Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 090622 mishandeling politieagent; whiplash; causaal verband. Smartengeld € 5000,00; regres politie tzv loon en kosten tzv expertise (2)

RBNHO 090622 mishandeling politieagent; whiplash; causaal verband. Smartengeld € 5000,00; regres politie tzv loon en kosten tzv expertise
- bgk regresvordering cf Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten.

2
De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft op 17 juli 2015 [eiseres] mishandeld, terwijl [eiseres] op dat moment in de rechtmatige uitoefening van haar functie van politieagent was.

2.2.
Bij inmiddels onherroepelijk geworden mondeling vonnis op tegenspraak van 10 april 2017 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland [gedaagde] ter zake van deze mishandeling veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft de politierechter de door [eiseres] ingediende vordering tot vergoeding van immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 2.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de overig gevorderde immateriële schadevergoeding en de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen, omdat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

2.3.
Bij brief van 31 mei 2018 hebben eisers [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de persoonlijke schade van [eiseres] en de regresvordering van de politie op grond van de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren (hierna: VOA).

2.4.
Bij brief van 25 juni 2018 heeft [gedaagde] de aansprakelijkheid afgewezen.

3
Het geschil

3.1.
Eisers vorderen - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde]
I. veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 3.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2015;
II. veroordeelt tot betaling aan de politie van een bedrag aan loon van € 11.345,23 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2018, een bedrag aan verschotten van € 3.711,58 en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 3.000.00, beide vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
III. veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.
Eisers leggen aan hun vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.

3.2.1.
Na een melding van huiselijk geweld en de daaropvolgende komst van de politie heeft [gedaagde] [eiseres] op 17 juli 2015, terwijl zij met haar in gesprek was, met de vuist (waarin sleutels zaten) op haar neusbrug geslagen. Tegen de daaropvolgende arrestatie heeft [gedaagde] zich verzet en daarbij [eiseres] onder andere in haar onderbuik geschopt. Daarna heeft [gedaagde] [eiseres] een kopstoot gegeven, waardoor het hoofd van [eiseres] naar achteren klapte. Door deze mishandeling heeft [gedaagde] jegens [eiseres] een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW gepleegd, als gevolg waarvan [gedaagde] aansprakelijk is voor de hierdoor geleden schade.

3.2.2.
Die schade bestaat allereerst uit letsel, in die zin dat [eiseres] naast de fysieke pijn aan de neusbrug, in de buik en aan haar hoofd klachten kreeg van misselijkheid, duizigheid, hoofdpijn en overgevoeligheid voor licht. Deze klachten passen bij een hersenschudding en een whiplash. [eiseres] heeft hiervoor medisch specialisten bezocht en kreeg Mensendieck en later fysiotherapie. [eiseres] ervaart nog steeds klachten van verkramping in de nek en heeft concentratie- en slaapproblemen. Haar klachten staan in causaal verband met de mishandeling door [gedaagde] . De door [eiseres] geraadpleegde neuroloog dr. E. Oosterhoff bevestigt dit in zijn medische expertise van 25 februari 2020.

3.2.3.
Door de combinatie van fysieke beperkingen en de geleden pijn heeft [eiseres] haar functie als politieagent van 21 juli 2015 tot 1 februari 2016 niet (volledig) kunnen vervullen. Zij heeft aanvankelijk ook privé weinig kunnen doen. Zij maakt daarom aanspraak op smartengeld ter hoogte van € 6.000,00. Omdat al een bedrag van € 2.250,00 in de strafzaak is toegekend, vordert zij in deze procedure een aanvullend bedrag van € 3.750,00.

3.2.4.
Tijdens de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [eiseres] heeft de politie aan [eiseres] als ambtenaar op grond van haar rechtspositie loon betaald, in totaal een netto bedrag van € 11.345,23. Op grond van artikel 2 van de VOA heeft de politie een verhaalsrecht op [gedaagde] voor deze schade. Daarnaast maakt de politie aanspraak op de navolgende, door haar betaalde verschotten: de kosten van de medische expertise door dr. E. Oosterhoff, de kosten van het inwinnen van informatie bij de huisarts en het ziekenhuis, de kosten van het inschakelen van medisch adviseur [xxx] en de kosten voor het stuiten van de vordering van eisers. Verder vordert de politie een bedrag van € 3.000,00 aan buitengerechtelijke kosten in verband met verrichte werkzaamheden ter zake van het aantonen van het letsel van [eiseres] .

3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers in hun vorderingen dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure. Het verweer van [gedaagde] luidt, samengevat, als volgt.

3.3.1.
[gedaagde] betwist aansprakelijk te zijn voor de gestelde schade. Volgens haar is er geen schade ontstaan en bestaat er geen causaal verband tussen de gestelde schade en de mishandeling op 17 juli 2015. In de medische expertise van dr. Oosterhoff wordt namelijk geen functieverlies aangenomen. Bij de bevindingen van het neurologisch onderzoek was er verder geen aanleiding om aan ernstige beperkingen te denken. Ook worden er geen overtuigende neurologische verschijnselen vastgesteld voor een postwhiplashbeeld. Uit de medische expertise blijkt verder dat pijnklachten in de nek in het algemeen veel voorkomen, ook zonder dat sprake is geweest van een trauma. De klachten van misselijkheid, duizeligheid, hoofdpijn en overgevoeligheid voor licht van [eiseres] kunnen ook het gevolg zijn geweest van een alternatieve oorzaak. Verder heeft [eiseres] pas na acht maanden na het incident nekkrampen gekregen, waarvoor zij (alleen) fysiotherapie heeft gevolgd. [eiseres] is er bovendien in geslaagd om haar werkzaamheden weer te hervatten, haar sportactiviteiten op te pakken en te zorgen voor haar kinderen

3.3.2.
De politie heeft enkel een verhaalsrecht voor de kosten van uitkeringen die zij aan een ambtenaar verstrekt, die tijdens diensttijd een ongeval heeft gehad waarvoor een derde aansprakelijk is. Nu [gedaagde] niet aansprakelijk kan worden gehouden ter zake van het door [eiseres] overgekomen incident, is zij daarmee op grond van de artikel 2 van de VOA ook niet aansprakelijk jegens de politie.

3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4
De beoordeling

Aansprakelijkheid

4.1.
Op grond van artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering levert een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. In deze kwestie staat vast dat [gedaagde] door de politierechter van deze rechtbank is veroordeeld voor mishandeling, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. Dit brengt – behoudens tegenbewijs – mee dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [gedaagde] [eiseres] opzettelijk heeft mishandeld.

4.2.
Tegen deze bewezenverklaring staat weliswaar de mogelijkheid van tegenbewijs open, maar de kantonrechter ziet geen aanleiding [gedaagde] daartoe in de gelegenheid te stellen. [gedaagde] heeft immers geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat ten onrechte vast is komen te staan dat zij [eiseres] heeft mishandeld. Daarmee staat de mishandeling in rechte vast. Dit leidt in beginsel tot de conclusie dat [gedaagde] op 17 juli 2015 onrechtmatig tegenover jegens [eiseres] heeft gehandeld. [gedaagde] is daarmee aansprakelijk voor de schade die [eiseres] daardoor lijdt.

Causaal verband

4.3.
Tussen partijen is in geschil of, zoals [eiseres] stelt en [gedaagde] betwist, het vereiste causaal verband aanwezig is tussen de mishandeling die [eiseres] is overkomen en de klachten die zij naar aanleiding daarvan stelt te hebben (gehad) en haar tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg daarvan.

4.4.
Als uitgangspunt geldt dat de stelplicht en – in voorkomend geval – de bewijslast betreffende het bestaan van klachten en het causaal verband tussen die klachten en de mishandeling in beginsel op [eiseres] rust, met dien verstande dat aan het te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medische aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Tot op zekere hoogte komt het immers voor risico van de aansprakelijke partij dat het slachtoffer door de mishandeling ook klachten kan ondervinden die zich slechts in beperkte mate lenen voor objectivering.

4.5.
Het gaat niet om medische maar om juridische causaliteit. De vraag naar het (juridisch) causaal verband tussen de mishandeling en de klachten is, nu het een juridisch oordeel betreft, voorbehouden aan de rechter. Voor het aanwezig zijn van dat laatste gaat het erom of de klachten als zodanig daadwerkelijk bestaan en dat die klachten mede gelet op de toedracht van het incident daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het incident deze klachten niet had, de klachten op zich door het incident veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.

4.6.
Als (voldoende) “bewijs” van de gestelde klachten en het causaal verband tussen die klachten en de mishandeling zou kunnen worden aangemerkt een deugdelijk gemotiveerd rapport van een onafhankelijk medisch deskundige waarin wordt gerapporteerd dat de gestelde klachten in (medisch) causaal verband staan met de mishandeling.

4.7.
[eiseres] onderbouwt haar standpunt dat het vereiste causaal verband aanwezig is met een, in haar opdracht, opgesteld rapport van 25 februari 2020 van dr. E. Oosterhoff, arts/neuroloog niet praktiserend verbonden aan het Neuro-Orthopedisch Centrum te Eindhoven (hierna: Oosterhoff).

De kantonrechter neemt dit rapport bij haar beoordeling tot uitgangspunt. Dit oordeel licht zij als volgt toe.

4.8.
[gedaagde] heeft geen bezwaren geformuleerd ten aanzien van de wijze van totstandkoming van het rapport van Oosterhoff. Gebleken is dat [gedaagde] zowel in de voorfase als na het gereedkomen van het rapport in de gelegenheid is gesteld om te participeren in het onderzoek en haar inbreng te geven. Dat heeft zij niet gedaan. Dat er poststukken en e-mails door een verhuizing bij haar gemachtigde zijn gemist, komt voor haar rekening en risico.

Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd geeft verder geen reden om aan te nemen Oosterhoff bij de uitvoering van zijn opdracht onzorgvuldig heeft gehandeld of dat zijn rapport niet voldoet aan daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. [gedaagde] heeft geen rapport van een eigen deskundige in het geding heeft gebracht met inhoudelijke bezwaren tegen het rapport van Oosterhoff.

4.9.
[gedaagde] voert terecht aan dat het rapport van Oosterhoff vermeldt dat aan [eiseres] geen percentage functieverlies kan worden toegekend, dat bij het postwhiplashbeeld geen overtuigende neurologische verschijnselen worden vastgesteld, dat de bevindingen van het neurologisch onderzoek geen aanleiding geven om aan ernstige beperkingen te denken en dat nekverkrampingen ook zonder trauma kunnen voorkomen. Maar dat de klachten van [eiseres] niet daadwerkelijk (hebben) bestaan en redelijkerwijs niet aan de mishandeling kunnen worden toegeschreven, is daaruit niet af te leiden. Integendeel, Oosterhoff stelt in zijn rapport dat - het gehele beeld na het trauma in ogenschouw nemend - [eiseres] de klachten die zich direct na dit trauma manifesteerden niet gekregen zou hebben indien haar het incident niet zou zijn overkomen. Verder geeft hij aan dat de klachten die na het incident zijn opgetreden, ook een reden hebben gevormd voor [eiseres] om haar werkzaamheden tijdelijk te staken en om spoedig medische hulp (in de persoon van een neuroloog) te zoeken.

4.10.
Op basis van het rapport van Oosterhoff en de overgelegde stukken uit de behandelend sector is het bestaan van klachten bij [eiseres] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende komen vast te staan. [eiseres] had de eerste tijd na de mishandeling pijn aan de neusbrug, in de buik en aan haar hoofd. Daarnaast waren er klachten van misselijkheid, duizeligheid, hoofdpijn en overgevoeligheid voor licht. Zij is door een neuroloog en revalidatiearts onderzocht. Ze kreeg Mensendieck therapie en later gedurende anderhalf jaar met een frequentie van twee keer in de week fysiotherapie. Verder heeft zij door de klachten haar werk gedurende vijf maanden na het incident niet volledig kunnen hervatten. Ze heeft in die periode ook niet kunnen kickboksen - haar uitlaatklep - en was in haar privé leven afhankelijk van haar naaste omgeving voor hulp bij de verzorging van de kinderen en in de huishouding.

4.11.
Als vaststaand neemt de kantonrechter verder aan, in aanmerking nemende dat de klachten door een incident als het onderhavige kunnen worden veroorzaakt, dat de klachten onmiddellijk na de mishandeling zijn ontstaan. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [eiseres] de klachten ook zonder de mishandeling zou hebben ontwikkeld in de periode tussen de mishandeling en 1 februari 2016, de in het kader van deze procedure relevante periode in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] . [gedaagde] heeft niet gemotiveerd aangevoerd, bijvoorbeeld aan de hand van medische stukken, dat sprake is geweest van een alternatieve oorzaak van de klachten.

4.12.
In het licht van de door [eiseres] onderbouwde stelling over het bestaan van causaal verband heeft [gedaagde] haar betwisting van het causaal verband onvoldoende gemotiveerd. De enkele, niet nader toegelichte, stelling dat de klachten niet overtuigend zijn en er een alternatieve oorzaak kan bestaan voor de klachten is daartoe onvoldoende. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is; de klachten van [eiseres] en haar tijdelijke arbeidsongeschiktheid houden direct verband met de mishandeling. Het verweer van [gedaagde] op dit punt slaagt dus niet.

Schade

4.13.
[eiseres] vordert immateriële schadevergoeding van € 6.000,00, minus het al toegewezen bedrag van € 2.250,00. Zij heeft deze vordering onderbouwd met een tweetal rechterlijke uitspraken uit de Smartengeldgids 2020 (nrs. 2294 en 773), waarin sprake is van letsel als gevolg van mishandeling. De toegekende bedragen waren € 6.343,00 en € 6.492,00.

4.14.
Zonder aan de ernst van het door [eiseres] overkomen incident af te willen doen is de kantonrechter van oordeel dat de situatie van [eiseres] niet geheel vergelijkbaar is met de zaken die hebben geleid tot genoemde rechterlijke uitspraken. Dit geldt met name voor de ernst van de (invaliderende) gevolgen. Het fysieke letsel dat [eiseres] de eerste tijd na de mishandeling heeft ondervonden en de gevolgen daarvan voor haar dagelijkse leven (zie 4.10), die in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de mishandeling, rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter toewijzing van een bedrag aan smartengeld van € 5.000,00. Aan de niet onderbouwde stelling van [gedaagde] ter zitting dat de maximale vergoeding op grond van de Letselschade Richtlijn € 2.275,00 zou bedragen, gaat de kantonrechter voorbij. Ook geeft de slechte financiële situatie van [gedaagde] geen reden om het smartengeld niet tot een bedrag van € 5.000,00 toe te wijzen. Dit geldt ook voor de door [gedaagde] ter zitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden.

4.15.
Verminderd met het door de politierechter toegekende bedrag van € 2.250,00 in het strafproces resteert een toe te wijzen bedrag van € 2.750,00. De kantonrechter zal dit bedrag vermeerderen met de onbetwist gebleven wettelijke rente vanaf 17 juli 2015.

Regresvordering van de politie

4.16.
De politie stelt op grond van artikel 2 VOA een verhaalsrecht te hebben op [gedaagde] , die jegens haar ambtenaar [eiseres] naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

4.17.
Het op artikel 2 VOA gebaseerde (netto-)verhaalsrecht strekt ertoe te voorkomen dat degene die de schade heeft veroorzaakt profiteert van het feit dat het slachtoffer zijn loon krijgt doorbetaald. De kern van dit verhaalsrecht is dat de (overheids-)werkgever (in dit geval de politie) in de plaats treedt van het slachtoffer (in dit geval [eiseres] ) voor dat deel van de schade, dat voor rekening van de werkgever is gekomen. In zoverre is het (zelfstandig) verhaalsrecht een afgeleid recht. Dit betekent dat voor uitoefening daarvan vereist is dat [eiseres] recht heeft op schadevergoeding jegens [gedaagde] . Daartoe zal aan de vereisten van artikel 6:162 BW moeten zijn voldaan (waaronder causaliteit en schade).

4.18.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is dat het geval. Het verweer van [gedaagde] dat vanwege het ontbreken van aansprakelijkheid naar burgerlijk recht jegens [eiseres] de politie geen verhaalsrecht toekomt op grond van artikel 2 VOA, slaagt dus niet.

4.19.
[gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de door de politie opgevoerde schadeposten. De loonvordering ten bedrage van € 11.345,23 is toewijsbaar als gevorderd. Ook zijn de gevorderde verschotten van in totaal € 3.711,58, bestaande uit de rapportagekosten van Oosterhoff van € 2.585,20, de kosten van het inwinnen van informatie bij de huisarts en het ziekenhuis van € 136,59, de kosten van het inschakelen van medisch adviseur [xxx] van € 838,54 en de kosten voor het stuiten van de vordering van eisers van € 151,25, toewijsbaar als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 sub b BW). Gesteld noch gebleken is dat deze vordering niet voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets.

De onbetwist gebleven wettelijke rente zal de kantonrechter toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding.

Buitengerechtelijke kosten

4.20.
De politie vordert verder een bedrag van € 3.000,00 aan buitengerechtelijke kosten. Zij verwijst in dit verband naar een urenoverzicht over de periode 7 juli 2016 tot en met 20 augustus 2020 van BSA Schaderegeling B.V., waar de gemachtigde van [eiseres] werkzaam is.

4.21.
De kantonrechter is van oordeel dat geen aanleiding bestaat de integrale kosten van rechtsbijstand over het traject voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding als schade toe te kennen. Daarvan kan alleen sprake zijn in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. Voor zover een deel van de opgevoerde kosten ziet op buitengerechtelijke werkzaamheden, is voldoende onderbouwd dat deze zijn verricht. Daarvoor geldt echter een tarief overeenkomstig het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal het gevorderde bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief berekend over de (aan de politie) toe te wijzen hoofdsom. Dit betekent dat een bedrag aan buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen van € 925,57. De hierover gevorderde rente is ook toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding. ECLI:NL:RBNHO:2022:5072