Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 090721 kosten gevorderd, niet betwist en toegewezen € 4912,90

RBROT 100118 & 090721 Wam-verzekeraar niet, Wbf wél aansprakelijk voor opzettelijke aanrijding; gebruik van auto iom met gebruikelijke functie
RBROT 090721 kosten gevorderd, niet betwist en toegewezen € 4912,90

RBROT 100118

2.
De feiten

2.1.
[naam verzoeker] heeft op 23 juli 2012 een auto van het merk Audi A5 (hierna: de auto) gehuurd.

2.2.
Amlin is de WAM-verzekeraar van de auto.

2.3.
Op 10 augustus 2012 heeft zich het volgende voorgedaan. [naam verzoeker] was rondjes aan het rijden in de auto op het J.P. Heijeplein in Dordrecht. Vervolgens zette [naam verzoeker] zijn auto stil en heeft vanuit de auto (met geopend raam) beledigende teksten geuit tegen een jongetje dat daar stond. De neef van het beledigde jongetje, [naam 1], is daarop naar de auto toe gelopen en heeft [naam verzoeker] aangesproken en hem verzocht weg te gaan. [naam verzoeker] is daarop met een getrokken mes de auto uitgestapt. [naam verzoeker] heeft [naam 1] vervolgens een elleboogstoot op zijn neus gegeven. [naam 1] is toen weggelopen. Hierop zijn [naam 2] (hierna: [naam 2]) en [naam 3] naar [naam verzoeker] toegelopen. [naam 2] werd vrijwel direct door [naam verzoeker] gestoken met het mes.

Nadat [naam verzoeker] hem had gestoken heeft [naam 2] zich toegang verschaft tot de auto waarop [naam verzoeker] wegrende. [naam 2] reed daarop met hoge snelheid deels door de struiken, deels over de rijbaan achter [naam verzoeker] aan. Op het moment dat [naam verzoeker] struikelde, is [naam 2] met de auto over hem heen gereden. [naam verzoeker] is daarna opgestaan en een supermarkt ingevlucht. [naam 2] heeft de auto vervolgens in brand gestoken.

2.4.
[naam verzoeker] heeft ten gevolge van deze aanrijding ernstig letsel opgelopen.

3.
Het geschil

3.1.
Het verzoek van [naam verzoeker] luidt – zakelijk weergegeven – om:
1. te beslissen dat Amlin aansprakelijk is voor de schade in verband met de aanrijding waarvan [naam verzoeker] op 10 augustus 2012 slachtoffer is geworden;
2. de kosten van rechtsbijstand van [naam verzoeker] te begroten op grond van hetgeen [naam verzoeker] heeft aangegeven in punt 71 tot en met punt 75 van het verzoekschrift en te beslissen dat Amlin in de te begroten kosten van dit deelgeschil wordt veroordeeld.

3.2.
[naam verzoeker] grondt zijn vordering op artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW). Artikel 185 WVW bepaalt dat indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen de eigenaar van het motorrijtuig of – indien er een houder van het motorrijtuig is – de houder verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht. [naam verzoeker] stelt dat hij als voetganger aangereden is door [naam 2] die de auto bestuurde en dat [naam verzoeker] derhalve – op grond van artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) – een rechtstreekse vordering heeft op de WAM-verzekeraar van de auto, Amlin, tot vergoeding van de door hem geleden schade.

3.3.
Amlin betwist voor de door [naam verzoeker] geleden schade aansprakelijk te zijn. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.
(1) De doelstelling van de WAM is bescherming bieden aan slachtoffers van verkeersongevallen die veroorzaakt zijn door het gemotoriseerd verkeer. Voor dekking onder de WAM moet sprake zijn van: (i) deelname in het verkeer door een motorrijtuig, en (ii) een causaal verband tussen de deelname aan het verkeer en de aangerichte schade. Er is geen sprake van een verzekeringsdekking indien de schade die is veroorzaakt geen verband houdt met verwezenlijking van de aan het gemotoriseerd verkeer verbonden risico’s. Daarvan is in het onderhavige geval sprake, zodat geen verzekeringsdekking bestaat.
(2) Ingevolge artikel 3 lid 1 WAM hoeft de WAM-verzekeraar geen dekking te verlenen wanneer de aansprakelijke bestuurder zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig heeft verschaft. [naam 2] heeft zich via geweldpleging en/of diefstal de macht over het motorrijtuig verschaft, zodat Amlin in dit geval geen dekking hoeft te verlenen.

4.
De beoordeling

4.1.
[naam verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

4.2.
Tussen partijen is (terecht) niet in geschil dat het onderhavige geval zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.3.
Voorop wordt gesteld dat de WAM blijkens de considerans van die wet tot doel heeft de verplichte aansprakelijkheidsverzekering van motorrijtuigen te regelen. Ingevolge artikel 3 WAM dient deze aansprakelijkheidsverzekering dekking te bieden tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Onder deelneming aan het verkeer wordt verstaan elk gebruik van het motorrijtuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie daarvan (vgl. HvJ EU 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146).

4.4.
Derhalve dient de vraag beantwoord te worden of het gebruik van de auto door [naam 2] op 10 augustus 2012 overeenstemt met de gebruikelijke functie van een motorrijtuig. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De auto is, zoals Amlin ook heeft aangevoerd, in de eerste plaats gebruikt als (willekeurig) voorwerp om [naam verzoeker] letsel mee toe te brengen. In dit geval is de auto gelijk te stellen aan enig ander voorwerp dat geschikt is om letsel toe te brengen. Dat [naam 2] zich daarbij ook met de auto (deels) over de weg heeft verplaatst is een toevallige bijkomstigheid. Het toebrengen van letsel is evident niet de gebruikelijke functie van een het motorrijtuig. Daarmee is er dus geen sprake van aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Om die reden valt dit ongeval niet onder de dekking van een verzekering die ingevolge de WAM is afgesloten. Dit betekent dat Amlin niet aansprakelijk is voor de door [naam verzoeker] geleden schade.

4.5.
De overige verweren van Amlin behoeven gelet daarop geen bespreking.

4.6.
Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek van [naam verzoeker] zal worden afgewezen.

4.7.
Nu [naam verzoeker] ten onrechte Amlin aansprakelijk heeft gehouden voor de door hem geleden schade als gevolg van het ongeval op 10 augustus 2012, dienen de door [naam verzoeker] in dit verband gemaakte (buitengerechtelijke) kosten voor zijn rekening te blijven. ECLI:NL:RBROT:2018:11490

RBROT 090721

2
.De feiten

2.1.
Op 10 augustus 2012 was [naam verzoeker] betrokken bij een ongeval. [naam verzoeker] , te voet, is achtervolgd door en aangereden met een door hem zelf gehuurde personenauto van het type Audi A5 (hierna: de auto), die op dat moment werd bestuurd door [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

2.2.
Daaraan was een confrontatie tussen [naam verzoeker] enerzijds en [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] anderzijds voorafgegaan op het J.P. Heijeplein in Dordrecht, welke ruzie ontstond toen [naam verzoeker] daar zijn auto stil had gezet en vanuit de auto (met geopend raam) beledigende teksten uitte tegen een jongetje dat daar stond. [naam 2] is de neef van dat jongetje. Vast staat dat [naam verzoeker] uit de auto is gestapt. Vast staat ook dat [naam verzoeker] [naam 2] een elleboogstoot op zijn neus heeft gegeven, dat [naam 1] door [naam verzoeker] is gestoken in zijn arm met een mes, dat [naam verzoeker] rennend op de vlucht is geslagen waarbij hij door [naam 3] te voet is achtervolgd, dat [naam 1] zich de toegang verschafte tot de auto waar [naam verzoeker] mee was gekomen en met hoge snelheid met deze auto [naam verzoeker] heeft achtervolgd, deels door de struiken, deels over de rijbaan. Toen [naam verzoeker] struikelde is [naam 1] met de auto tegen hem aan en over hem heen gereden. [naam verzoeker] is daarna moeizaam opgestaan en een supermarkt ingevlucht. [naam 1] heeft de auto naderhand elders in brand gestoken.

2.3.
Ten gevolge van het ongeval heeft [naam verzoeker] ernstig letsel opgelopen.

2.4.
Ten tijde van het ongeval was de auto onder de WAM verzekerd bij [naam 4].

2.5.
[naam 1] is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 15 januari 2013 strafrechtelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar voor de eendaadse samenloop van poging tot moord en poging tot zware mishandeling. In het strafdossier bevond zich blijkens het vonnis geen enkel stuk over het letsel van [naam verzoeker] , reden waarom [naam 1] is vrijgesproken voor het toebrengen aan [naam verzoeker] van zwaar lichamelijk letsel.

2.6.
Per brief d.d. 5 juni 2013 heeft de toenmalige belangenbehartiger van [naam verzoeker] , mr. Munten, [naam 4] aansprakelijk gesteld. [naam 4] heeft geen aansprakelijkheid erkend.

2.7.
Ook [naam verzoeker] is vervolgd vanwege zijn rol bij het conflict tussen hem en het drietal. Bij arrest d.d. 11 februari 2015 heeft het gerechtshof Den Haag [naam verzoeker] in hoger beroep integraal vrijgesproken. In dit arrest is onder meer overwogen:

De verdediging heeft ( ... ) betoogd dat de verdachte een beroep toekomt op noodweer, subsidiair noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat uit de verklaringen van diverse onafhankelijke getuigen volgt dat de verdachte werd aangevallen door de drie aangevers [opm RB: [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] ], tegen wier aanval hij zich vervolgens – mogelijk met gebruik van een mes – heeft verdedigd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Nu uit getuigenverklaringen is gebleken dat één van de aanvallers een mes jegens de verdachte gebruikte, alsook dat de verdachte werd omsloten door zijn aanvallers, acht het hof het niet onaannemelijk dat de verdachte zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de drie aangevers heeft moeten verdedigen.

Het hof acht de wijze van verdediging, te weten het zwaaien met een (al dan niet eigen) mes in zijn hand waarbij degene die hem desondanks belagend bleef benaderen werd geraakt, alsmede het slaan van een belager, ook geboden en noodzakelijk. Het beroep op noodweer slaagt derhalve.

Nu het hof van oordeel is dat aannemelijk is dat de verdachte het door hem gepleegde geweld geboden door noodweer heeft gepleegd, kunnen de ten laste gelegde gedragingen niet als wederrechtelijk en daarmee als ‘mishandelend’ worden aangemerkt, zodat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.”

2.8.
[naam verzoeker] heeft tegen [naam 4] een deelgeschil aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam en verzocht een oordeel te geven over de vraag of [naam 4] als WAM-verzekeraar aansprakelijk is voor het met de auto veroorzaakte ongeval.

2.9.
De rechtbank heeft de verzoeken van [naam verzoeker] bij beschikking d.d. 10 januari 2018 afgewezen. De rechtbank heeft in deze beschikking onder meer overwogen:

"4.
De beoordeling

( ... )

4.3
Voorop wordt gesteld dat de WAM blijkens de considerans van die wet tot doel heeft de verplichte aansprakelijkheidsverzekering van motorrijtuigen te regelen. Ingevolge artikel 3 WAM dient deze aansprakelijkheidsverzekering dekking te bieden tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Onder deelneming aan het verkeer wordt verstaan elk gebruik van het motorrijtuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie daarvan (vgl. HvJ EU 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146).

4.4.
Derhalve dient de vraag beantwoord te worden of het gebruik van de auto door [naam 1] op 10 augustus 2012 overeenstemt met de gebruikelijke functie van een motorrijtuig. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De auto is, zoals [naam 4] ook heeft aangevoerd, in de eerste plaats gebruikt als (willekeurig) voorwerp om [naam verzoeker] letsel mee toe te brengen. In dit geval is de auto gelijk te stellen aan enig ander voorwerp dat geschikt is om letsel toe te brengen. Dat [naam 1] zich daarbij ook met de auto (deels) over de weg heeft verplaatst is een toevallige bijkomstigheid. Het toebrengen van letsel is evident niet de gebruikelijke functie van een motorrijtuig. Daarmee is er dus geen sprake van aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Om die reden valt dit ongeval niet onder de dekking van een verzekering die ingevolge de WAM is afgesloten. Dit betekent dat [naam 4] niet aansprakelijk is voor de door [naam verzoeker] geleden schade
."

2.10.
[naam verzoeker] is bij dagvaarding d.d. 9 april 2018 tegen die beschikking opgekomen en heeft de rechtbank Rotterdam verzocht verlof te verlenen voor tussentijds hoger beroep. De toenmalige advocaat van [naam verzoeker] heeft echter verzuimd tijdig daadwerkelijk hoger beroep in te stellen tegen de beschikking.

2.11.
Bij vonnis d.d. 13 maart 2019 heeft de rechtbank Rotterdam zich gebonden geacht aan de beschikking in deelgeschil en de vorderingen van [naam verzoeker] jegens [naam 4] afgewezen. Ook tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

3.
Het geschil

3.1.
[naam verzoeker] verzoekt, voor zover thans nog van belang, om:
1. voor recht te verklaren dat de WAM van toepassing is en voor recht te verklaren dat Waarborgfonds gehouden is om ingevolge artikel 25 lid 1 sub c WAM [naam verzoeker] schadeloos te stellen naar aanleiding van het hem overkomen ongeval d.d. 10 augustus 2012;
2. Waarborgfonds te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil, vooralsnog begroot op € 4.827,90, te vermeerderen met het griffiegeld, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
3. te bevelen dat voornoemde kostenveroordeling binnen 14 dagen na de uitspraak door Waarborgfonds zal worden overgemaakt onder de noemer "vergoeding buitengerechtelijke kosten" op rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van advocatenkantoor Eskes onder vermelding van " [omschrijving] ";
4. de voornoemde punten uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.
Het verweer van Waarborgfonds strekt tot afwijzing van de verzoeken.

3.3.
Op de stellingen van partijen zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan.

4.
De beoordeling

Inleiding

4.1.
[naam verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen als en voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.2.
Tussen partijen is (terecht) niet in geschil dat de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen hen.

Verklaring voor recht

4.3.
[naam verzoeker] verzoekt een verklaring voor recht dat Waarborgfonds gehouden is om ingevolge artikel 25 lid 1 sub c WAM [naam verzoeker] schadeloos te stellen naar aanleiding van het hem overkomen ongeval d.d. 10 augustus 2012.

4.4.
[naam verzoeker] grondt dit verzoek op het volgende. Ingevolge artikel 185 WVW is de houder/bestuurder van de auto ( [naam 1] ) verplicht de schade van [naam verzoeker] te vergoeden. [naam verzoeker] kan dit recht jegens het Waarborgfonds op grond van artikel 25 lid 1 sub c WAM geldend maken. Want [naam verzoeker] ’s schade vloeit voort uit het handelen althans nalaten van [naam 1] , die zich door diefstal of geweldpleging de macht over de auto heeft verschaft of althans, dit wetende, de auto zonder geldige reden heeft gebruikt, en de WAM-verzekeraar [naam 4] is deswege niet aansprakelijk. Dat laatste is immers beslist door de rechtbank en die beslissing is definitief geworden.

Deelneming aan het verkeer

4.5.
Waarborgfonds heeft primair aangevoerd dat de wetgever blijkens artikel 3 WAM met de WAM uitsluitend oog heeft op schade die in het verkeer is toegebracht. Omdat in dit geval de schade niet in het verkeer is toegebracht, valt deze niet binnen het bereik van de WAM(polis) en dus ook niet binnen het bereik van artikel 25 WAM. Immers, de wijze waarop de auto door [naam 1] werd gebruikt is niet karakteristiek voor het gebruik van een motorrijtuig als vervoermiddel. Bij [naam 1] stond het doel voorop de auto te gebruiken om aan [naam verzoeker] letsel toe te brengen en dat is geen gebruikmaken van een motorrijtuig op een wijze die overeenstemt met de gebruikelijke functie daarvan. Zulks is ook door de rechtbank Rotterdam overwogen in de deelgeschilbeschikking van 10 januari 2018 tussen [naam verzoeker] en [naam 4].

4.6.
[naam verzoeker] heeft hier tegenin gebracht dat de auto niet gebruikt is als willekeurig voorwerp om [naam verzoeker] letsel mee toe te brengen, maar dat deze gebruikt is door [naam 1] om zich te vervoeren van A naar B - teneinde bij aankomst [naam verzoeker] daarmee aan te rijden - en dat de auto zich ook bevond op de openbare weg ten tijde van de aanrijding van [naam verzoeker] .

4.7.
Art. 3 lid 1 WAM houdt in, voor zover thans van belang, dat de verzekering dekking moet bieden voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Deze bepaling vormt onder meer de implementatie van art. 3, eerste alinea, van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PbEU 2009,L 263/11; hierna: WAM-richtlijn). Art. 3 lid 1 WAM dient daarom in overeenstemming met de richtlijn te worden uitgelegd. Art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn houdt in dat iedere lidstaat de nodige maatregelen treft opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. Art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn moet zo worden uitgelegd dat het daarin vervatte begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” mede ziet op elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan. Telkens als het voertuig als een vervoermiddel wordt gebruikt, is sprake van deelneming aan het verkeer (HvJEU 4 september 2014,C-162/13, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk), HvJEU 28 november 2017, C-514/16, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrade), HvJEU 20 december 2017, C-334/15, ECLI:EU:C:2017:1007 (Torreiro) en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:877).

4.8.
De hiervoor vermelde jurisprudentie is ontwikkeld voor voertuigen die behalve als vervoermiddel ook nog een andere functie hebben, in het bijzonder die van werktuig (zoals een vorkheftruck), en die zich daarnaast zowel op de openbare weg begeven als in bedrijfsruimtes (kunnen) worden ingezet (zoals in een loods). Logischerwijs speelt daarbij de vraag of het voertuig ten tijde van het ongeval gebruikt werd als werktuig, of (ook) op een wijze die overeenstemt met de gebruikelijke functie van (dat) voertuig.

In het onderhavige geval is geen sprake van zo’n bijzonderheid. Niet is in geschil dat het ongeval waarbij [naam verzoeker] letsel opliep op de openbare weg heeft plaatsgevonden en dat de personenauto waar het in deze zaak over gaat geen andere functie heeft dan te dienen als vervoermiddel, voor vervoer over de weg. Het vervoer van (en door) [naam 1] in de auto geschiedde weliswaar primair om [naam verzoeker] te achtervolgen en aan te rijden, maar dat maakt, naar het huidige inzicht en oordeel van de rechtbank, niet, dat de auto op een andere wijze is gebruikt dan op een wijze die overeenstemt met de gebruikelijke functie van deze auto. Bestuurders van motorrijtuigen kunnen soms onorthodox en/of onvoorzichtig of zelfs roekeloos rijgedrag vertonen, of, zoals in casu, agressief rijgedrag, waarbij willens en wetens wordt geprobeerd anderen dood te rijden, letsel toe te brengen of tenminste het risico op de koop toe wordt genomen dat anderen letsel wordt toegebracht met hun auto. Maar daarmee blijven zij bestuurders die hun auto gebruiken als vervoermiddel waarmee ze aan het verkeer deelnemen.

Het vorenstaande samengevat betekent dat de auto door [naam 1] is gebruikt in overeenstemming met de gebruikelijke functie daarvan, en dat daarmee sprake is van deelneming aan het verkeer. Artikel 3 van de WAM is in het onderhavige geval dus van toepassing.

Diefstaluitsluiting

4.9.
Waarborgfonds heeft subsidiair, voor zover de rechtbank oordeelt dat in het onderhavige geval sprake is van onder de WAM gedekte schade, betoogd dat artikel 25 lid 1 sub c WAM in het onderhavige geval niet van toepassing is. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Indien er met [naam verzoeker] vanuit wordt gegaan dat de auto door [naam 1] was gestolen in de zin van artikel 3 lid 1 WAM, dan komt [naam 4] in beginsel een beroep toe op de zogenaamde 'diefstaluitsluiting', die inhoudt dat de WAM-verzekeraar geen dekking hoeft te bieden voor schade die, kort gezegd, is veroorzaakt met het gestolen motorrijtuig. In beginsel omdat de WAM-verzekeraar wél dekking moet bieden voor schade die met het motorrijtuig is veroorzaakt wanneer de diefstal het gevolg is van onzorgvuldigheid aan de zijde van de verzekerde. En in het onderhavige geval ís sprake van onzorgvuldigheid van de kant van [naam verzoeker] . Immers, hij heeft de auto rijklaar achtergelaten, zodat [naam 1] kon instappen. Omdat hij de auto heeft achtergelaten om ruzie te gaan maken, moest hij er des te meer rekening mee houden dat zijn opponenten iets met de auto zouden gaan doen. Daaruit volgt de conclusie dat [naam 4] dekking moet bieden voor de schade die door de bij haar verzekerde auto aan [naam verzoeker] is veroorzaakt, en dat aan een beroep op Waarborgfonds niet wordt toegekomen.

4.10.
[naam verzoeker] zet daar tegenover dat, zoals vanwege het oordeel van het gerechtshof Den Haag definitief is komen vast te staan, hem een beroep op noodweer toekomt. Het begon allemaal met een opstootje dat vervolgens uit de hand is gelopen. [naam verzoeker] is daarbij bedreigd door drie mannen. Er ontstond een gewelddadige sfeer. Dat [naam verzoeker] onder die omstandigheden de auto verliet en de sleutels in het contact liet zitten, kan hem niet worden verweten en kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat sprake was van onzorgvuldigheid aan de zijde van [naam verzoeker] in het kader van artikel 3 lid 1 WAM. [naam 1] heeft zich uiteindelijk met geweldpleging, en zonder toestemming van [naam verzoeker] , de macht over de auto verschaft.

Ook staat inmiddels vast, vanwege de onherroepelijke beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2018, dat [naam 4] niét aansprakelijk is.

4.11.
De rechtbank heeft aldus te beoordelen of van de zijde van [naam verzoeker] sprake is van onzorgvuldigheid. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de bereikbaarheid van de autosleutels voor anderen en de relatie waarin deze anderen tot de eigenaar/bezitter staan.

4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van onzorgvuldigheid. [naam verzoeker] heeft de auto niet vanaf het begin af aan onbeheerd en rijklaar achtergelaten. Wel heeft hij kennelijk (bewust) geprovoceerd en een conflict willen beslechten waarbij hij uit de auto is gestapt, en hij kon dan ook, zoals Waarborgfonds terecht heeft betoogd, een reactie verwachten. Redelijkerwijs niet voorzienbaar was echter voor [naam verzoeker] toen hij uit de auto stapte, dat hij zijn auto overhaast vanwege bedreiging en geweld zou moeten verlaten en dat hij daarmee achtervolgd zou kunnen worden en vervolgens daarmee aangereden. Het is om die reden ook dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat [naam verzoeker] een beroep op noodweer toekwam.

4.13.
Omdat geen sprake is van onzorgvuldigheid aan de zijde van [naam verzoeker] , had [naam 4] met succes een beroep kunnen doen op de diefstaluitsluiting, en om die reden dus geen dekking hoeven bieden.

4.14.
Dat betekent ook dat in dit geval de situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 25 lid 1 sub c WAM: Er is sprake van een diefstal waarvoor de WAM-verzekeraar niet aansprakelijk is. Daarmee kan [naam verzoeker] een recht op schadevergoeding jegens het Waarborgfonds geldend maken.

Eigen schuld

4.15.
Waarborgfonds heeft, voor zover de rechtbank oordeelt dat [naam verzoeker] een recht op schadevergoeding jegens het Waarborgfonds geldend kan maken, meer subsidiair aangevoerd dat [naam verzoeker] eigen schuld heeft aan het ontstaan van zijn schade. Dit beroep op eigens schuld onderbouwt Waarborgfonds als volgt. Uit de verklaringen uit het strafdossier van [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] volgt zonneklaar het gewelddadige gedrag van [naam verzoeker] , waardoor de tegenreactie van [naam 1] is uitgelokt. Ook blijkt uit die verklaringen dat het [naam verzoeker] was die begon met het toepassen van geweld en dat daar door de overige betrokkenen op werd gereageerd. Dit betekent dat het grootste deel van de schuld op [naam verzoeker] rust. Hierdoor komt, gelet op artikel 185 WVW, maximaal 50% van de schade van [naam verzoeker] voor vergoeding in aanmerking.

4.16.
[naam verzoeker] bestrijdt dat er sprake is van eigen schuld aan zijn zijde. Daartoe heeft [naam verzoeker] het volgende aangevoerd. De schade is niet mede het gevolg van omstandigheden die in de invloedssfeer van [naam verzoeker] liggen. [naam verzoeker] heeft voorts voldoende zorg voor zijn eigen persoon betracht. De schade is niet (mede) het gevolg van uitdagend gedrag van [naam verzoeker] . Eén van de drie aangevers heeft [naam verzoeker] met een mes aangevallen, hij werd door de drie aangevers omsloten en hem werd (later in tijd) zeer ernstig letsel toegebracht. Om zich uit een uiterst benaderde positie te bevrijden heeft [naam verzoeker] , door weg te rennen, geprobeerd zich zelf in veiligheid te brengen. Ander gedrag - ter voorkoming van letsel - kon niet van hem worden verlangd. Het gedrag van [naam 1] is bovendien veel ernstiger dan dat van [naam verzoeker] , en het door Waarborgfonds genoemde percentage van 50% is dan ook daarmee niet in overeenstemming en willekeurig.

4.17.
Ingevolge artikel 6:101 BW wordt wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank is de door [naam verzoeker] geleden schade niet mede een gevolg van omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat het gerechtshof het beroep op noodweer van [naam verzoeker] heeft gehonoreerd, omdat [naam verzoeker] zich jegens een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de aangevers [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] heeft moeten verdedigen. Het gerechtshof heeft daarbij niet alleen acht geslagen op de verklaringen van die aangevers, zoals Waarborgfonds wel doet, maar juist ook op de verklaringen van andere, onafhankelijke, getuigen. Voorts heeft het gerechtshof meegewogen dat uit die getuigenverklaringen is gebleken dat één van de aanvallers een mes jegens de verdachte gebruikte, alsook dat de verdachte werd omsloten door zijn aanvallers. Onder die omstandigheden kan [naam verzoeker] dus niet verweten worden, zoals hij terecht aanvoert, dat hij de auto heeft verlaten om zichzelf rennend in veiligheid te brengen, ook al bood hij daarmee (een van) zijn belagers de kans in die auto te stappen, en hem zelfs daarmee te achtervolgen en te aan- en overrijden. Als hiervoor reeds overwogen, kon [naam verzoeker] gelet op zijn provocerende gedrag tegen het jongetje enige tegenreactie verwachten, maar niet een dergelijke buitenproportionele tegenreactie.

4.19.
Het beroep door Waarborgfonds op eigen schuld wordt dus verworpen.

buitengerechtelijke kosten

4.20.
[naam verzoeker] heeft verzocht de kosten van deze procedure te begroten overeenkomstig artikel 1019aa Rv. [naam verzoeker] begroot deze kosten op een bedrag van in totaal € 4.827,90, te vermeerderen met het verschuldigde griffierecht.

4.21.
Waarborgfonds heeft deze kosten niet betwist.

4.22.
De kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Of het redelijke kosten zijn, hangt af van de vraag of het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt én of de hoogte van deze kosten redelijk is.

4.23.
Dat het maken van de kosten redelijk is acht de rechtbank evident, nu het buitengerechtelijk onderhandelingstraject is vastgelopen op de voor de verdere voortgang van dat traject essentiële (en niet eenvoudige te beantwoorden) vraag of [naam verzoeker] al dan niet een recht op schadevergoeding jegens Waarborgfonds gelden kan maken.

4.24.
De rechtbank acht ook de hoogte van de door [naam verzoeker] opgegeven kosten, gelet op de omvang en de complexiteit van het geschil, redelijk en zal daarom de kosten op het opgegeven bedrag, vermeerderd met het door [naam verzoeker] betaalde griffiegeld van € 85,00, derhalve op een bedrag van € 4.912,90, begroten. Tot betaling van dit bedrag aan [naam verzoeker] zal Waarborgfonds worden veroordeeld. ECLI:NL:RBROT:2021:9910