Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 101121 Causaal verband tussen mishandeling, klachten, beperkingen, arbeidsongeschiktheid en VAV; met einddatum 2019

RBROT 101121 Causaal verband tussen mishandeling, klachten, beperkingen, arbeidsongeschiktheid en VAV; met einddatum 2019

in vervolg op:
RBROT 260619 mishandeling in groepsverband. Tegenbewijs niet geslaagd. Schade tzv verhuiskosten vanwege onveiligheidsgevoelens

2. Het geschil

2.1.
De vordering van [naam eiser] luidt - voor zover thans nog van belang - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander tot het betaalde gedeelte zal zijn gekweten, te veroordelen tot betaling van € 150.486,-, verminderd met de door [gedaagden] reeds betaalde bedragen ad € 3.100,-, blijft te betalen een bedrag ad € 147.386,- te betalen aan [naam eiser] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2014, althans de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
2. [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander tot het betaalde gedeelte zal zijn gekweten, te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 2.279,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
3. [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander tot het betaalde gedeelte zal zijn gekweten, te veroordelen tot betaling van de kosten van Laumen Expertise, voorlopig begroot op € 2.054,89, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
4. [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander tot het betaalde gedeelte zal zijn gekweten, te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, waaronder de nakosten ad € 159,-.

2.2.
Het verweer van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vorderingen van [naam eiser] en, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gelegde beslagen op te heffen, althans [naam eiser] te bevelen de beslagen op te heffen en [naam eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

Inleiding - aard van de procedure

3.1.
Het nu voorliggende geschil is een schadestaatprocedure, als vervolg op het tussen partijen gewezen (eind)vonnis van 26 juni 2019 van deze rechtbank in de zaak C/10/527500 HA ZA 17-513 (hierna: het vonnis in de hoofdzaak). Van het vonnis in de hoofdzaak is geen hoger beroep ingesteld.

3.2.
In de hoofdzaak draaide het om de vraag of [gedaagden] in groepsverband onrechtmatig jegens [naam eiser] heeft gehandeld.

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van [naam eiser] als gevolg van de op 9 februari 2014 jegens hem gepleegde openbare geweldpleging in vereniging (hierna ook kortweg: de mishandeling) en heeft [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld aan [naam eiser] te betalen aan materiële schade ter zake - kort gezegd - verhuiskosten een bedrag van € 1.081,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening en een voorschot op de immateriële schade ad € 1.000,0 en voorts tot betaling van de verdere materiële en immateriële schade van [naam eiser] als gevolg van de mishandeling, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, almede tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.3.
Deze oordelen zijn voor partijen bindend, nu zij van dit vonnis geen hoger beroep hebben ingesteld (artikel 236 Rv). De betwisting door [gedaagden] van de stelling dat hij openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam eiser] (en zijn zoon) kan in deze procedure dus niet meer aan de orde komen.

3.4.
[naam eiser] heeft, zich baserend op een expertiserapport van Laumen Expertise, een schadestaat opgesteld, bestaande uit de volgende onderdelen:
(i) verlies aan verdienvermogen: € 150.486,00 (- € 3.100,00);
(ii) smartengeld: € 10.000,00.

3.5.
Uitgangspunt bij de schadebegroting is dat [naam eiser] in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. Op basis van de aanknopingspunten voor het begroten van de schade die volgen uit het partijdebat, zal de rechtbank hierna komen tot een schadebegroting.

Klachten en beperkingen en causaal verband met het ongeval

3.6.
De rechtbank verwijst naar het hetgeen onder 4.4. t/m 4.7. van het incidentele vonnis is overwogen met betrekking tot het van toepassing zijnde beoordelingskader.

3.7.
De rechtbank heeft dus te onderzoeken of de door [naam eiser] gestelde (psychische) klachten bestaan, dat die klachten op hun beurt tot beperkingen leiden, die op hun beurt weer tot de gestelde arbeidsongeschiktheid hebben geleid. De rechtbank heeft in dat kader in het incidentele vonnis overwogen (r.o. 4.7): niet uitgesloten is dat het feit dat [naam eiser] niet werkt niet (uitsluitend) samenhangt met de mishandeling. Om die reden kan het gestelde verlies aan verdienvermogen niet (zonder meer) worden toegerekend aan de ter zake van de mishandeling aansprakelijke partij. De aansprakelijke partij, [gedaagden] , dient daarover een volwaardig debat in rechte te kunnen voeren, in welk kader zo nodig ook bewijsvoering, eventueel in de vorm van tegenbewijs, aan de orde kan komen.

3.8.
Partijen hebben dit partijdebat inmiddels gevoerd. [naam eiser] heeft aanvullende stukken in het geding gebracht en toegelicht en partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandelingen hun stellingen en verweren nader toegelicht.

3.9.
[naam eiser] beschrijft de (psychische) klachten en beperkingen sinds de mishandeling, onder verwijzing naar in de WIA-procedures ingebrachte stukken als volgt: spanningsklachten, sterk verhoogde prikkelbaarheid, een gestoorde impulscontrole en sterk verstoorde conflicthantering, piekeren, slaapproblemen, pijn en functiebeperkingen van de rechterschouder. De klachten zijn nog niet verdwenen. [naam eiser] stelt onder verwijzing naar de hierna te bepreken medische bevindingen en rapportages dat zijn klachten en beperkingen als een gevolg van de mishandeling door [gedaagden] zijn aan te merken.

3.10.
[naam eiser] heeft zich de dag na het ongeval, op 10 februari 2014, ziek gemeld bij zijn werkgever, PostNL Productie B.V., waar hij in dienst was als ‘medewerker productie sorteren’. Op 3 maart 2014 werd [naam eiser] op basis van zijn psychische klachten door zijn toenmalige bedrijfsarts niet arbeidsongeschikt geacht op medische gronden maar als gevolg van een privésituatie. In de daaropvolgende periode heeft [naam eiser] in wisselende mate gewerkt.

3.11.
Op 12 juni 2014 heeft [naam eiser] zich volledig ziek gemeld ten gevolge van rugklachten. Hij werd door zijn toenmalige bedrijfsarts met een opbouwadvies per 7 juli 2014 weer volledig arbeidsgeschikt geacht met dien verstande dat hij niet in de nacht en avond kon werken wegens de privésituatie. [naam eiser] is toen weer gaan werken.

3.12.
Op een door [naam eiser] op 21 juni 2014 bij het UWV aangevraagd deskundigenoordeel heeft het UWV op 21 augustus 2014 aangegeven dat [naam eiser] niet geschikt was voor eigen werk, omdat hij niet inzetbaar is voor avond en nacht en daarom naar ander passend werk gezocht moet worden.

3.13.
Per medio december 2014 is [naam eiser] onder behandeling gekomen bij een psycholoog en een psychiater die als diagnose hebben gesteld: Depressieve stoornis: eenmalige episode, ernstig met psychotische kenmerken: (As I): Depressieve stoornis: eenmalige episode, ernstig met psychotische kenmerken (stemmingsstoornissen, depressieve stoornissen, depressie stoornis, eenmalige episode). (As IV): Problemen binnen de primaire steungroep. Problemen verbonden aan sociale omgeving. Werkproblemen. (brieven van 9 februari 2015 en 21 september 2015 van Essens GGZ aan bedrijfsarts).

3.14.
Op 5 november 2015 heeft [naam eiser] een aanvraag voor een WIA-uitkering gedaan.

3.15.
De opvolgend bedrijfsarts achtte [naam eiser] naar aanleiding van een arbeidsdeskundig onderzoek op 27 november 2015 in volle omvang bij de eigen werkgever niet geschikt voor eigen werk en een mobiliteitstraject heeft geadviseerd.

3.16.
In het arbeidsdeskundig onderzoek van 13 januari 2016 heeft de arbeidsdeskundige het arbeidsongeschiktheidspercentage voor de WIA-aanvraag per 1 maart 2016 op 24,80% vastgesteld.

3.17.
Het UWV heeft bij besluit van 13 januari 2016 de WIA-uitkeringsaanvraag van [naam eiser] per 1 maart 2016 afgewezen. Tegen dit besluit heeft [naam eiser] op 8 februari 2016 bezwaar gemaakt.

3.18.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft de huisarts van [naam eiser] per brief van 22 maart 2016 medische informatie aan zijn procesgemachtigde verstrekt. In die brief is onder meer opgenomen: heeft een depressieve stoornis overgehouden. Hij toont sindsdien psychotische kenmerken. Is snel geagiteerd en uit zich verbaal storend. Hij is minder energiek en maatschappelijk ook minder betrokken. Ook thuis ondervinden gezinsleden onrust ivm zijn psychische gesteldheid.

3.19.
In de Medische Rapportage in Bezwaarschriftenprocedure van de verzekeringsarts van 9 juni 2016 is onder meer opgenomen: Naast de fysieke beperkingen die al aangenomen zijn, zie ik geen medische redenen om andere fysieke beperkingen aan te nemen. Ten aanzien van de recent vastgestelde ziekte van Freiberg kan dit inderdaad pijnklachten van de voet geven, maar is dit geen reden om een beperking aan te nemen. De botopbouw dient namelijk gestimuleerd te worden en dit kan onder andere plaatsvinden door te wandelen. Daarnaast kan een aangemeten steunzool zorgen voor verlichting van de pijnklachten. ( ... ) Gezien de psychische klachten, het medicatiegebruik en de vermoeidheid stel ik op energetische gronden vast dat er bij belanghebbende een medische urenbeperking gehanteerd dient te worden van 4 uur per dag en 20 uur per week.

3.20.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft het UWV bij beslissing op bezwaar van 28 juli 2016 [naam eiser] alsnog per 1 maart 2016 voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard.

3.21.
Op 21 juni 2017 heeft de verzekeringsarts wederom een medisch onderzoeksverslag opgesteld. Daarin is onder meer opgenomen:

Overwegingen

Cliënt heeft aangegeven, dat er geen wezenlijke wijzingen zijn opgetreden sedert de laatste beoordeling. Het karakter van de aandoening(en), de aard en ernst van de eerder vastgestelde stoornissen maken dit plausibel. Uit de thans telefonisch verkregen informatie blijkt dat er nog steeds sprake is van een aandoening, waarvoor intensieve therapie geïndiceerd is.

Cliënt acht zich doorlopend arbeidsongeschikt omdat de klachten en beperkingen niet zijn gewijzigd.

Gelet op de medische bevindingen, die consistent zijn met de beschikbare medische informatie, het ziektebeeld en het dagverhaal, is het aannemelijk dat er nog steeds beperkingen bestaan conform de vorige FML.

3.22.
Op 30 november 2018 stelt de verzekeringsarts wederom een medisch onderzoeksverslag op. Daarin is onder meer opgenomen:

Huidige klachten: heeft in rechter arm 2 maal injectie gehad, af en toe nog pijn, linker arm soms slap en tintelen. 2 maal per maand, huisarts kon niets vinden. Slaapt slecht door benen. Geen pijnstillers. Moet voeten warm houden, maar helpt niet. Kan wel een stukje lopen, na 5-10 minuten voelt hij tenen niet meer. Als hij gaat zitten dan gaat het weg. Pijn in de benen vanuit de rug. Er is een tijd geleden naar de rug gekeken, 10 jaar geleden, konden toen niets vinden. Piekeren doet hij wel, volgens eega roept hij in slaap. Moet dan wakker gemaakt worden. Betrokkene kan niet tegen het lawaai van de kinderen, is snel boos en trekt zich dan terug.

( ... )

Overwegingen

Gelet op de bevindingen bij onderzoek en amnese kan ik de claim van betrokkene m.b.t. het volledig arbeidsongeschikt zijn niet honoreren. Betrokkene is uitgevallen t.g.v. medische problematiek, maar betrokkene is wel in staat tot ADL activiteiten, functioneren in huis en buitenshuis, alhoewel met beperkingen. In aanvang werd de arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door sociale problematiek. Daarnaast waren er nog lichamelijke problemen waarvoor betrokkene behandeld is. Betrokkene is langdurig onder behandeling vanwege andere klachten, echter vanwege het feit dat de sociale problematiek in stand wordt gehouden en de beperkte coping van betrokkene met deze problematiek, veranderen de ervaren klachten niet.

Het is duidelijk dat er nog wel beperkingen t.o.v. normaal functioneren aan de orde zijn, echter tussen de geclaimde beperkingen en de bevindingen bij onderzoek bestaat m.i. wel enige discrepantie. Betrokkene geef aan maar zeer korte tijd mobiel te kunnen zijn, uit de informatie in het dossier blijkt dat er wel enige afwijkingen zijn, maar ook kijkende naar het lichamelijk onderzoek , is de claim van 5 minuten lopen wel erg fors en kan ik medisch gezien niet onderbouwen. Er zijn m.b.t. die probleem ook medisch gezien nog wel enige hulpmiddelen mogelijk (zoals steunzolen, aanpassingen van de schoenen). Bij eerder opgestelde belastbaarheid worden er geen beperkingen bij lopen en staan aangegeven, gezien bovenstaande bevinden is het echter wel op zijn plaats om enige beperkingen aan te geven.

( ... )

Dan komen we op de aangegeven urenbeperking, m.i. is er geen medische aandoening aan de orde waardoor betrokkene een zodanig verminderd energetisch vermogen heeft dat betrokkene slechts vier uur per dag actief zou kunnen zijn.

3.23.
Bij besluit van 26 februari 2019 heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van [naam eiser] verlaagd naar 59.52%.

3.24.
Tegen dit besluit heeft [naam eiser] op 3 april 2019 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn per brief van 21 mei 2019 aangevuld. In deze brief is onder meer opgenomen: 4. Wat cliënt niet terugziet in de beoordeling door de VA is dat cliënt [rechtbank: [naam eiser] ] kampt met rugklachten en pijn in het linkerbeen. Cliënt verwijst hierbij naar een bijgevoegde brief (productie 2) van [naam 1], neuroloog van 7 maart 2019 alsmede een eveneens bijgevoegde brief (productie 3) van radioloog [naam 2] van 7 maart 2019, beide[n] werkzaam bij de DC Klinieken te Rotterdam.

3.25.
In de brief van [naam 1] is onder meer opgenomen:

Reden verwijzing: Lage rugklachten en linkerbeen

Amnese: Sinds 2 meer last van de onderrug, minimaal 2 a 3 keer per jaar. Sinds 5 weken pijn in het linkerbeen. 's Nachts heel veel wakker in het linkerbeen. De pijn straalt uit van linkerbeen naar achterzijde been naar laterale zijde onderbeen niet naar de voet. Beide benen beginnen te tintelen. Bij traplopen zakt er door heen. Bij [rechtbank: vervolg weggevallen]

Heeft nog geen fysiotherapie gehad.

( ... )

Conclusie:

Lage rugklachten met pijnklachten in het linkerbeen dd radiculair syndroom L4-L5 links op basis forse naar craniaal gesekwestreerde HNP L4-L5 links, waardoor evidente compressie wortel L4 links en gering beide wortels L5, links iets meer dan rechts. In overleg kiezen we voor een conservatief beleid. Indien klachten persisteren valt een wortelblokkade te overwegen. Cauda verschijnselen zijn [rechtbank: vervolg weggevallen]

3.26.
In de brief van radioloog [naam 2] is onder meer opgenomen:

Conclusie:

Discopathie LWK op met name de onderste 2 lumbale niveaus. Forse naar craniaal gesekwestreerde HNP L4 links, waardoor evident compressie wortel L4 links en gering beide wortels L5, links iets meer dan rechts. Subtiele links paramediane discusprolaps L5-S1 met lichte compressie wortel S1 links. Facetarthrosis laaglumbaal.

3.27.
[gedaagden] betwist dat een causaal verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid van [naam eiser] en het ongeval. Daartoe heeft hij het volgende gesteld. De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van [naam eiser] wordt in de rapportages van het UWV niet genoemd. Voorts blijkt uit de medische stukken dat [naam eiser] ook andere medische klachten heeft die invloed kunnen hebben op de arbeidsongeschiktheid, zoals de ziekte van Freiberg.

3.28.
De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare, verklaring voor de klachten en beperkingen niet in de weg hoeft te staan aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Het oordeel dat het vereiste oorzakelijk verband bestaat, behoort niet uitsluitend te worden gebaseerd op het bestaan van klachten die naar hun aard subjectief zijn, maar mede op de objectieve vaststelling dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn.

3.29.
Onweersproken is dat uit de brieven van de huisarts van [naam eiser] , de brieven van Essens GGZ en de medische onderzoeksverslagen van de verzekeringsarts de hiervoor onder 3.9 weergegeven klachten en beperkingen van [naam eiser] blijken. In die stukken wordt geconcludeerd dat die (psychische) klachten en beperkingen direct en indirect het gevolg zijn van de mishandeling door [gedaagden] en daarvoor geen andere factoren aanwijsbaar zijn. Weliswaar is in die stukken ook sprake van de ziekte van Freiberg en problemen met de armen/schouders van [naam eiser] , maar steeds wordt geconcludeerd dat die klachten niet tot de arbeidsongeschiktheid bijdragen, maar met medische hulpmiddelen relatief eenvoudig kunnen worden verholpen. De rechtbank leidt uit deze medische informatie af dat de daar genoemde objectief aanwezige klachten en beperkingen van [naam eiser] reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn.

3.30.
De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de hiervoor onder 3.24 t/m 3.26 aangehaalde stukken niet tevens vast staat dat vanaf 2019 de ongevalsgevolgen de enige of voornaamste oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van [naam eiser] is. Uit deze stukken volgt dat de rugklachten van [naam eiser] vanaf begin 2019 aanmerkelijk verergerd zijn en de reden hebben gevormd voor de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid na die tijd. De rechtbank acht niet aangetoond dat de arbeidsongeschiktheid van [naam eiser] vanaf dat moment nog in enig causale relatie staat tot de mishandeling door [gedaagden] van hem op 9 februari 2014. Het door [gedaagden] gevoerde verweer dat geen sprake is van causaal verband slaagt naar het oordeel van de rechtbank derhalve in zoverre.

3.31.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het bewijs is geleverd dat de klachten en beperkingen van [naam eiser] tot aan het jaar 2019 zijn aan te merken zijn als ongevalsgevolg.

Schadeomvang

3.32.
[gedaagden] is dientengevolge gehouden de schade van [naam eiser] die voortvloeit uit de klachten en beperkingen tot 2019 te vergoeden. De rechtbank komt thans toe aan de beoordelingen van de - door [naam eiser] gestelde en door [gedaagden] betwiste - schadeposten.

(i) verlies van verdienvermogen

3.33.
[naam eiser] stelt dat hij ten gevolge van de klachten en beperkingen sinds het ongeval volledig arbeidsongeschikt is. Hiertoe voert hij aan dat hij een WIA-uitkering ontvangt op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.

3.34.
Laumen Expertise heeft de schade van [naam eiser] als gevolg van het ongeval als volgt berekend (rapport II - berekening na kapitalisatiedatum, p.34/34):

Overzicht schadebedragen

Schade tot kapitalisatiedatum (27 november 2019) : € 32.347,00

Schade na kapitalisatiedatum : € 113.922,00

Totale schade (exclusief fiscale component) : € 146.269,00

Fiscale component : € 4.217,00

Totale schade (inclusief fiscale component) : € 150.486,00

3.35.
[naam eiser] maakt bij wijze van schadevergoeding voor het verlies aan verdienvermogen aanspraak op de dit (totale) schadebedrag.

3.36.
De rechtbank zal deze schadepost aldus begroten dat zij de in de specificatie van Laumen Expertise (rapport I, berekening tot de kapitalisatiedatum, p. 20/20) genoemde bedragen tot uitgangspunt neemt. [gedaagden] heeft deze schadespecificatie niet weersproken. Dat betekent dat over de jaren 2014 tot en met 2018 het schadekapitaal met fiscale component een bedrag van € 32.122,00 bedraagt. Daarvan moet worden afgetrokken het schadekapitaal over 2019 (een bedrag van € 7.328,00), zodat per saldo resteert een bedrag van € 24.794,00. Dit bedrag zal als schadevergoeding wegens verlies aan verdienvermogen worden toegewezen.

(ii) smartengeld

3.37.
Op grond van de ernst van de klachten en beperkingen maakt [naam eiser] aanspraak op een bedrag van € 10.000,00 aan smartengeld. [naam eiser] heeft daarbij aansluiting gezocht bij vergelijkbare gevallen in de smartengeldgids.

3.38.
[gedaagden] betwist deze vordering en voert het volgende aan: (a) [naam eiser] voert ter onderbouwing van deze vordering niets meer of anders aan dan waarop reeds is beslist onder 2.44 van het vonnis in de hoofdzaak, tegen welk oordeel [naam eiser] niet in hoger beroep is gekomen; (b) de door [naam eiser] aangehaalde zaken uit de smartengeldgids zijn niet zodanig vergelijkbaar dat dit een verhoging van het reeds toegewezen bedrag aan smartengeld zou rechtvaardigen; (c) [gedaagden] is reeds tot betaling van een vordering benadeelde partij veroordeeld. Daarom bestaat er geen aanleiding om tot een ander, laat staan hoger, bedrag aan immateriële schade te komen dan reeds aan [naam eiser] is toegewezen.

3.39.
In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank met betrekking tot de immateriële schade geoordeeld dat die eerst zal kunnen worden begroot indien de aard en de omvang van het geestelijk letsel is vastgesteld. Daarom is enkel een voorschot op de schade toegekend. De definitieve schade dient in de onderhavige procedure te worden begroot, nu die omvang is vastgesteld. Meer of andere feiten hoeft [naam eiser] daartoe niet te stellen. Bij de begroting van de door [naam eiser] geleden immateriële schade heeft de rechtbank wel rekening te houden met het ter zake reeds toegekende voorschot in de procedure in de hoofdzaak en de door de strafrechter reeds toegekende vergoeding. Dit voert [gedaagden] dus terecht aan.

3.40.
De rechtbank overweegt tegen die achtergrond als volgt. Vast staat dat [naam eiser] aan het ongeval klachten en beperkingen heeft overgehouden die hem aanzienlijk beperkt hebben in zijn functioneren. Dit heeft zijn werk en carrièreperspectieven beïnvloedt. [naam eiser] heeft - begrijpelijkerwijs - naar een andere woning willen verhuizen, waar [gedaagden] niet meer in zijn buurt woont. De situatie heeft ook de nodige druk gelegd op het gezinsleven van [naam eiser] . Alles afwegende stelt de rechtbank de immateriële schade, onder verdiscontering van het reeds toegekende voorschot en de door de strafrechter reeds toegekende vergoeding, naar billijkheid vast op een bedrag van € 7.000,00. Het gevorderde smartengeld zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen.

wettelijke rente

3.41.
De wettelijke rente over de voornoemde posten (i) en (ii) is toewijsbaar vanaf het moment waarop de schade is geleden. Bij gebreke van aanwijzing van een ander moment daarvoor, zal de wettelijke rente, zoals gevorderd, worden toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding.

buitengerechtelijke kosten

3.42.
[naam eiser] vordert vergoeding van de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden ten bedrage van € 2.279,86, te vermeerderen met wettelijke rente. [gedaagden] heeft betwist dat de gevorderde kosten redelijk zijn.

3.43.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van in redelijkheid verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal deze kosten overeenkomstig de BIK-staffel met inachtneming van het toegewezen schadebedrag begroten op € 1.322,46, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

kosten rapport Laumen

3.44.
[naam eiser] vordert voorts vergoeding van de kosten van het rapport van Laumen Expertise voor een bedrag van € 2.054,89, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.45.
[gedaagden] betwist deze kosten, omdat uit niets blijkt dat deze kosten in rekening zouden zijn gebracht of voldaan.

3.46.
De kosten voor het rapport Laumen komen als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking. [naam eiser] heeft geen factuur of betalingsbewijs van de kosten voor deze rapportage in het geding gebracht. Aannemelijk is in ieder geval dat Laumen Expertise, een zakelijke onderneming, voor haar rapportage kosten heeft gemaakt en deze aan [naam eiser] heeft gefactureerd. Bij gebreke aan onderbouwing dienaangaande zal de rechtbank deze kosten schatten op het door [naam eiser] gevorderde bedrag, dat de rechtbank redelijk voorkomt.

proceskosten en beslagkosten

3.47.
[gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten tot aan de uitspraak aan de zijde van [naam eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:
- dagvaarding € 100,89
- griffierecht 1.639,00
- salaris advocaat 2.085,00 (3,0 punten* × tarief € 695,00)

Totaal € 3.824,89

*dagvaarding (1), mondelinge behandeling (1), voortzetting mondelinge behandeling

3.48.
Uit het vorenoverwogene volgt mede dat [naam eiser] terecht conservatoir beslag onder [gedaagden] heeft gelegd, zodat ook de gevorderde beslagkosten voor toewijzing in aanmerking komen. Die kosten worden tot aan de uitspraak aan de zijde van [naam eiser] begroot op:
beslagrekest € 695,00 (1,0 punt x tarief € 695,00)
exploitkosten € 416,17

Totaal € 1.111,17 ECLI:NL:RBROT:2021:11222