Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Arnhem 170609 Taxichauffeuse, oordeel over carriere-ontwikkeling met en zonder ongeval

VERLIES VERDIENVERMOGEN carriëreontwikkeling

Rb Arnhem 170609 Taxichauffeuse, oordeel over carriere-ontwikkeling met en zonder ongeval
2.  De feiten
2.1.  Op 23 juli 1998 heeft te Groesbeek een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto’s, waarvan de ene door [eiseres] werd bestuurd en de andere door een verzekerde van TVM. TVM heeft aansprakelijkheid aanvaard voor de door [eiseres] ten gevolge van het ongeval geleden schade. [eiseres] droeg ten tijde van de aanrijding geen autogordel.

2.2.  Na het ongeval heeft [eiseres] hoofdpijn- en nekklachten ondervonden, alsmede klachten van vermoeidheid en cognitieve klachten. Zij heeft zich kort daarna in verband met deze klachten onder behandeling gesteld van manueel therapeut F.J.L. Janssen te Deventer.
2.3.  Ook voor het ongeval heeft [eiseres] zich periodiek onder behandeling van een fysio- en manueeltherapeut gesteld wegens door haarzelf als ‘chauffeurskwaal’ betitelde nekklachten, voor het laatst in april/mei 1998. Haar behandelaar, E. Saedt, heeft op 9 juni 1998 aan de huisarts van [eiseres] geschreven dat na die behandelingen de functiestoornis op hoog-cervicaal niveau was opgeheven en [eiseres] op dat moment vrij van klachten en beperkingen was. Verder heeft hij in die brief opgemerkt [eiseres] te hebben gewezen op de relevantie van een te eenzijdige werkbelasting c.q. levensstijl in combinatie met overgewicht voor het functioneren van de wervelkolom als geheel.

2.4.  [eiseres] werkte vanaf haar 18e als taxichauffeur, eerst in de vervoersonderneming van haar ouders en sinds 1997 in dienst van Stationtaxi B.V. te Tilburg. Ten tijde van het ongeval werkte [eiseres] daar 36 uur per week. Na het ongeval is [eiseres] uitgevallen voor haar werk in verband met haar klachten. Stationtaxi B.V. heeft de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met [eiseres], die voortduurde tot en met 25 september 1998, om die reden niet verlengd.

2.5.  Op 8 maart 1999 was [eiseres] opnieuw betrokken bij een verkeersongeval, in verband waarmee zij door een ambulance is vervoerd naar de afdeling Spoedeisende Hulp van Ziekenhuis Rijnstate. Na onderzoek mocht zij vrijwel direct weer naar huis.

2.6.  Op 22 november 1999 heeft het GAK [eiseres] schriftelijk bericht dat zij weliswaar ongeschikt is bevonden voor haar werk als chauffeur, maar dat zij door haar restverdiencapaciteit minder dan 15% arbeidsongeschikt is, waardoor zij geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering. Wel werd [eiseres] beschouwd als arbeidsgehandicapte, op grond waarvan zij in aanmerking kwam voor omscholing en ondersteuning bij het vinden van ander werk. [eiseres] heeft in die periode tot in 2006 afwisselend WW- en reïntegratieuitkeringen genoten.

2.7.  Het GAK heeft - met instemming en medeweten van TVM - de reïntegratie van [eiseres] op zich genomen. Met ingang van 31 mei 2000 heeft [eiseres] de opleiding tot commercieel bemiddelaar aan de HAN (Hogeschool Arnhem [woonplaats]) gevolgd, met de bedoeling die in maart 2001 af te ronden. [eiseres] heeft deze opleiding niet voltooid, doordat zij geen stageplaats heeft kunnen bemachtigen en doordat zij in januari 2001 zwanger raakte. In mei 2001 heeft [eiseres] zich in verband met haar zwangerschap ziek gemeld.

2.8.  Op verzoek van beide partijen heeft de neuroloog N. Padt [eiseres] op 13 juli 2001 onderzocht. In zijn rapportage van 1 augustus 2001 heeft hij, samengevat, het volgende vermeld. [eiseres] lijdt ten gevolge van het eerste ongeval aan het post-whiplashsyndroom, waarbij inmiddels haar pijnklachten in relatie tot de ervaren cognitieve klachten zijn afgenomen. Het niet dragen van de autogordel door [eiseres] is voor het ontstane letsel niet relevant, zo volgt uit meerdere publicaties. Het tweede ongeval heeft niet tot blijvende klachten geleid. De voor het ongeval al periodiek terugkerende nekklachten - de ‘chauffeurskwaal’ - waren steeds goed te behandelen, waarna [eiseres] klachtenvrij was. [eiseres] zou in verband met de gevolgen van het post-whiphlashsyndroom baat kunnen hebben bij een multidisciplinaire behandeling in een revalidatiecentrum, na haar zwangerschap, ter bewerkstelliging van acceptatie van haar beperkingen. Het leek Padt raadzaam dat [eiseres] de na het ongeval aangevangen manueel-therapeutische behandelingen voorlopig zou handhaven. Al met al lijkt ondanks de therapiesuggestie een eindtoestand bereikt. Niettemin is denkbaar dat in de toekomst op een niet te beoordelen termijn nog klachtenafname zal plaatsvinden. De als blijvend aan te merken functionele invaliditeit bedraagt 5%. Neuropsychologisch onderzoek is niet verricht en ook niet noodzakelijk, aangezien [eiseres] van mei tot oktober 2000 - zij het met moeite - een omscholingscursus met een nagenoeg volledige leerweek heeft gevolgd en met goed resultaat heeft afgerond. De ervaren cognitieve klachten werden geacht een onderdeel te zijn van het post-whiplashsyndroom en samen te hangen met de abnormale vermoeidheid. Bij zijn rapportage heeft Padt een belastbaarheidsprofiel van [eiseres] gevoegd, waarnaar hij in zijn rapportage heeft verwezen. Op dat profiel zijn na onderling overleg tussen de medische adviseurs van de partijen met de hand twee opmerkingen over de beperkingen bijgeschreven.

2.9.  Op 18 oktober 2001 is [eiseres] bevallen van een zoon. In 2002 is [eiseres] gescheiden van haar partner.

2.10.  In augustus 2002 is vanuit het GAK het reïntegratietraject van [eiseres] weer opgestart. In verband met het therapeutisch advies van Padt heeft [eiseres] bij DBC Arnhem een nektrainingsprogramma van 12 weken gevolgd, ter verbetering van haar dagelijks functioneren. Dit programma heeft zij in mei 2003 afgerond. [eiseres] is in augustus 2003 op kosten van het GAK en met behoud van uitkering begonnen met een deeltijdopleiding Sociale Dienstverlening (SD) op MBO niveau van 2,5 jaar. Deze opleiding heeft zij voltooid. Vervolgens is zij begonnen aan de MWD-opleiding op HBO-niveau, eveneens met behoud van uitkering (tot uiterlijk 7 november 2006), maar onder handhaving van haar sollicitatieplicht en zonder vergoeding van de studiekosten door het GAK.

2.11.  Met ingang van 17 augustus 2006 werkt [eiseres] bij de Regionale Instelling Beschermd Wonen (RIBW). Aanvankelijk werkte zij daar 30 uur per week, op basis van een contract voor bepaalde tijd. Op enig moment heeft zij bij het RIBW een arbeidscontract voor onbepaalde tijd verworven en is zij 32 uur per week gaan werken.

2.12.  Het minnelijk overleg tussen de partijen over de afwikkeling van de schade is vastgelopen op een verschil van mening bij de vaststelling van het verlies van verdienvermogen van [eiseres]. Met name over het hypothetische carrièreverloop van [eiseres] zonder ongeval en over het toekomstig arbeidsperspectief van [eiseres] - inclusief de noodzaak van verdere scholing - bestond onenigheid. In verband hiermee heeft [eiseres] deze rechtbank in mei 2006 verzocht voorlopige deskundigenberichten in te winnen, van een arbeidsdeskundige en een rekenkundige.

2.13.  Bij beschikking van 18 september 2006 heeft de rechtbank de arbeidsdeskundige J.P.H.M. Verhoeven en de actuarieel rekenkundige A.A.Th.M. Hagelaars-Rooijakkers, verbonden aan het NRL, tot deskundigen benoemd. Verhoeven heeft op 19 januari 2007 zijn deskundigenbericht uitgebracht. Op heeft 5 december 2007 heeft Hagelaars haar rapport uitgebracht.

2.14.  In juni 2008 heeft [eiseres] de propaedeuse van haar HBO-opleiding gehaald. Begin 2009 is zij met deze opleiding gestopt.

2.15.  TVM heeft in der minne in totaal € 115.474,-- aan schadevergoeding aan [eiseres] uitgekeerd.

3.  Het geschil
3.1.  [eiseres] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I   TVM zal veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de schade die zij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden door het ongeval van 26 juli 1998 tot het bedrag van € 201.965,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over de onderscheiden schadeposten vanaf het moment dat [eiseres] daarop volgens het recht aanspraak kan maken tot aan de dag der algehele voldoening;
II   TVM zal veroordelen
  1.   in de door/ten behoeve van [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 26.826,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de dag der dagvaarding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening,
  2.  aan [eiseres] een belastinggarantie te verstrekken ten aanzien van de schadevergoeding wegens verlies verdienvermogen, althans tot veroordeling van de schade die [eiseres] lijdt/zal lijden indien belastingheffing in Box 1 of 2 van de Inkomstenbelasting zal plaatsvinden over de schadevergoeding wegens verlies van verdienvermogen/pensioenschade,
  3.  in de kosten van deze procedure.

3.2.  Het verweer van TVM tegen de vorderingen zal, voor zover nodig, in het navolgende worden besproken.

4.  De beoordeling
4.1.  Aangezien TVM aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend, spitst het geschil zich toe op de omvang van de door TVM aan [eiseres] te betalen schadevergoeding. TVM meent dat zij met haar betalingen aan [eiseres] van in totaal € 115.474,-- de schade ruimschoots heeft vergoed. [eiseres] daarentegen meent aanspraak te hebben op een aanvullende betaling van in totaal € 228.791,66.

ongevalsgevolgen/beperkingen

4.2.  Voor een aantal van de schadeposten waarover de partijen van mening verschillen is van belang wat de ongevalsgevolgen zijn. Op gezamenlijk verzoek van de partijen heeft de neuroloog Padt in augustus 2001 over de gevolgen van het ongeval een rapport uitgebracht (zie onder 2.8). Volgens [eiseres] zijn het rapport van Padt en de daarin door hem benoemde beperkingen (ook nu nog) onverkort het uitgangspunt ter begroting van haar schade wegens verlies van verdienvermogen, kosten van vervangende huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid. TVM daarentegen meent dat de door Padt gerapporteerde mogelijke toekomstige verbetering van de toestand van [eiseres], wat er van de oorzaak van haar aanvankelijke klachten en de beoordeling daarvan door Padt overigens ook zij, zich kennelijk heeft voorgedaan. TVM verwijst hiertoe naar de sedertdien door [eiseres] ten toon gespreide reïntegratie- en arbeidsinspanningen en het gegeven dat [eiseres] daarmee de zorg voor een jong kind - inmiddels als alleenstaande ouder - heeft weten te combineren. Op grond hiervan meent TVM dat (thans) concrete, ongevalsgerelateerde beperkingen ontbreken die [eiseres] beperken in haar beroepswerkzaamheden, huishoudelijk werk en zelfwerkzaamheid. Mocht dit al anders zijn, dan is volgens TVM geen sprake van ongevalsgerelateerde beperkingen die leiden tot schade, althans dient inmiddels nieuw neurologisch onderzoek daarnaar te worden gedaan, gevolgd door onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige.

4.3.  Aangezien de partijen gezamenlijk ervoor hebben gekozen Padt in te schakelen om op neurologisch gebied de gevolgen van het ongeval van 23 juli 1998 en de daaruit voortvloeiende klachten en beperkingen van [eiseres] in kaart te brengen, zullen zij het in beginsel met de inhoud van dat rapport moeten doen. Een uitzondering daarop kan bestaan indien er klemmende bezwaren bestaan om aan het aldus tot stand gekomen rapport beslissende betekenis c.q. bewijskracht toe te kennen. De door TVM geopperde bezwaren tegen de door Padt gestelde diagnose - volgens TVM in strijd met de daarvoor onder neurologen destijds geldende richtlijn - leveren (in elk geval thans) niet (meer) die klemmende bezwaren op. TVM is destijds op basis van het rapport van Padt tot (eenzijdige) afwikkeling van de schade overgegaan en heeft in dat verband de bevindingen van Padt geaccepteerd dat er op dat moment ongevalsgerelateerde klachten waren, die [eiseres] toen ongeschikt maakten voor haar oude beroep, die haar noopten tot omscholing en die haar ook beperkten bij het verrichten van bepaalde huishoudelijke taken en zelfwerkzaamheid. Zoals TVM het zelf zegt, heeft TVM daarbij de door [eiseres] gemaakte keuzes gerespecteerd en - tot op zekere hoogte - de financiële consequenties daarvan aanvaard.

4.4.  Het voorgaande neemt niet weg dat op basis van het rapport van Padt niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat in 2001 reeds een eindtoestand in de medische situatie van [eiseres] was bereikt. In zijn rapport zinspeelt Padt daarop wel, maar hij vervolgt zijn rapport met de opmerking dat op dat moment niet valt uit te sluiten dan op een - voor hem niet in te schatten termijn - nog verbetering in de situatie van [eiseres] zal optreden. Anders dan [eiseres] meent, is in dit geval niet slechts sprake van deze in algemene termen gestelde opmerking van de deskundige waaraan geen betekenis toekomt. In het licht van de door TVM daarvoor genoemde argumenten is het niet onbegrijpelijk dat TVM dit punt thans aan de orde stelt. Uit de door [eiseres] sinds 2001 ondernomen activiteiten op het gebied van scholing en werk, in combinatie met de (met haar ex-partner gedeelde) zorg voor haar kind, lijkt vooralsnog te kunnen worden afgeleid dat gaandeweg haar belastbaarheid verbeterd is. In het verlengde daarvan rijst de vraag of nog sprake is van een zodanig verminderde belastbaarheid dat die leidt tot schade. Of nieuw - dan wel, zoals ter comparitie namens [eiseres] is aangevoerd, aanvullend - medisch deskundigenonderzoek aangewezen is, zal bij de beoordeling van de onderscheiden schadeposten worden bezien.

verlies verdienvermogen

4.5.  Bij de vaststelling van verlies van verdienvermogen komt het erop aan wat feitelijk sinds het ongeval aan inkomsten is en zal (kunnen) worden ontvangen en wat dat zou zijn geweest als het ongeval niet was geschied. Het eventuele voor [eiseres] negatieve verschil tussen haar feitelijke inkomen sinds het ongeval en haar hypothetische inkomen zonder het ongeval vormt de schade die TVM zal moeten vergoeden. In dit verband strijden de partijen erover van welk hypothetisch carrièreverloop (zonder ongeval) moet worden uitgegaan en in hoeverre de door [eiseres] gevolgde omscholing nog in verband te brengen is met (ondervanging van de gevolgen van) het ongeval.

hypothetische situatie (zonder ongeval)

4.6.  [eiseres] heeft gesteld dat zij ten tijde van het ongeval het beroep van ambulancechauffeur ambieerde en dat zij deze ambitie enkel als gevolg van het ongeval niet omstreeks 1998/1999 heeft kunnen verwezenlijken. Ter onderbouwing van haar stelling beroept zij zich erop dat zij die functie te Tilburg had willen bemachtigen en dat zij daarom als taxichauffeur in Tilburg was gaan werken, teneinde alvast topografische kennis van die omgeving op te doen. Zij is het niet eens met de bevindingen van de arbeidsdeskundige Verhoeven, die in zijn voorlopig deskundigenbericht de kans dat [eiseres] destijds een functie als ambulancechauffeur zou hebben kunnen bemachtigen klein - en voor haar [toenmalige; rb] woonomgeving zelfs afwezig - acht. [eiseres] houdt er ondanks dit rapport aan vast dat een carrière als ambulancechauffeur een redelijke, bij de schadebegroting te hanteren toekomstverwachting is, die aansluit bij haar (toenmalige) mogelijkheden en capaciteiten, mede gelet op haar grote motivatie. Die blijkt mede uit het behalen - zelfs na het ongeval - van het door Verhoeven als vereiste genoemde mbo-niveau. [eiseres] meent dat Verhoeven niet op basis van de juiste informatie tot zijn conclusies is gekomen en heeft ter staving daarvan twee schriftelijke verklaringen overgelegd, afkomstig van bij de ambulancedienst GGD Hart van Brabant te Tilburg werkzame personen: A. van Bekhoven en C. van Engelen. Uit die verklaringen volgt volgens [eiseres] dat tot 2003 geen harde ‘mbo-eis’ werd gesteld en dat in 2001 nog een kandidaat met alleen lbo-vooropleiding is aangenomen. Op grond van dit alles meent zij te hebben bewezen - in aanmerking genomen de verlichte bewijslast die in dit verband op haar rust - dat zij zonder ongeval ambulancechauffeur zou zijn geworden. Voor zover nodig heeft zij (nader) bewijs van haar stelling aangeboden. TVM heeft tegen het relaas van [eiseres] ingebracht dat de beide in het geding gebrachte verklaringen - van personen die bij één instelling werkzaam zijn - onvoldoende zijn ter weerlegging van de bevindingen van Verhoeven.

4.7.  De arbeidsdeskundige Verhoeven heeft in het kader van zijn onderzoek het dossier bestudeerd en (onder meer) met vertegenwoordigers van het opleidingsinstituut van de ambulancesector (SOSA) respectievelijk de teamleider P&O van RAV Brabant (waaronder onder meer Tilburg valt) gesproken. Mede op basis van dit onderzoek heeft Verhoeven in zijn rapport (onder andere) vermeld:

“Ik acht de kans klein dat betrokkene een functie als ambulancechauffeuse zou hebben kunnen bemachtigen. In haar eigen woonomgeving zou zij geen kans hebben gemaakt, gelet op haar (toentertijd) lbo-opleiding. Betrokkene had daarenboven geen verpleegervaring. Uit ons onderzoek blijkt dat er veel gegadigden voor de functie van ambulancechauffeur zijn. Er is aldus geen schaarste in het aanbod van gegadigden. P&O geeft aan het belangrijker te vinden dat sollicitanten ervaring hebben op verplegend-/verzorgend gebied dan dat zij beschikken over topografische kennis.”

In reactie op de opmerkingen en verzoeken van de advocaat van [eiseres] naar aanleiding van het concept-rapport heeft Verhoeven in het rapport voorts vermeld:

“De beantwoording van de vraag [naar het hypothetische arbeidsperspectief van [eiseres] als ambulancechauffeuse; rb] heeft betrekking op de periode waarin cliënte zou hebben gesolliciteerd zonder ongeval, zijnde 1998-1999.
(...)
Wij hebben contact opgenomen met mevrouw S. van den Hoek, werkzaam bij RAV Brabant sinds 1991. Sinds 2000 is zij regiomanager van Tilburg en Waalwijk. In deze functie schrijft zij de sollicitatieprocedures uit, voert ze sollicitatiegesprekken en begeleidt ze aspirant werknemers. Voordat ze deze functie bekleedde, heeft zij als ambulanceverpleegkundige immer deel uitgemaakt van het selectieteam bij sollicitaties.
Mevrouw Van den Hoek gaf aan dat de eisen voor ambulancechauffeur in 1998 waren:
- in bezit zijn van groot rijbewijs C
- kennis hebben van medische terminologie
- minimaal mbo-niveau
(...)
Op onze vraag of men bij uitzondering iemand met een opleiding lager dan mbo-niveau zou aannemen, kregen wij een volmondig neen te horen. Er zijn/waren zoveel gegadigden met een mbo- en zelfs hbo-opleiding dat men lbo-ers niet hoeft/hoefde te selecteren.
(...)
De aanname-eisen voor ambulancechauffeurs verschilden per regio. Echter voor geheel Brabant gold dat men strikte aanname-eisen had daar men reeds eerder dan bij andere RAV’s was aangevangen met het voldoen aan certificeringseisen. In dit kader hebben wij ook gesproken met de heer A. van Bekhoven. Van 1984 tot 2001 was hij algemeen hoofd van RAV Midden-Brabant. In 1995 behaalde hij met zijn ambulancevoorziening als eerste in Nederland het ISO 9001 kwaliteitscertificaat en in 1997 het HKZ-certificaat. De heer Van Bekhoven gaf aan dat hij in de jaren 80, ambulancechauffeurs van allerlei pluimage in dienst had. Het betroffen dan met name technisch ingestelde chauffeurs, ook lbo’ers. In de loop der jaren werden er echter striktere eisen gesteld aan het personeel en werd de sollicitatieprocedure zoals hierboven ingekleed. Onder die strikte eisen behoorde tevens het opleidingsniveau. Men startte met mbo-niveau. Op een vacature ontving men in de jaren 80 soms 300 reacties, de laatste jaren zijn dat er ongeveer 40 geweest.”

4.8.  [eiseres] wordt niet gevolgd in haar betoog dat uit de door haar overgelegde verklaringen blijkt dat het rapport van Verhoeven op een verkeerde insteek berust, op onderdelen onlogische antwoorden geeft en niet uitgaat van het concrete aannamebeleid van destijds. Deze kritiek van [eiseres], die in zekere zin ook destijds al in reactie op het concept-deskundigenbericht was geuit, is door Verhoeven met het voorgaande afdoende weerlegd. Er is geen aanleiding [eiseres] toe te laten tot het door haar op dit punt aangeboden bewijs door het horen van C. van Engelen en A. van Bekhoven als getuigen. Immers, ook indien van de juistheid van hun schriftelijke verklaringen wordt uitgegaan, is op basis van de door Verhoeven ingewonnen informatie nog steeds aannemelijk dat ook in de relevante periode en regio er veel meer belangstelling was voor de functie van ambulancechauffeur dan er vacatures waren, dat kandidaten met mbo-niveau en medische kennis de voorkeur hadden en dat zich veel meer mbo’ers dan lbo’ers aandienden. Bij deze stand van zaken is te onzeker dat [eiseres] - bij gebreke van mbo-niveau en bij gebreke van medische kennis - erin zou zijn geslaagd als ambulancechauffeuse te worden aangenomen. Hieraan doet niet af dat - wederom uitgaande van de juistheid van de schriftelijke verklaringen daaromtrent - in 2001 nog één kandidaat met lbo-niveau is aangenomen. Dit oordeel wordt ook niet anders indien in aanmerking genomen wordt dat [eiseres] heeft bewezen het mbo-niveau te kunnen behalen en over doorzettingsvermogen te beschikken. Te onzeker blijft of zij, het ongeval weggedacht, zich aan een dergelijke opleiding zou hebben gezet en - gelet op de verdere eisen en de hoeveelheid gegadigden voor vacatures - ook of zij op het moment van afronding daarvan aan alle dan geldende eisen zou hebben voldaan. Voorts wordt mede in aanmerking genomen dat [eiseres] ook al eens was afgewezen na een sollicitatie op de functie van ambulancechauffeuse. Alle argumenten overziend is er, de goede en kwade kansen in aanmerking genomen, geen aanleiding in afwijking van het rapport van Verhoeven een carrière als ambulancechauffeuse als redelijke hypothetische toekomstverwachting tot uitgangspunt te nemen.

4.9.  Ingeval niet een carrière als ambulancechauffeuse tot uitgangspunt genomen wordt, kan [eiseres] zich niet vinden in de suggestie van Verhoeven dat zij zonder het ongeval als chauffeuse in het waardetransport zou zijn gaan werken. Deze suggestie zou gegrond zijn op een verkeerde interpretatie door Verhoeven van [eiseres]s belangstelling. Evengoed kan wat [eiseres] betreft tot uitgangspunt worden genomen dat zij bij gebreke van carrièreperspectief als ambulancechauffeuse in het transportbedrijf van haar ouders zou zijn gaan werken en op termijn daarin mede-aandeelhouder zou zijn geworden, maar ook die optie noemt [eiseres] speculatief. TVM heeft betwist dat [eiseres] in het bedrijf van haar ouders zou zijn gaan werken, omdat de familierelatie daar niet naar was. Ook op dit punt onderschrijft TVM het rapport van Verhoeven. Zij meent dan ook dat [eiseres], het ongeval weggedacht, als chauffeuse waardetransport zou zijn gaan werken.

4.10.  Verhoeven heeft zijn oordeel over de hypothetische carrière van [eiseres] gebaseerd op haar opleiding, haar arbeidsverleden en haar keuzes op dat vlak. Niet onbegrijpelijk is dat hij het aannemelijk acht dat [eiseres] binnen de transportsector zou zijn blijven werken. Hoewel volgens hem niet valt uit te sluiten dat [eiseres] op enig moment - bij gebreke van perspectief als ambulancechauffeuse - in de transportonderneming van haar ouders zou zijn gaan werken, kan hij daarvoor geen ander argument noemen dan dat zij daar al heeft gewerkt. Dat is echter onvoldoende om van een dergelijke carrière uit te gaan, temeer waar op grond van de stukken en van de stellingen van de partijen aangenomen moet worden dat - in elk geval destijds - de verhouding tussen [eiseres] en (de transportonderneming van) haar ouders niet optimaal was. Daarbij komt dat niet met voldoende mate van zekerheid iets valt te zeggen, zo is de rechtbank met Verhoeven van mening, op welke termijn, in welke functie(s) en tegen welke verdiensten [eiseres] dan binnen die onderneming zou hebben gewerkt. Er is ook daarom aanleiding Verhoeven te volgen in zijn suggestie dat [eiseres] - gelet op haar opleidingsniveau, interesse en arbeidsverleden - als (bijvoorbeeld) chauffeuse waardetransport zou zijn gaan werken, het ongeval weggedacht.

4.11.  Ook het aantal uren dat [eiseres], het ongeval weggedacht, zou hebben gewerkt, is tussen de partijen in geschil. [eiseres] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat zij zich als ambulancechauffeuse fulltime zou hebben kunnen laten inroosteren, op de vijf jaren na de geboorte van haar zoon na waarin zij 80% zou hebben gewerkt. TVM acht het niet reëel ervan uit te gaan dat [eiseres] op slechts een beperkt aantal jaren na fulltime zou hebben gewerkt, in welke functie dan ook.

4.12.  Vast staat dat [eiseres] vóór het ongeval 32 uren per week als taxichauffeur werkte. Zij heeft niet toegelicht waarom ervan uitgegaan zou moeten worden dat zij zonder het ongeval fulltime zou zijn gaan werken. Verder staat vast dat de gezinssituatie van [eiseres] in september 2002 is gewijzigd: zij werd alleenstaande moeder. Ook geldt - zie hiervoor - niet als uitgangspunt dat [eiseres] ambulancechauffeuse - met specifieke inroostermogelijkheden - zou zijn geworden. Bij deze stand van zaken kan er zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet van worden uitgegaan dat [eiseres] - op een korte onderbreking na - zonder het ongeval fulltime zou hebben gewerkt. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het reëel tot uitgangspunt te nemen dat [eiseres] zonder het ongeval steeds (maximaal) 32 uren zou hebben gewerkt.

4.13.  De partijen hebben zich er niet over uitgelaten op welk moment [eiseres] zonder het ongeval aan een andere functie c.q. als chauffeur waardetransport zou zijn begonnen. In aanmerking genomen dat [eiseres] eerst (tevergeefs) nadere pogingen zou hebben ondernomen als ambulancechauffeuse te worden aangenomen, wordt de datum waarop zij de hypothetische functie van chauffeuse waardetransport zou zijn gaan vervullen gesteld op 1 januari 2000. Over de het aantal jaren dat [eiseres] zonder het ongeval zou hebben gewerkt, waren de partijen aanvankelijk nog verdeeld. Sinds de comparitie betwist TVM echter niet langer dat [eiseres] tot haar 65e jaar zou hebben doorgewerkt, zodat dit als uitgangspunt geldt.

feitelijke situatie (met ongeval)

4.14.  Zoals al is overwogen, heeft TVM op basis van het rapport van Padt aanvaard dat [eiseres] in haar oude functie niet meer kon werken. Ook de door [eiseres] gekozen opleiding MBO SD is door TVM aanvaard. De hiermee verband houdende schade van [eiseres] komt op grond daarvan voor rekening van TVM.

4.15.  Tussen de partijen is verschil van mening ontstaan over de vraag of TVM ook nog de financiële consequenties dient te dragen van het volgen van de HBO-opleiding door [eiseres], naast het de werkzaamheden die [eiseres] op dat moment inmiddels voor 30 uren per week voor het RIBW verrichtte. Volgens [eiseres] kon zij met haar MBO-diploma (aanvankelijk) geen werk vinden en is zij uiteindelijk toch door het RIBW aangenomen op voorwaarde dat zij de HBO-opleiding ging volgen. Daarom behoort de daardoor ontstane schade (verlies verdienvermogen en kosten opleiding) volgens [eiseres] toch voor rekening van TVM te komen. Ter comparitie heeft [eiseres] haar stellingen als volgt genuanceerd en aangevuld. Zij diende slechts de HBO-propaedeuse te behalen om bij het RIBW in aanmerking te komen voor een contract voor onbepaalde tijd. Die propaedeuse heeft zij in juni 2008 behaald. Haar arbeidsovereenkomst geldt nu voor onbepaalde tijd en zij werkt thans 32 uren per week. TVM meent dat zij, door [eiseres] na het ongeval in staat te stellen zich op te werken van LBO- naar MBO-niveau, voldaan heeft aan haar reïntegratieverplichtingen jegens [eiseres]. TVM betwist dat [eiseres] met het MBO-diploma op zak nog steeds schade wegens verlies van verdienvermogen leed en lijdt. Volgens haar handelt [eiseres] in strijd met haar verplichting haar schade te beperken door haar tijd en energie in een HBO-opleiding te steken in plaats van in loonvormende arbeid.

4.16.  TVM heeft de stelling van [eiseres] dat het behalen van de propaedeuse HBO voorwaarde was voor het verkrijgen van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet betwist, zodat die als vaststaand wordt aangenomen. Het betreft in zoverre een redelijke maatregel ter beperking van haar schade. Bij deze stand van zaken heeft te gelden dat de kosten en schade die [eiseres] tot en met juni 2008 heeft gemaakt en geleden doordat zij de HBO-opleiding volgde door TVM moeten worden vergoed. Op grond van de - niet door TVM weersproken - stellingen daaromtrent van [eiseres], die in het studiejaar 2007-2008 aan de HBO-opleiding is begonnen, komt de schade allereerst neer op 4 uren per maand aan teveel opgenomen verlof, dat ten koste is gegaan van haar vakantieuren. De (netto) loonwaarde daarvan over het studiejaar 2007-2008 komt in beginsel voor vergoeding door TVM in aanmerking. De eventuele arbeidsvermogensschade van [eiseres] die is toe te rekenen aan een (tijdelijk, gedurende het studiejaar 2007-2008) in aantal uren verminderde inzetbaarheid voor betaald werk wegens studiebelasting komt ook voor rekening van TVM. Daarnaast moet TVM het niet door haar werkgever vergoede deel (25%) van de studiekosten in dat jaar ad € 2.250,-- aan [eiseres] vergoeden, hetgeen neerkomt op € 562,50. Deze materiële schadepost behoort echter (strikt genomen) niet tot de schade wegens het verlies van verdienvermogen. De overige kosten die in causaal verband staan met de omscholing, zullen later (rov. 4.29 e.v.) worden besproken.

4.17.  De feitelijke inkomsten van [eiseres] sinds het ongeval staan vast op grond van de jaaropgaven van haar (ex-)werkgevers en de betrokken uitvoeringsinstanties van de sociale zekerheidsuitkeringen die zij heeft genoten. Recente informatie over haar inkomen en de omvang van haar dienstverband ontbreekt en zal door [eiseres] aan de in te schakelen rekenkundige (zie hierna, onder 4.19 e.v.) moeten worden verstrekt.

4.18.  Ook voor de feitelijke situatie zal tot uitgangspunt worden genomen dat [eiseres] tot haar 65e jaar gedurende 32 uren per week zal werken.

rekenkundige
4.19.  Een rekenkundige zal op grond van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten de rechtbank moeten voorlichten over de omvang van de schade wegens verlies van verdienvermogen van [eiseres]. Het rekenkundig rapport van Hagelaars-Rooijakkers, dat op verzoek van [eiseres] bij wijze van voorlopig deskundigenbericht tot stand is gekomen, is daarvoor in de huidige versie niet geschikt, aangezien het ten dele van afwijkende uitgangspunten uitgaat. Bovendien werkt [eiseres] inmiddels 32 uren per week. Voor een deel bevat het rapport van Hagelaars-Rooijakkers echter informatie en uitgangspunten die vooralsnog kunnen worden gebruikt voor een herberekening van het verlies van verdienvermogen van [eiseres]. De rechtbank is dan ook voornemens Hagelaars-Rooijakkers - of een andere rekenkundige van het NRL - tot deskundige te benoemen ter beantwoording van de volgende vragen:

1) Wilt u het verlies van verdienvermogen van [eiseres] (inclusief de pensioenschade) herberekenen op basis van de (relevante delen van de) rapportage van de arbeidsdeskundige Verhoeven van 19 januari 2007, uitgaande van de gewijzigde burgerlijke staat van [eiseres] en van de volgende uitgangspunten:
a)   zonder ongeval:
-  voortzetting van het vóór het ongeval bestaande dienstverband bij Stationstaxi Tilburg tot en met 31 december 1999;
-  betrekking als chauffeuse waardetransport met ingang van 1 januari 2000 voor 32 uren per week tot aan het 65e levensjaar, met inschaling conform de inschatting van arbeidsdeskundige Verhoeven;
b)   met ongeval:
-  inkomen volgens de jaaropgaven van (oud-)werkgevers en uitkeringsinstanties;
-   dienstverband bij het RIBW met ingang van 17 augustus 2006 tot aan het 65e levensjaar voor aanvankelijk 30 en later (per een nog door [eiseres] te vermelden datum; zie 4.17) 32 uren per week als ambulant begeleidster;
-   een uit de loonstroken of andere stukken blijkende, daadwerkelijke vermindering van de omvang van het dienstverband in verband met scholing (volgens het rapport van Hagelaars-Rooijakkers tot 70%) mag in het voorkomende geval worden meegenomen over de periode september 2007 tot en met juni 2008?

Daarnaast zal de deskundige worden gevraagd de netto loonwaarde te berekenen van het door [eiseres] opgenomen studieverlof (zie onder 4.16):

2)  Wilt u de netto loonwaarde berekenen van het door [eiseres] opgenomen studieverlof van 4 uren per week in de periode van september 2007 tot en met juni 2008. Wilt u dit bedrag bij haar verlies van verdienvermogen optellen, tenzij daardoor een dubbeltelling zou ontstaan doordat al rekening is gehouden met de vermindering van inkomen uit arbeid zoals hiervoor, onder b, derde gedachtestreepje genoemd?

4.20.  Aan de partijen, [eiseres] als eerste, zal worden verzocht zich bij akte uit te laten over de voorgenomen benoeming van Hagelaars-Rooijakkers (of een andere rekenkundige van het NRL) en de te stellen vragen. LJN BJ1757