Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Overijssel 241115 kosten gevorderd 10 x € 250,00 + 21% + griffierecht, totaal € 4.483,05, afgewezen: verzoek ten onrechte, want te laat ingesteld

Rb Overijssel 241115 vordering minderjarige tzv val in 2003 is verjaard, art 119b Overgangswet BW niet ism redelijkheid in billijkheid;
- kosten gevorderd 10 x € 250,00 + 21% + griffierecht, totaal € 4.483,05afgewezen: verzoek ten onrechte, want te laat ingesteld

4.16. 

Verzoeker verzoekt om begroting door de rechtbank en veroordeling van verweerster in de kosten van rechtsbijstand van verzoeker ten behoeve van deze deelgeschillenprocedure op de voet van artikel 1019aa Rv. Verzoeker begroot zijn kosten, uitgaande van 10 bestede uren tegen een uurtarief van € 250,— op € 4.483,05, inclusief 21% BTW en € 80,— griffierecht.

4.17. 
Verweerster stelt primair dat er geen aanleiding is de kosten van dit deelgeschil te begroten en voor haar rekening te brengen, omdat verzoeker de vordering ten onrechte heeft ingediend. Subsidiair betwist verweerster de redelijkheid van de omvang van de kosten van verzoekers advocaat.

4.18. 
Ingevolge artikel 1019aa Rv neemt de rechtbank bij de voornoemde begroting van de kosten alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking. Dit betekent dat de benadeelde in beginsel recht heeft op volledige vergoeding, maar dat de benadeelde de kosten niet of niet volledig vergoed krijgt indien:

1. zij de wederpartij ten onrechte voor de schade aansprakelijk heeft gehouden;

2. de door haar gemaakte kosten niet redelijk zijn.

4.19. De rechtbank oordeelt dat met het voorgaande is gegeven dat het verzoek ten onrechte, want te laat is ingesteld en ziet daarin aanleiding om te oordelen dat de kosten van verzoeker niet (deels) voor vergoeding door verweerster in aanmerking komen. Het verzoek, zoals geformuleerd onder rechtsoverweging 4.16. zal dan ook worden afgewezen.
3.
4. Naar het oordeel van de rechtbank doet de onder a. genoemde situatie hier opgeld. Uit de processtukken komt immers duidelijk naar voren dat het standpunt van verweerster van meet af aan is geweest dat de rechtsvordering van verzoeker is verjaard. Ook verzoeker is er steeds vanuit gegaan dat de vordering is verjaard, maar dacht in de jurisprudentie van het Europese Hof in de Stagno-zaak – ten onrechte – een klein gaatje te vinden. Eerst ter comparitie heeft verzoeker met het te berde brengen van een tweede CT-scan mogelijk een beroep willen doen op het op een later tijdstip aanvangen en dus eindigen van de verjaringstermijn. In rechtsoverweging 4.7. heeft de rechtbank ook deze visie van de hand gewezen. www.stichtingpiv.nl