van contact of een aanraking betrokkenheid kan worden aangenomen, bijvoorbeeld in het geval dat een fietser schrikt van een botsing tussen twee auto's en ten val komt (zie HR 23 november 1939, NJ 1940, 265). De enkele aanwezigheid van een motorrijtuig op de plaats van het ongeval of het enkel samengaan van de handeling van het motorrijtuig en het ongeval is daarentegen niet voldoende voor betrokkenheid in de zin van artikel 185 lid 1 WVW. De bewijslast voor het vaststellen van betrokkenheid van [B] bij het ongeval rust op grond van artikel 150 Rv op [A] .

4.6.
Vast staat dat [A] de Jousterkade vanaf de verkeerde kant van de rotonde, via de stoep, al fietsend wilde oversteken, zodat [A] naar het oordeel van de rechtbank in overtreding was. [A] heeft ter zitting verklaard dat zij nog een bocht naar links heeft gemaakt om [B] te ontwijken. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op voornoemde overtreding ook op de weg lag van [A] om voorrang aan [B] te verlenen op de Jousterkade. [B] reed rechtdoor richting de rotonde. Uit de verklaring van [A] dat zij denkt dat de achterkant van de scooter van [B] haar heeft geraakt, leidt de rechtbank af dat [A] - net als [B] - ervan uit gaat dat [A] aan de achterkant van de scooter van [B] ten val is gekomen. In zoverre komen de verklaringen van partijen overeen. Vervolgens beginnen de verklaringen van partijen uiteen te lopen. [B] heeft tegenover de politie weliswaar verklaard dat [A] de achterzijde van haar scooter heeft aangetikt (zoals ook [A] heeft betoogd), maar [B] heeft dat later gemotiveerd ontkend - zij heeft ter zitting namelijk verklaard dat zij niks heeft gevoeld - en die ontkenning heeft zij onderbouwd met een verklaring van een onafhankelijke getuige. Van de juistheid van de lezing van [A] kan daarom niet zonder meer worden uitgegaan. Voor zover [A] wenst te betogen dat [B] en [C] elkaar zouden kennen omdat zij volgens [A] beiden uit de Pets Place zijn gekomen, heeft [B] deze stelling gemotiveerd betwist. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat [C] geen onafhankelijke getuige zou zijn.

4.7.
[B] heeft voorts de lezing van [A] dat zij andere verkeersdeelnemers aan de rechterzijde zou hebben ingehaald, gemotiveerd betwist. Ter zitting heeft [B] in dit verband verklaard dat zij geen auto heeft gezien. Ook heeft zij gemotiveerd betwist dat zij 25 of 30 km per uur zou hebben gereden. [B] heeft ter zitting verklaard dat zij net een paar meter onderweg was, nadat zij was overgestoken van de zijde van de Pets Place. Getuige [C] heeft deze verklaringen van [B] bevestigd. Volgens [C] was het niet druk bij de rotonde en is [B] zeer langzaam op de rotonde afgereden. Ook heeft [C] verklaard dat [B] niet nog langzamer had kunnen rijden. [B] stond al praktisch stil volgens [C] . [A] heeft geen nadere onderbouwing overgelegd van haar lezing van de toedracht van het ongeval. Het antwoord op de vraag of er sprake is geweest van contact of een aanraking tussen [A] en [B] , zoals [A] heeft betoogd, vergt daarom nadere bewijslevering. Naar het zich laat aanzien dienen in dat verband (in ieder geval) drie getuigen te worden gehoord. De rechtbank is van oordeel dat een (voorlopig) getuigenverhoor daarvoor de geëigende weg is. De onderhavige procedure leent zich daar niet voor.

4.8.
Hoewel betrokkenheid in de zin van artikel 185 lid 1 WVW ook bij afwezigheid van contact of een aanraking kan worden aangenomen, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet komen vast te staan dat [B] een actieve rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het ongeval. [C] heeft verklaard dat [A] (al) ter hoogte van de grijze stenen/tegels is gevallen die, met name als zij nat zijn, spekglad zijn. [A] heeft in dit verband ter zitting verklaard dat het regende ten tijde van het ongeval. [A] heeft weliswaar betwist dat zij ten gevolge van gladheid zou zijn gevallen, maar gelet op de verklaring van [C] kan dit niet zonder meer worden uitgesloten. [A] heeft voorts verklaard dat zij van [B] is geschrokken, maar uit de verklaringen van [B] en [C] volgt dat [B] langzaam heeft gereden. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, alsmede op de verklaring van [C] dat zij niet zou weten wat [B] anders had kunnen doen, acht de rechtbank het enkele feit dat [A] geschrokken is van [B] onvoldoende om betrokkenheid van [B] bij het ontstaan van het ongeval aan te nemen. Het enkel samengaan van de aanwezigheid van [B] ter plaatse en het ongeval leidt niet tot betrokkenheid.

4.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat vooralsnog moet worden aangenomen dat artikel 185 lid 1 WVW toepassing mist. De aansprakelijkheid van [B] en Unigarant kan in dit deelgeschil niet worden vastgesteld. De verzoeken van [A] onder a. en b. (van 3.1.) zijn daarom niet toewijsbaar.

4.10.
De onder c. verzochte veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke kosten is evenmin toewijsbaar, omdat de aansprakelijkheid van [B] en Unigarant in dit deelgeschil niet is komen vast te staan.

4.11.
Ten aanzien van het verzoek onder c. om de kosten te begroten overweegt de rechtbank als volgt. De wet bepaalt in art. 1019aa lid 1 Rv dat de rechter de kosten van de procedure moet begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is en zal daarom overgaan tot een begroting van de kosten aan de zijde van [A] . Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en ook de hoogte van de kosten moet redelijk zijn. De kosten van [A] komen slechts voor vergoeding in aanmerking indien in een -eventuele- bodemprocedure de aansprakelijkheid van [B] en Unigarant alsnog komt vast te staan.

4.12.
[A] heeft in het verzoekschrift gesteld dat voor de kosten van rechtsbijstand dient te worden uitgegaan van een bedrag van € 3.811,50. Daarbij is uitgegaan van een tijdsbesteding van 15 uur, tegen een uurtarief van € 210,00 exclusief btw. De rechtbank acht het aantal begrote uren redelijk en acht het uurtarief niet bovenmatig. De rechtbank zal de totale kosten van rechtsbijstand daarom begroten op het verzochte bedrag van € 3.811,50.

Dit bedrag dient naar het oordeel van de rechtbank te worden vermeerderd met het door [A] betaalde bedrag aan griffierecht, te weten een bedrag van € 309,00. De rechtbank zal de kosten van het deelgeschil daarom begroten op een bedrag van in totaal € 4.120,50. ECLI:NL:RBNNE:2021:3434

Deze website maakt gebruik van cookies