Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Den Haag 070415 kosten gevorderd obv uurtarief van € 250 + 6% + 21%, begroot obv 14 uur x € 230 + 21% + griffierecht, totaal € 4.178,20

Rb Den Haag 070415 shockschade vader en kinderen ivm gevolgen ongeval zoon/broer, invulling confrontatievereiste, onderscheid tzv ongeval- en niet ongevallocatie 
- kosten gevorderd obv uurtarief van € 250 + 6% + 21%, begroot obv 14 uur x € 230 + 21% + griffierecht, totaal € 4.178,20

Kosten deelgeschil

4.7.
Op grond van artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking dienen te worden genomen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.8.
Aegon heeft ter zitting met zoveel woorden betoogd dat deze procedure voor [D] en [C] niet nodig was. Aegon heeft, ondanks het verzoek van verzoekers daartoe, pas voor het eerst bij verweerschrift kunnen erkennen dat ten aanzien van [D] en [C] aan het confrontatievereiste is voldaan. Volgens Aegon was eerder niet duidelijk of [D] en [C] [B] daadwerkelijk op straat hebben zien liggen. Deze duidelijkheid is pas recent uit medische informatie gebleken, aldus Aegon.

4.9.
De rechtbank gaat aan het betoog van Aegon voorbij. De rechtbank constateert namelijk dat de medisch adviseur van Aegon in zijn brief van 8 januari 2013 reeds melding maakt van jeugdpsychiatrische onderzoeken uit 2012 waaruit blijkt dat [D] en [C] [B] direct na de aanrijding op straat hebben zien liggen, terwijl Aegon ter toelichting van haar erkenning in haar verweerschrift ook zelf naar deze stukken verwijst. Gelet hierop valt niet in te zien waarom Aegon niet reeds voorafgaande aan deze procedure haar thans ingenomen standpunt kon formuleren. Alsdan hadden verzoekers hun verzoek kunnen beperken tot [vader]. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat de procedure voor wat betreft [D] en [C] volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

4.10.
Mr. Baggerman-Scherpenisse voert aan dat zij tot aan de indiening van het verzoekschrift € 2.876,55 aan kosten heeft gemaakt. Daarbij is zij uitgegaan van 12,06 uur à € 250 per uur, 6% aan kantoorkosten en 21% aan BTW. De tijd vanaf de indiening van het verzoekschrift tot de zitting is begroot op 3 uur. Hierin is begrepen de tijd die is besteed aan de procedure tot het verkrijgen van de onder 2.7 bedoelde machtiging van de kantonrechter. Tevens moet nog rekening worden gehouden met het bijwonen van de mondelinge behandeling.

4.11.
Met Aegon is de rechtbank van oordeel dat het gehanteerde uurtarief voor matiging vatbaar is, in het licht van de begrote uren. De rechtbank zal echter niet overgaan tot de door Aegon eveneens verzochte matiging van het aantal uren. De rechtbank acht het redelijk om rekening te houden met een uurtarief van € 230 (inclusief kantoorkosten), te vermeerderen met 21% BTW. De rechtbank zal de kosten (inclusief het betaalde griffierecht) begroten op € 4.178,20 (14 uur x € 230, vermeerderd met 21% BTW en € 282 aan betaald griffierecht).

4.12.
De rechtbank zal niet overgaan tot een veroordeling van Aegon tot betaling van de begrote kosten. Voor het ontstaan van een verplichting van Aegon tot de vergoeding van shockschade is niet alleen noodzakelijk dat aan het confrontatievereiste is voldaan. Ook zal moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van een hevige emotionele schok waaruit geestelijk letsel (een psychiatrisch erkend ziektebeeld) voortvloeit. Hierover zullen partijen nog nader overleg moeten voeren.

4.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kosten van dit deelgeschil slechts worden begroot. ECLI:NL:RBDHA:2015:393